Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AF3117

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
08-01-2003
Datum publicatie
21-01-2003
Zaaknummer
70901 - HA ZA 01-1176
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis : 8 januari 2003

Zaaknummer : 70901 / HA ZA 01-1176

De rechtbank te Maastricht, enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van:

de besloten vennootschap ESSENT NETWERK LIMBURG BV,

gevestigd te Landgraaf,

eiseres,

procureur mr. H.A.J. Stollenwerck;

tegen:

[De heer W. ],

wonende te Hoensbroek, gemeente Heerlen,

gedaagde,

procureur mr. T. Boumans.

1. Het verloop van de procedure

Eiseres, hierna te noemen "Essent", heeft gedaagde, hierna te noemen "[Gedaagde]", gedagvaard voor deze rechtbank en bij naar de dagvaarding verwijzende conclusie van eis gesteld en geconcludeerd voor eis overeenkomstig de inhoud van die dagvaarding. [Gedaagde] heeft daarna geantwoord.

Essent heeft daarop gerepliceerd, zulks onder overlegging van 3 producties. [Gedaagde] heeft geconcludeerd voor dupliek, waarbij een productie in het geding is gebracht.

Ten slotte hebben partijen vonnis gevraagd op het rechtbankdossier. De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1 [Gedaagde] is eigenaar van de woningen gelegen aan [adressen] te Hoensbroek. In deze woningen zijn voorzieningen ten behoeve van de levering van elektriciteit aanwezig, zoals aansluitkasten en meters, die eigendom zijn van Essent.

Op 25 april 2001 heeft de politie Heerlen [in de panden met adressen] een hennepplantage aangetroffen en in de woning [adres] een XTC-laboratorium.

Op die datum is door een fraudemedewerker van Essent vastgesteld dat er vanuit de meterkast van het pand [adres], die zich bevond in het pand [adres], twee elektriciteitskabels op een dusdanige wijze waren afgetakt dat het gebruik niet via de meter kon worden vastgesteld. Een van deze kabels liep naar de in het pand [adres] aangetroffen hennepplantage en een kabel liep naar het in het pand [adres] aangetroffen XTC-laboratorium. In het pand [adres] is geconstateerd dat in de aansluitkast een aftakking was gemaakt die buiten de meter was verbonden met een schakel- en verdeelinrichting ten behoeve van de hennepplantage in dit pand.

2.2 Essent stelt dat bij de exploitatie van de hennepplantages en het XTC-laboratorium op onder 2.1 beschreven wijze gebruik is gemaakt van de elektrische energie van Essent en dat Essent het gebruik niet heeft kunnen registreren. Dit is stroomdiefstal en Essent heeft hierdoor schade geleden, zo stelt zij.

Volgens Essent is [Gedaagde] wegens onrechtmatige daad aansprakelijk voor deze schade.

In de eerste plaats omdat hij zijn zorgplicht als huiseigenaar heeft geschonden en gehandeld heeft in strijd met de zorgvuldigheid die Essent van hem in het maatschappelijk verkeer mocht verwachten, door niet als goed huisvader voor deze voorzieningen te zorgen, ook in het geval er huurders zouden zijn, hetgeen door Essent wordt betwist. De elektriciteitsvoorzieningen zijn immers aangebracht op verzoek van de huiseigenaar maar blijven eigendom van Essent.

Als tweede aansprakelijkheidsgrond voert Essent aan dat [Gedaagde] zelf de stroomdiefstal gepleegd heeft, wat wordt onderbouwd met het feit dat [Gedaagde] door het Openbaar Ministerie als verdachte is aangemerkt op verdenking van de overtreding van de Opiumwet.

Omdat Essent als energieleverancier jaarlijks grote verliezen lijdt ten gevolge van stroomdiefstal, hecht zij veel waarde aan een principiële uitspraak van de rechter met betrekking tot de aansprakelijkheid van de huiseigenaar in wiens pand stroomdiefstal plaatsvindt

Essent heeft een schatting gemaakt van de hoogte van de schade, gebaseerd op onder meer het aantal planten, de apparatuur en de verlichting die zijn aangetroffen en de schade aan de meterkasten. Aangezien zij niet verwacht dat [Gedaagde] de hoogte van de schade zal erkennen en zij richtlijnen wenst te verkrijgen om schade door stroomdiefstal te kunnen berekenen, verzoekt zij de rechtbank een deskundige te benoemen voor de vaststelling van de hoogte van de schade.

2.3 Essent heeft op grond van het vorenstaande gevorderd om bij uitvoerbaar te verklaren vonnis gedaagde te veroordelen om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres te betalen een bedrag van f 19.791,95 (€Euro 8.981,20), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf heden tot de dag der algehele voldoening en met veroordeling van [Gedaagde] in de kosten van de procedure.

2.4 [Gedaagde] voert verweer hetwelk - samengevat en voor zover thans van belang - het volgende inhoudt.

[Gedaagde] betwist het feit dat er sprake is van stroomdiefstal door te stellen dat dit door Essent onvoldoende is onderbouwd.

Verder betwist hij beide door Essent aangevoerde aansprakelijkheidsgronden. Hij stelt dat hij verhuurder en geen bewoner is van de betreffende panden en de elektriciteitsaansluitingen op naam van de huurders/verbruikers zijn gezet. Hierdoor rust op hem geen zorgplicht met betrekking tot de stroomvoorziening, aldus [Gedaagde]. Als eigenaar droeg hij geen weet van het strafbare gedrag van zijn huurders in de vorm van de illegale stroomaftapping en in redelijkheid kan dit van hem ook niet worden verwacht.

