Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AF3069

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
15-01-2003
Datum publicatie
21-01-2003
Zaaknummer
69472
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis : 15 januari 2003

Zaaknummer : 69472 / HA ZA 01-975

De rechtbank te Maastricht, enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van:

1. [De heer T. ],

wonende te Beek;

2. [Mevrouw T. ],

wonende te Beek,

eisers,

procureur mr. J.W.H. Kempen;

tegen:

[Partij L. ],

wonende te Beek,

gedaagde,

procureur mr. E.M.J.C. Clerx.

1. Het verloop van de procedure

Eisers, hierna te noemen "[Eisers]", hebben bij naar de dagvaarding verwijzende conclusie van eis gesteld en geconcludeerd voor eis overeenkomstig de inhoud van die dagvaarding. Gedaagde, hierna te noemen "[Gedaagde]", heeft daarna onder het overleggen van producties geantwoord.

Op de voet van artikel 141a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (oud) is een comparitie na antwoord gelast. Van het verhandelde ter comparitie is proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt.

[Eisers] hebben daarop gerepliceerd, zulks onder overlegging van producties. [Gedaagde] heeft geconcludeerd voor dupliek, waarbij een productie in het geding is gebracht.

[Gedaagde] heeft stukken ter griffie gedeponeerd, waarvan een akte is opgemaakt.

Ten slotte hebben partijen vonnis gevraagd op het rechtbankdossier. De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1 Partijen zijn buren. [Eisers] zijn eigenaar van het [adres]uis [adres], kadastraal bekend gemeente Beek, sectie B nummer [xxxx], dat zij op 17 oktober 1997 hebben gekocht van de (gezamelijke) erfgenamen van de op 28 oktober 1982 overleden [W.]. [Gedaagde] is eigenaar van het perceel met woonhuis c.a. [adres], kadastraal bekend gemeente Beek, sectie B nummer [yyyy]. Hij heeft dit perceel op 15 september 1998 gekocht van [H.]. [Eisers] hadden ten aanzien van hun garage nieuwbouw-/verbouwingsplannen en hebben begin 2000 hierover met [Gedaagde] overleg gevoerd. [Gedaagde] heeft vervolgens de kadastrale gegevens opgevraagd waaruit bleek dat de bestaande garage/stal van [Eisers] gedeeltelijk op de grond van [Gedaagde] stond.

2.2 [Eisers] lezen vervolgens in de Maas- en Geleenbode van 4 oktober 2000 dat [Gedaagde] vergunning heeft aangevraagd voor de bouw van 3 tuinmuren. Bij bestudering van de door [Gedaagde] ingediende tekening bleek volgens [Eisers] dat twee van deze muren, namelijk de door [Gedaagde] geplande tuinmuur aan de voorzijde van de garage/stal van [Eisers] en de geplande tuinmuur die vanaf de achterkant van deze garage in de richting van de achter de registergoederen van partijen liggende [adres] loopt, op hun grondgebied zijn gesitueerd.

2.3 Volgens [Eisers] wordt de grens tussen beide percelen gevormd door een rechte lijn langs de zijmuur van de garage van [Eisers] van de [adres] naar de [adres] en zijn zij eigenaar van de afscheidingsmuur achter hun garage, de zijmuur van de garage en de taxushaag voor de garage. Ter onderbouwing van deze stelling voeren [Eisers] primair aan dat zowel zij als [Gedaagde] hun registergoed hebben gekocht met deze feitelijke grenzen. Ten aanzien van de taxushaag stellen zij verder dat deze zowel volgens de feitelijke als kadastrale grens op hun perceel stond of dat zij anders door middel van verjaring de eigendom van de strook grond met de taxushaag hebben verkregen. Ook ten aanzien van de afscheidingsmuur en de garagemuur stellen [Eisers] door verjaring eigenaar te zijn geworden.

