Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AF2782

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
07-01-2003
Datum publicatie
28-04-2003
Zaaknummer
AWB 01/1750, 01/1751 GEMWT I
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Reg.nr: AWB 01/1750 en 01/1751 GEMWT I

UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in het geding tussen

1. Las Vegas Gezelligheidsvereniging te Landgraaf, reg.nr. 01/1750

2. Partycentrum Landgraaf te Landgraaf, reg.nr. 01/1751

eisers,

en

de Burgemeester van de Gemeente Landgraaf, gevestigd te Landgraaf, verweerder.

Datum bestreden besluiten: 19 november 2001.

Kenmerken: 4.1 Hu (Gezelligheidsver. Las Vegas).

Behandeling ter zitting: 27 augustus 2002 en 19 december 2002

Het verloop van de procedure

Bij de in de aanhef van deze uitspraak genoemde gelijkluidende besluiten van 19 november 2001 (verzonden op 21 november 2001), heeft verweerder het op 31 januari 2001 door mr. L. Hameleers, advocaat te Roermond, namens eiseres sub 1, alsmede het op 5 februari 2001 door mw. mr. A.H.P. Swinkels, advocate te Roermond, namens eiseres sub 2 ingediende bezwaarschrift tegen het besluit van verweerder van 2 januari 2001 gedeeltelijk gegrond verklaard, doch het besluit, onder aanvulling van de aan het besluit ten grondslag gelegde overwegingen, in stand gelaten.

Tegen deze besluiten is namens eiseres sub 1 op 27 december 2001 (ter griffie van deze rechtbank op 2 januari 2002 ingekomen) op nader aan te voeren gronden beroep ingesteld bij deze rechtbank. Aanvulling van de gronden waarop het beroep berust heeft plaatsgevonden op 4 februari 2002 (ter griffie van deze rechtbank op diezelfde datum ingekomen).

Namens eiseres sub 2 is tegen voornoemde besluiten eveneens op 27 december 2001 (ter griffie van deze rechtbank op 2 januari 2002 ingekomen) op nader aan te voeren gronden beroep ingesteld bij deze rechtbank. Aanvulling van de gronden waarop het beroep berust heeft plaatsgevonden op 4 februari 2002 (ter griffie van deze rechtbank op diezelfde datum ingekomen).

Verweerder heeft op 28 maart 2002 verweerschriften ingezonden (ter griffie van deze rechtbank op 29 maart 2002 ingekomen). De verweerschriften en de door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 Awb ingezonden stukken zijn in afschrift aan de gemachtigden van eiseressen toegezonden.

De inhoud van de stukken wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd.

Gelet op hun onderlinge samenhang zijn de beroepen ex artikel 8:14 Awb gevoegd behandeld ter zitting van 27 augustus 2002, alwaar voor eiseres sub 1 is verschenen de heer F.L. Goudriaan en voor eiseres sub 2 de heer H.W. Janssen

Voor verweerder is verschenen mw. mr. T.J.M. Huijten, amtenaar der gemeente.

Aangezien het onderzoek naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de omstandigheid dat de gemachtigde van eiseressen niet tijdig ter zitting aanwezig kon zijn, niet volledig is geweest, heeft de rechtbank dit onderzoek met toepassing van artikel 8:68 van de Awb heropend en bepaald dat het onderzoek wordt voortgezet door de gemachtigde van eiseressen alsnog in de gelegenheid te stellen een pleitnota aan de rechtbank te doen toekomen. De gemachtigde van eiseressen heeft van de hem geboden gelegenheid gebruik gemaakt, waarna namens verweerder hierop nog schriftelijk is gereageerd. Desgevraagd heeft de gemachtigde van eiseressen te kennen gegeven dat hij geen toestemming verleende voor het afdoen van de zaak zonder nadere zitting.

De nadere zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 19 december 2002, alwaar voor eiseres sub 1 is verschenen haar gemachtigde mr. J.P.H. Timmermans en voor eiseres sub 2 de heer H.W. Janssen en de gemachtigde mr. J.P.H. Timmermans voornoemd.

Namens verweerder is verschenen mw. mr. T.J.M. Huijten, ambtenaar der gemeente.

