Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AF3294

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
17-01-2003
Datum publicatie
29-04-2003
Zaaknummer
AWB 02/1872 WRO VV FEE
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Reg.nr: AWB 02/1872 WRO VV FEE

UITSPRAAK van de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen:

A te B, verzoeker,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Heerlen, gevestigd te Heerlen, verweerder.

Toepassing van artikel 8:81 van de Awb wordt verzocht ten aanzien van het besluit van verweerder van 31 juli 2002.

Kenmerk: S16768.

Behandeling ter zitting: 14 januari 2003.

Procesverloop

Bij schrijven van 12 september 2002 (verzonden 13 september 2002) is door verweerder aan de heer A mededeling gedaan van de verlening van rechtswege van een bouwvergunning ten behoeve van een ondergrondse mestopslagruimte op het perceel kadastraal bekend als gemeente Heerlen, sectie […], plaatselijk bekend […]weg […] Heerlen.

Tegen dit besluit is door verzoeker bij schrijven van 7 oktober 2002 bezwaar gemaakt bij verweerder. Bij schrijven van 12 december 2002 heeft verzoeker zich tevens gewend tot de voorzieningenrechter van de rechtbank met het verzoek ter zake een voorlopige voorziening, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), te treffen.

Ingevolge het bepaalde in artikel 8:26 van de Awb is de vergunninghouder, A voornoemd, in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen, van welke gelegenheid geen gebruik is gemaakt.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:83van de Awb ingezonden stukken zijn in afschrift aan verzoeker gezonden.

De inhoud van de stukken wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de voorzieningenrechter op 14 januari 2002, alwaar verzoeker in persoon is verschenen.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.A.M.A. Huppertz en de heer W. Buttolo, ambtenaren der gemeente.

Overwegingen

II.1 In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen dat vereist.

Voor zover de toetsing aan het in dit artikel neergelegde criterium mee brengt dat een beoordeling van het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend in die procedure.

De voorzieningenrechter ziet geen beletselen verzoeker in zijn verzoek ex artikel 8:81 van de Awb te ontvangen. Voorts acht de voorzieningenrechter ook de onverwijlde spoed in genoegzame mate aangetoond.

II.2 Tot het treffen van een voorlopige voorziening zal in het algemeen slechts aanleiding bestaan indien op grond van de beschikbare gegevens moet worden geoordeeld dat zonder die voorziening het voor verzoeker uit het bestreden besluit voortkomend nadeelonevenredig is in verhouding tot het met dat besluit te dienen belang. Nu de voorzieningenrechter aan de zijde van verzoeker een bepaald spoedeisend belang aanwezig acht en derhalve niet reeds op voorhand kan worden geconcludeerd dat hij zonder enig nadeel een beslissing op bezwaar kan afwachten, is het antwoord op de vraag of sprake is van enig nadeel dat behoort te worden voorkomen door het treffen van een voorlopige voorziening in belangrijke mate mede afhankelijk van een voorlopig oordeel omtrent de vraag of het bestreden besluit als zodanig in een eventuele hoofdzaak zal kunnen worden gehandhaafd.

Dienaangaande wordt overwogen als volgt.

II.2.1 Blijkens een op 18 september 1998 ter gemeentesecretarie ontvangen aanvraag bouwvergunning heeft A (verder te noemen: vergunninghouder) verweerder verzocht om afgifte van een vergunning voor het bouwen van een ondergrondse mestopslag op het perceel gelegen aan de […]weg te Heerlen.

Het perceel waarop het bouwplan is gesitueerd ligt binnen het bestemmingsplan “Geleendal”. Op het perceel rust de bestemming “Stadspark”. Ingevolge de bepalingen van het bestemmingsplan is de bouw van een mestopslag ter plaatse niet toegestaan.

Door de raad van verweerders gemeente is op 3 juli 2001 een voorbereidingsbesluit genomen, dat in werking is getreden op 12 juli 2001, zodat bouwvergunning verleend kon worden met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO).

De welstandscommissie heeft op 1 november 2001 geadviseerd met het bouwplan akkoord te gaan.

Het bouwplan is op 31 januari 2001 gepubliceerd en heeft met ingang van 1 februari 2001 gedurende twee weken ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn zijn bedenkingen ingekomen, welke bedenkingen bij besluit van 6 november 2001 door verweerder ongegrond zijn verklaard.