2.4 Op 29 en 30 maart 2001 heeft [Gedaagde], zo stellen [Eisers], zonder toestemming van [Eisers] en ter uitvoering van de door hem voorgenomen bouw van de tuinmuren, de aan hen in eigendom toebehorende taxushaag en de zich achter hun garage bevindende scheidingsmuur doen verwijderen. Vervolgens heeft [Gedaagde] een tuinmuur met houten opstand gebouwd op de plaats van de taxushaag en aan de achterzijde van de garage een nieuwe tuinmuur geplaatst. Deze handelingen van [Gedaagde] zijn, aldus [Eisers], onrechtmatig, nu [Gedaagde] zaken die eigendom van [Eisers] zijn, heeft verwijderd dan wel beschadigd. Volgens [Eisers] zijn zij door deze werkzaamheden van [Gedaagde] niet meer in de gelegenheid hun verbouwingsplannen uit te voeren en is in hun voortuin een deel van de grond en een deel van de oprit verzakt. Verder is er door deze verrichtingen van [Gedaagde] schade aan de garage en de stal ontstaan en is de achtertuinmuur van [Eisers], gelegen aan de [adres], los komen te staan, zodat deze naar buiten in de [adres] dreigt te vallen.

2.5 [Eisers] hebben op grond van het vorenstaande gevorderd om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. primair [Gedaagde] te veroordelen de tuinmuur in de vóór- en achtertuin op het erf van eisers af te breken op verbeurte van een dwangsom van f 500,00 per dag, indien [Gedaagde] daartoe niet is overgegaan binnen 14 dagen na het in deze te

wijzen vonnis, met machtiging aan [Eisers] conform artikel 3:299 BW op kosten van [Gedaagde] die werkzaamheden

zelf te laten uitvoeren, indien [Gedaagde] met die afbraakwerkzaamheden in gebreke blijft nadat een bedrag van

f 10.000,00 ter zake van dwangsommen is verbeurd. Voorts met gelasting aan [Gedaagde] om, op vertoon door [Eisers] van de voor die werkzaamheden betaalde factuur, die factuur aan [Eisers] te voldoen.

2. subsidiair [Gedaagde] te veroordelen tot schadevergoeding, nader op te maken bij staat, en te vereffenen volgens de Wet.

3. [Gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit geding.

2.6 [Gedaagde] voert verweer hetwelk - samengevat en voorzover thans van belang - het volgende inhoudt. Primair stelt [Gedaagde] dat [Eisers] niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Hiertoe voert [Gedaagde] aan dat [Eisers], hoewel zij bekend waren met zijn aanvraag voor de bouwvergunning, geen bezwaar hebben aangetekend tegen de afgifte van deze vergunning, zodat de bouwvergunning rechtens onaantastbaar is geworden. Verder stelt [Gedaagde] dat de op 26 juni 2000 door het kadaster aangegeven grenzen de juiste perceelsgrenzen aangeven en dat hij niet onrechtmatig heeft gehandeld, nu hij bij de uitvoering van de bovengenoemde werkzaamheden rekening heeft gehouden met de "praktijkgrenzen" en in ieder geval de kadastrale grenzen niet heeft overschreden. Met betrekking tot de door [Eisers] beweerdelijk geleden schade stelt [Gedaagde] het volgende. Indien [Eisers] hun renovatieplannen hadden kunnen uitvoeren, hadden zij nog meer over de kadastrale grens gebouwd. Als de grond en oprit van [Eisers] al is beschadigd of verzakt, dan is dat door [Eisers] veroorzaakt doordat zij hun auto (half-)naast de oprit parkeren. De schade aan de garage bestond al en is niet vergroot door enige werkzaamheid zijdens [Gedaagde] en ook eventuele schade aan de stal is niet door zijn toedoen ontstaan. Verder stond de achtertuinmuur van [Eisers] reeds langere tijd los.

3. De beoordeling

3.1 Als verweer tegen de vordering van [Eisers] voert [Gedaagde] in de eerste plaats aan dat [Eisers], hoewel zij bekend waren met zijn aanvraag voor de bouwvergunning, geen bezwaar hebben aangetekend tegen de afgifte van deze bouwvergunning. Volgens [Gedaagde] is deze vergunning aldus rechtens onaantastbaar geworden en dienen [Eisers] niet-ontvankelijk te worden verklaard in de onderhavige procedure. Dit verweer van [Gedaagde] kan naar het oordeel van de rechtbank niet slagen. Bij het verlenen van een bouwvergunning wordt namelijk enkel getoetst aan de weigeringsgronden opgenomen in artikel 44 van de Woningwet en niet of het bouwwerk wel wordt gerealiseerd op een perceel dat eigendom is van diegene voor wie de bouwvergunning is bestemd. Naar vaste jurisprudentie brengt het feit dat [Gedaagde] krachtens het publiekrecht een bouwvergunning voor de tuinmuren heeft gekregen, bovendien niet met zich mee dat het bouwen van die tuinmuren naar privaatrechtelijke normen niet mogelijk onrechtmatig is geweest en geen afbraak kan worden gevorderd.