Overwegingen

2.1 Bij besluit van 20 december 1999 heeft verweerder ingevolge artikel 2.3.3.1 van de Algemene Plaatselijke Verordening Landgraaf 1994 (APV) aan eiseres sub 2 vergunning verleend voor de exploitatie van een speelgelegenheid ten behoeve van behendigheidsspelen in het pand staande en gelegen te Landgraaf aan de Moltweg 82. Aan deze vergunning werd een aantal voorschriften verbonden.

Bij notariële akte van 12 juli 2000 is eiseres sub 1 opgericht. Blijkens artikel 2 van de in deze akte opgenomen statuten stelde eiseres sub 1 zich ten doel de ontspanning en culturele ontwikkeling van haar leden te bevorderen, onder meer door het organiseren van bridgedrives, kaarttoernooien en behendigheidsspelen. Blijkens de laatste zinsnede van dit artikel zouden de behendigheidsspelen bedrijfsmatig worden verricht, zulks ter financiering van alle te organiseren activiteiten. Eiseres sub 1 is ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Zuid-Limburg.

Op 13 juli 2000 hebben eiseressen een huurovereenkomst gesloten betreffende de verhuur door eiseres sub 2 aan eiseres sub 1 van de benedenverdieping met bijbehorende voorzieningen, van het hierboven genoemde pand, zulks tegen een maandelijkse huursom van fl. 10.000. De ruimte was bestemd voor de ontplooiing van de hierboven genoemde activiteiten en was volgens eiseres sub 1 alleen toegankelijk voor haar leden.

Bij besluit van 22 november 2000 (de rechtbank gaat er vanuit dat de op het besluit vermelde datum 22 december 2000 op een omissie berust) heeft verweerder de op 20 december 1999 aan eiseres sub 2 verleende vergunning ingetrokken en bepaald dat de exploitatie van de speelgelegenheid gevestigd in bovengenoemd pand, vanaf verzending van het besluit diende te worden gestaakt. Verweerder heeft aan dit besluit onder meer ten grondslag gelegd dat bij de afgifte van de vergunning van een andere situatie is uitgegaan dan die waarvan feitelijk sprake bleek te zijn.

Bij schrijven van 11 december 2000 heeft verweerder aan eiseres sub 2 mededeling gedaan van zijn voornemen tot toepassing van bestuursdwang indien aan zijn besluit van 22 november 2000 geen gevolg zou worden gegeven. Eiseres sub 2 is in de gelegenheid gesteld om haar zienswijze met betrekking tot dit voornemen tijdens een op 18 december 2000 gehouden hoorzitting toe te lichten, van welke gelegenheid namens haar gebruik is gemaakt.

Bij besluit van 2 januari 2001 heeft verweerder eiseres sub 2, onder gelijktijdige aanzegging van bestuursdwang, gelast om de exploitatie van de litigieuze speelgelegenheid vanaf die datum te staken en gestaakt te houden. Verweerder heeft op 4 januari 2001 bestuursdwang toegepast.

Tegen voornoemd besluit van 2 januari 2001 is namens eiseres sub 1 als derdebelanghebbende op 31 januari 2001 een bezwaarschrift ingediend. Het namens eiseres sub 2 ingediende bezwaarschrift tegen genoemd besluit is gedateerd op 5 februari 2001 (bij verweerder op 6 februari 2001 ingekomen).

Bij uitspraak van 12 maart 2001 heeft de president van deze rechtbank het namens eiseres sub 1 ingediende verzoek om een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 Awb afgewezen.

Op 29 oktober 2001 heeft er een hoorzitting plaatsgevonden ten overstaan van een commissie als bedoeld in artikel 7:5 Awb (verder te noemen: de commissie). Aldaar zijn de bezwaren namens eiseressen nader toegelicht. Van het horen is een verslag opgemaakt dat zich bij de stukken bevindt. De commissie heeft verweerder op diezelfde datum geadviseerd de zijdens eiseressen ingediende bezwaarschriften gegrond te verklaren voor zover betrekking hebbende op het hierin aan de orde gestelde motiveringsgebrek, doch de besluiten in stand te laten, met dien verstande dat de besluiten dienden te worden aangevuld met hetgeen de commissie ten aanzien van het motiveringsgebrek had overwogen. Bij de thans bestreden besluiten heeft verweerder, overeenkomstig en onder verwijzing naar het advies van de commissie, aldus besloten.