Verweerder heeft vervolgens op 19 december 2001 een aanvraag om een verklaring van geen bezwaar ingediend bij Gedeputeerde Staten van Limburg. Bij schrijven van 26 april 2002 (door verweerder ontvangen op 1 mei 2002) hebben Gedeputeerde Staten verklaard geen bezwaar te hebben tegen het verlenen van vrijstelling van het geldende bestemmingsplan ten behoeve van het onderhavige bouwplan.

Ingevolge het bepaalde in artikel 49, eerste lid, aanhef en sub c, van de Woningwet, zoals dit artikel luidde tot 3 april 2000, diende verweerder binnen dertien weken na ontvangst van de verklaring van geen bezwaar te beslissen op de aanvraag om bouwvergunning.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat, nu niet binnen de in de vorige alinea genoemde termijn is beslist, de bouwvergunning op grond van het bepaalde in artikel 49, tweede lid, van de Woningwet van rechtswege is verstrekt.

De verlening van rechtswege is aan vergunninghouder bekend gemaakt bij schrijven van 12 september 2002. Daarnaast heeft publicatie van de verleende vergunning plaats gevonden in een lokaal huis-aan-huis-blad.

II.2.2 Artikel 19, eerste lid, van de WRO, zoals dit luidde tot 3 april 2000, bepaalt:

“Voor het gebied, waarvoor een voorbereidingsbesluit geldt of een ontwerp voor een herziening van een bestemmingsplan ter inzage is gelegd, kunnen burgemeester en wethouders - behoudens het bepaalde in het derde lid - vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits vooraf van Gedeputeerde Staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Artikel 15, tweede lid, derde volzin, en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.”

Uit het karakter van de anticipatie-procedure vloeit voort dat het gebruik van dit instrument slechts passend is indien daarvoor voldoende dringende redenen aanwezig zijn en daaraan geen overwegende bezwaren zijn verbonden.

In artikel 46, lid 1 jo lid 3, van de Woningwet, zoals deze luidde tot 3 april 2000, is bepaalde dat burgemeester en wethouders binnen dertien weken na de dag van ontvangst van de aanvraag om bouwvergunning beslissen op die aanvraag, maar dat die termijn niet geldt wanneer die bouwvergunning slechts kan worden verleend nadat vrijstelling als bedoeld in de artikelen 15, 17, 18 of 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is verleend.

Artikel 49 van de Woningwet, zoals dit luidde tot 3 april 2000, bepaalt in het eerste en tweede lid:

“1. Indien artikel 46, derde lid, van toepassing is, beslissen burgemeester en wethouders omtrent de aanvraag om bouwvergunning

(…)

(…)

binnen dertien weken na ontvangst van de verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

2. Indien burgemeester en wethouders de vrijstelling hebben verleend en zij niet voldoen aan het eerste lid, is de bouwvergunning van rechtswege verleend.”

Anders dan verweerder is de voorzieningenrechter van oordeel dat in casu geen bouwvergunning van rechtswege is verleend nu in artikel 49, tweede lid, van de Woningwet voor het ontstaan van een vergunning van rechtswege, naast overschrijding van de beslistermijn vereist dat vrijstelling is verleend en verweerder ter zitting uitdrukkelijk heeft verklaard dat de vrijstelling (nog) niet is verleend.

II.2.3 Nu geen sprake is van een vergunning van rechtswege, is evenmin sprake van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Het schrijven van verweerder van 12 september 2002 kan niet als zodanig worden aangemerkt.

Het voorgaande impliceert dat verzoeker niet-ontvankelijk verklaard zal dienen te worden in zijn bezwaar hetgeen met zich mee brengt dat verzoek tot het treffen va een voorlopige voorziening eenzelfde lot is beschoren.

Verweerder zal alsnog een besluit op de aanvraag om bouwvergunning dienen te nemen.

Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat verweerder in het te nemen besluit aandacht zal dienen te schenken aan de op grond van artikel 19 van de WRO (zoals die gold tot 3 april 2000) vereiste urgentie alsmede aan afweging van de direct bij het besluit betrokken belangen.

Gelet op het voorgaande komt de voorzieningenrechter niet toe aan een bespreking van de grieven van verzoeker.

Mitsdien wordt beslist als aangegeven in rubriek III.

III. Beslissing.

De voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht:

verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet ontvankelijk en bepaalt dat de gemeente Heerlen aan verzoeker het door hem voor de onderhavige procedure gestorte griffierecht ad € 109,-- volledig vergoedt..

Aldus gedaan door mr. T.E.A. Willemsen in tegenwoordigheid van mr. E.B.A. Ferwerda als griffier en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2003 door mr. Willemsen voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. E. Ferwerda w.g. Willemsen

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 17 januari 2003

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.