3.2 Subsidiair stelt [Gedaagde] dat de op 26 juni 2000 door het kadaster aangegeven grenzen de juiste perceelsgrenzen aangeven en dat de gebouwde tuinmuren aldus op zijn eigen grondgebied zijn gebouwd en van zijn kant derhalve geen onrechtmatige daad is gepleegd. Om vast te stellen of het bouwen van de tuinmuren een onrechtmatige daad oplevert van de zijde van [Gedaagde], dient naar het oordeel van de rechtbank eerst komen vast te staan wie eigenaar is van de strook grond waarop de twee betreffende tuinmuren zijn gebouwd.

3.3 In dit kader hebben [Eisers] in de eerste plaats aangevoerd dat zowel zij als [Gedaagde] hun registergoed hebben gekocht met de feitelijke grenzen zoals die bij de koop aanwezig waren, zodat [Eisers] aldus eigenaar zijn geworden van de afscheidingsmuur achter hun garage, de zijmuur van de garage en de taxushaag voor de garage. Nu uit de kadastrale opmeting d.d. 26 juni 2000 bleek, hetgeen niet door [Eisers] is betwist, dat in ieder geval de garage en de scheidingsmuur vanuit kadastraal oogpunt gedeeltelijk op de grond van [Gedaagde] stond, is de enkele omstandigheid dat [Eisers] en [Gedaagde] beide van hun rechtsvoorgangers het registergoed met de (bovengenoemde) feitelijke grenzen zouden hebben gekocht, naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om enkel op grond daarvan aan te nemen dat [Eisers] eigenaar van deze gehele strook grond is geworden. Met name staat hiermee namelijk geenszins vast dat de rechtsvoorgangers van [Eisers] ten aanzien van deze gehele strook beschikkingsbevoegd waren, en de overdracht van de gehele strook derhalve aan alle vereisten voor een geldige eigendomsoverdracht voldeed.

3.4 Met betrekking tot de taxushaag die aan de voorzijde van de garage stond, hebben [Eisers] verder gesteld, dat deze zowel volgens de kadastrale als feitelijke grens op hun perceel lag, zodat zij hier eigenaar van waren. Aangezien [Gedaagde] dit heeft betwist, zal de rechtbank, op grond van artikel 177 Rv (oud) [Eisers] toelaten om door alle middelen rechtens te bewijzen dat volgens de kadastrale grens de taxushaag geheel op hun perceel stond. Mochten [Eisers] hier in slagen, dan komt daarmee vast te staan dat zij eigenaar van deze taxushaag met ondergrond waren, zodat het verwijderen door [Gedaagde] van de taxushaag en het bouwen van een tuinmuur op die plaats, onrechtmatig jegens [Eisers] was.

3.5 Voor het geval [Eisers] niet (geheel) slagen in deze bewijslevering is van belang dat zij ten aanzien van de taxushaag nog hebben gesteld dat zij daar door verjaring eigenaar van zijn geworden. Ter onderbouwing van deze stelling hebben [Eisers] aangevoerd dat [W.] de haag in 1974 heeft geplant. Aangezien [Gedaagde] dit heeft betwist, is onvoldoende komen vast te staan wanneer deze haag is geplaatst, hetgeen voor de beoordeling van het beroep op verjaring van belang is. Voor bevrijdende verjaring geldt namelijk een verjaringstermijn van twintig jaren die in het onderhavige geval ingevolge artikel 314, tweede lid BW, is gaan lopen vanaf de dag, volgende op die waarop [Eisers] of één van hun rechtsvoorgangers bezitter van de strook grond/taxushaag is geworden.

Een verjaringstermijn kan worden gestuit, in welk kader [Gedaagde] heeft aangevoerd dat [De heer T. ] de juistheid van de door [Gedaagde] genoemde perceelsgrenzen zou hebben erkend. Nu [Gedaagde] echter in het geheel geen nadere toelichting heeft gegeven, zal de rechtbank deze stelling van [Gedaagde] als volstrekt onvoldoende onderbouwd verwerpen.