Essent dient volgens [Gedaagde] de huurders aan te spreken voor de stroomdiefstal en voor de schade aan de aangebrachte voorzieningen.

Hij biedt uitdrukkelijk aan te bewijzen dat hij de panden ten tijde van de inval door de politie op 25 april 2001, waarbij de stroomaftapping is geconstateerd, verhuurd had aan derden.

Essent is in haar vordering niet te goede trouw nu zij had kunnen weten dat er geen afnemer geregistreerd stond voor de stroom, de mogelijkheden had om te controleren hoeveel stroom de consument gebruikt en zij de stroom voor de betreffende panden niet heeft afgesloten.

[Gedaagde] stelt voorts dat mocht vast komen te staan dat hij de aan hem verweten strafbare feiten begaan zou hebben, dan daarmee nog niet het causaal verband tussen dit gedrag en de schade van Essent is komen vast te staan.

Verwijzend naar artikel 6:183 van het Burgerlijk Wetboek stelt hij meer subsidiair dat de beweerdelijk door hem geschonden norm, de Opiumwet, niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals Essent die heeft geleden.

De berekening van de schade door Essent is dermate onzorgvuldig en onnauwkeurig dat deze als ongemotiveerd gekwalificeerd moet worden en [Gedaagde] hierdoor de mogelijkheid onthouden wordt om verweer te voeren. [Gedaagde] verzet zich tegen het benoemen van een deskundige voor het berekenen van de schade vanwege de kosten die dat eventueel voor hem met zich mee zal brengen en stelt subsidiair dat de berekeningen onjuist zijn aangezien het een feit van algemene bekendheid is dat een hennepplantage meer stroom verbruikt dan een XTC-laboratorium.

3. De beoordeling

3.1 Essent heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat er sprake is van illegale stroomafname en dat zij schade heeft geleden. Dit blijkt uit het procesverbaal van de fraudemedewerker van Essent dat is overgelegd (zie overweging 2.1), waarvan de juistheid door [Gedaagde] niet is betwist.

De Hoge Raad heeft in 1921 bepaald dat stroomdiefstal een inbreuk is op een eigendomsrecht en daarmee een onrechtmatige handeling (NJ 1921, 564).

3.2 [Gedaagde] voert het verweer dat Essent onvoldoende heeft gesteld om een causaal verband aan te nemen tussen het exploiteren van de twee hennepplantages en het XTC laboratorium en de schade van Essent.

De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat bij de exploitatie van een hennepplantage veel elektriciteit wordt verbruikt. Nu vast is komen te staan dat de elektriciteitskabels van de illegale aftakking in de meterkast naar de hennepplantages en het XTC-laboratorium lopen is de rechtbank van oordeel dat de betreffende causale relatie voldoende aannemelijk is gemaakt.

3.3 [Gedaagde] stelt dat de hierbij overtreden norm, de Opiumwet, niet strekt tot bescherming van schade zoals door Essent geleden.

Gesteld en getoetst wordt echter niet of [Gedaagde] op grond van de overtreding van de Opiumwet aansprakelijk is voor de schade van Essent, maar of de schade op basis van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek aan [Gedaagde] toe te rekenen is.

3.4 Dan komt aan de orde de vraag of de onrechtmatige handeling aan [Gedaagde] kan worden toegerekend, zoals door Essent wordt gesteld. De rechtbank heeft hierover een aantal vragen en ziet aanleiding een comparitie te gelasten teneinde hierover inlichtingen te verkrijgen.

3.5 Ter comparitie zal in ieder geval ter sprake komen het al dan niet verhuurd zijn van de panden en gegevens over de huurders, door [Gedaagde] getroffen maatregelen ter voorkoming van onregelmatigheden in de betreffende panden, door Essent getroffen maatregelen om mogelijke schade te beperken en de stand van zaken in het strafproces.

3.6 De nog niet overgelegde bescheiden waarop partijen zich ter comparitie willen beroepen worden deze ten minste acht dagen voor de comparitie aan de rechtbank en in afschrift aan de wederpartij overgelegd. Indien dit niet mogelijk is dienen de bescheiden in ieder geval ter comparitie aanwezig te zijn.

3.8 De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan.

De uitspraak

De rechtbank:

gelast partijen, [Gedaagde] in persoon en Essent rechtsgeldig vertegenwoordigd door een persoon die van de zaak op de hoogte is en gemachtigd is om een regeling te treffen, desgewenst vergezeld van hun raadslieden, te verschijnen ter terechtzitting van deze rechtbank tot het verstrekken van inlichtingen;

bepaalt dat deze comparitie van partijen zal plaatsvinden in een van de zalen van het gerechtsgebouw aan het St. Annadal 1 te Maastricht op een na opgave van de verhinderdata van partijen door de rechter nader te bepalen dag en uur;

bepaalt dat nog niet overgelegde bescheiden waarop partijen zich ter comparitie willen beroepen uiterlijk acht dagen voor de comparitiedatum aan de rechtbank in afschrift aan de wederpartij dienen te worden overgelegd en indien dit niet mogelijk is ter comparitie aanwezig moeten zijn;

verwijst de zaak naar de rol van 5 februari 2003 voor akte aan de zijde van beide partijen houdende opgave van verhinderdata in de eerste vier maanden vanaf de datum van opgave;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Adelmeijer, vice-president, en ter openbare terechtzitting uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

RvdV