De rechtbank zal, op grond van artikel 177 Rv (oud), [Eisers] toelaten om door alle middelen rechtens, allereerst door middel van getuigen, te bewijzen dat de taxushaag die zich voor hun garage bevond, daar in 1974 stond, danwel daar 20 jaar geleden stond, daarbij, voor zover niet alsnog zal blijken van enige stuitingshandeling, rekenend tot het moment dat het eindvonnis in deze zaak onherroepelijk wordt, dan wel, in geval van hoger beroep, tot het moment dat het (eind)arrest in hoger beroep onherroepelijk wordt. Indien [Eisers] hierin slagen, zal de zonder toestemming van [Eisers] plaatsgevonden bouw door [Gedaagde] van de tuinmuur op de plaats van de taxushaag als onrechtmatig moeten worden beschouwd.

3.6 [Eisers] hebben ook ten aanzien van de in het geding zijnde strook grond met daarop de scheidingsmuur en een gedeelte van de garage en stal gesteld dat zij daar door verjaring eigenaar van zijn geworden. Volgens [Eisers] heeft [W.] in 1958 de garage, de stal en de scheidingmuur van het pand [adres] 39 gebouwd. Door [Gedaagde] wordt de bouw in 1958 van de garage en de stal niet betwist. Met betrekking tot de scheidingsmuur wordt door [Gedaagde] enkel gesteld dat op de door hem bij antwoord overgelegde kadastrale tekening van 1962 is vastgelegd dat alleen de stal en de garage waren gebouwd.

In dit kader merkt de rechtbank op, dat uit artikel 49, tweede lid Kadasterwet jo artikel 26 Kadasterregeling 1994 volgt dat afscheidingsmuren (tuinmuren) niet op een kadastrale kaart worden weergegeven. Het feit dat op de kadastrale tekening van 1962 is vastgelegd dat alleen de stal en de garage waren gebouwd, laat derhalve onverlet de mogelijkheid dat de scheidingsmuur er al in 1958 stond. [Gedaagde] heeft aldus onvoldoende (gemotiveerd) betwist dat de scheidingsmuur reeds in 1958 is gebouwd, zodat in rechte is komen vast te staan dat de scheidingsmuur er sinds 1958 stond.

3.7 De rechtbank komt tot het oordeel dat, nu vaststaat dat de rechtsvoorgangers van [Eisers] sinds 1958 de garage, stal en scheidingsmuur in hun bezit hadden, ten aanzien van de overbouw van deze garage, stal en scheidingsmuur vanaf in ieder geval 1 januari 1959 een verjaringstermijn is gaan lopen. Het oud Burgerlijk Wetboek (OBW) kende, net als tegenwoordig het nieuw Burgerlijk Wetboek (NBW), zowel verkrijgende als bevrijdende verjaring, waarbij de verkrijgende verjaring in tegenstelling tot de bevrijdende verjaring de eis van het bezit te goeder trouw stelde. In dit kader hebben [Eisers] bij repliek aangevoerd dat er tussen [W.] en [H.], de rechtsvoorganger van [Gedaagde], waarschijnlijk een regeling met betrekking tot de bouw van de garage en stal is getroffen, omdat anders de overbouw van de garage en stal niet goed gerealiseerd had kunnen worden. Op grond hiervan acht de rechtbank niet aannemelijk dat [W.] te goeder trouw het bezit van de overbouw heeft gehad, zodat niet is voldaan aan de vereisten van verkrijgende verjaring. De bevrijdende verjaring was geregeld in artikel 2004 OBW, dat als volgt luidt:

"Alle regtsvorderingen, zoo wel zakelijke als persoonlijke, verjaren door dertig jaren, zonder dat hij die zich op verjaring beroept verpligt zij eenigen titel aan te toonen, of dat men hem eenige exceptie, uit zijne kwade trouw ontleend, kunne tegenwerpen."

Nu vanaf in ieder geval 1 januari 1959 de verjaring was gaan lopen en is gebleken noch gesteld dat de verjaring op enig moment is gestuit, was de bevrijdende verjaring op 1 januari 1989 voltooid. In tegenstelling tot onder het NBW (artikel 3:105, eerste lid jo artikel 3:306 NBW), bracht dit onder het OBW echter niet met zich mee dat de bezitter volledig rechthebbende was geworden. Artikel 93 Overgangswet NBW bepaalt echter dat artikel 3:105 NBW één jaar na het tijdstip van het in werking treden van het NBW (1 januari 1992) van toepassing wordt met betrekking tot degene die alsdan het goed bezit waarvan de verjaring van de rechtsvordering tot beëindiging van dat bezit is voltooid. Aldus werden de rechtsvoorgangers van [Eisers] (de erfgenamen van [W.]) op 1 januari 1993 eigenaar ten aanzien van de overbouw van de garage, stal en scheidingsmuur, zodat de overdracht aan [Eisers] van deze strook overbouw aan alle vereisten voor een geldige eigendomsoverdracht voldeed en [Eisers] hiervan derhalve eigenaar zijn geworden.

3.8 Nu [Gedaagde] de achter hun garage gelegen scheidingsmuur zonder toestemming van [Eisers] heeft verwijderd en vervangen door een door hem gebouwde tuinmuur, heeft [Gedaagde] naar het oordeel van de rechtbank derhalve onrechtmatig jegens [Eisers] gehandeld. Ten overvloede overweegt de rechtbank hierbij nog dat [Gedaagde], ondanks dat hij ten tijde van het verwijderen van de scheidingsmuur op de hoogte was van het feit dat deze muur volgens [Eisers] hun eigendom was, de scheidingsmuur heeft verwijderd voordat uitsluitsel omtrent de eigendom bestond.

3.9 [Eisers] hebben gesteld, hetgeen door [Gedaagde] niet is betwist, dat zij door de bouw door [Gedaagde] van de tuinmuur aan de achterzijde van hun garage, de voorgenomen verlenging van de garage niet meer kunnen uitvoeren. Met name staat volgens [Eisers] de achtertuinmuur thans in een "knik" met de garage en zijn de fundamenten van deze achtertuinmuur te licht en ongeschikt voor de verbouwing van de garage. Op grond hiervan hebben [Eisers] belang bij de afbraak van de achter hun garage gebouwde tuinmuur. Hiertegenover staat echter het belang van [Gedaagde] bij de tuinmuur. Nu door de uitbreiding van de garage de nieuwe garagemuur mogelijk als tuinmuur kan gaan fungeren, acht de rechtbank het belang van [Gedaagde] bij handhaving van zijn (onrechtmatige) tuinmuur ondergeschikt aan het belang van [Eisers] bij verwijdering van die muur. Op grond van het vorenstaande zal de rechtbank het door [Eisers] ten aanzien van de tuinmuur in de achtertuin gevorderde bij het, na de uitvoering van de bewijsopdrachten, te wijzen eindvonnis toewijzen, met dien verstande dat de rechtbank de gevorderde dwangsom zal matigen.

3.10 In afwachting van de bewijslevering, zoals onder 3.4 en 3.5 aangegeven, houdt de rechtbank iedere verdere beslissing aan.

4. De uitspraak

De rechtbank:

laat [Eisers] toe om door alle middelen rechtens:

a) te bewijzen dat volgens de kadastrale grens de taxushaag geheel op hun perceel stond, en, voor het geval [Eisers] hierin (gedeeltelijk) niet slagen,

b) te bewijzen, allereerst door middel van getuigen, dat de taxushaag daar in 1974 stond, danwel daar 20 jaar geleden stond, daarbij, voor zover niet alsnog zal blijken van enige stuitingshandeling, rekenend tot het moment dat het eindvonnis in deze zaak onherroepelijk wordt, dan wel, in geval van hoger beroep, tot het moment dat het (eind)arrest in hoger beroep onherroepelijk wordt;

bepaalt dat het getuigenverhoor zal worden gehouden in het gerechtsgebouw te Maastricht aan het St. Annadal 1 op een datum en tijdstip als door de rechtbank zal worden bepaald, nadat [Eisers] bij akte heeft opgegeven of getuigen zullen worden voorgebracht, in dat geval onder opgave van het aantal en - zo mogelijk - de personalia van de getuigen;

verwijst de zaak naar de rol van 12 februari 2003 met peremptoirstelling voor akte houdende opgave getuigen aan de zijde van [Eisers], alsmede voor akte houdende verhinderdata in de eerste vier maanden vanaf de datum van opgave aan de zijde van beide partijen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Huinen, coördinerend vice-president, en ter openbare terechtzitting uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

MP