Eiseressen kunnen zich ook met deze besluiten niet verenigen, weshalve zij hiertegen, ieder afzonderlijk, beroep hebben doen instellen bij deze rechtbank. Op de daartoe aangevoerde gronden is gevorderd de bestreden besluiten te vernietigen.

2.2 In dit geding zal de rechtbank, met inachtneming van het bepaalde in artikel 8:69 Awb, hebben te beoordelen of de bestreden besluiten in rechte kunnen worden gehandhaafd. Daarbij ligt met name de vraag voor of de aan de besluiten ten grondslag gelegde overwegingen de rechterlijke toetsing kunnen doorstaan. Alvorens daartoe over te gaan, dient eerst te worden bezien of eiseressen in hun beroepen kunnen worden ontvangen.

overwegingen ten aanzien van de ontvankelijkheid

Ingevolge artikel 6:7 Awb bedraagt de termijn voor het instellen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, Awb, vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt. In artikel 3:41, eerste lid, Awb is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

Vast staat dat de thans bestreden besluiten van 19 november 2001 op 21 november 2001 aan eiseressen zijn toegezonden. De termijn waarbinnen beroep kon worden ingesteld ving derhalve aan op 22 november 2001 en eindigde op 6 januari 2002. De beroepschriften zijn op 2 januari 2002 bij de rechtbank ingekomen. Nu ook aan de overige vereisten van de Awb is voldaan, kunnen eiseressen in hun beroepen worden ontvangen.

overwegingen ten aanzien van de beroepen

Namens eiseressen is allereerst aangevoerd dat de aanzegging bestuursdwang ten onrechte tot eiseres sub 2 is gericht, nu zij slechts verhuurster was van het pand waarin, volgens verweerder, een in strijd met artikel 2.3.3.1 van de Algemene Plaatselijke Verordening 1994, 8e wijziging voor het publiek opengestelde speelgelegenheid werd geëxploiteerd. Eiseres sub 2 had het derhalve niet in haar macht om een einde te maken aan de gestelde overtreding, aldus eiseressen.

Artikel 2.3.3.1 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Landgraaf bepaalt dat het verboden is om zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Ingevolge lid 1 wordt onder speelgelegenheid verstaan: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waarin de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.

Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

Blijkens het derde lid wordt de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang uitgeoefend door de burgemeester, indien de toepassing van bestuursdwang dient tot handhaving van regels welke hij uitvoert.

Ingevolge artikel 5:24, derde lid Algemene wet bestuursrecht (Awb) geschiedt de bekendmaking van een beslissing tot toepassing van bestuursdwang aan de overtreder, aan de rechthebbenden op het gebruik van de zaak ten aanzien waarvan bestuursdwang zal worden toegepast en aan de aanvrager.

In het vierde lid is bepaald dat in de beschikking een termijn wordt gesteld waarbinnen de belanghebbenden de tenuitvoerlegging kunnen voorkomen door zelf maatregelen te treffen. Het bestuursorgaan omschrijft de te nemen maatregelen.

De achterliggende gedachte van artikel 5:24, derde en vierde lid Awb is dat zowel de feitelijke overtreder als degenen die het in hun macht hebben om naar aanleiding van een bestuursdwangaanzegging de nodige maatregelen te treffen, op de hoogte worden gesteld van een bestuursdwangbesluit teneinde tijdig feitelijke maatregelen dan wel rechtsmaatregelen te kunnen treffen.

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiseres sub 2 dient te worden geschaard onder de in artikel 5:24 Awb genoemde kring van belanghebbenden aan wie een beslissing tot toepassing van bestuursdwang kenbaar dient te worden gemaakt en zij overweegt daartoe als volgt.

Vaststaat dat eiseres sub 2 op 18 januari 1999 een vergunning heeft aangevraagd voor de exploitatie van een speelgelegenheid ten behoeve van het beoefenen van behendigheidsspelen. De speelgelegenheid zou worden geëxploiteerd op de bovenverdieping van het pand staande en gelegen te Langraaf aan de Moltweg 82. Bij schrijven van 11 februari 1999 heeft eiseres sub 2 aan verweerder medegedeeld dat de feitelijke exploitatie zou geschieden door de leden van een nog op te richten vereniging. Op 20 december 1999 is de gevraagde vergunning aan eiseres sub 2 verleend.

Op 12 juli 2000 heeft eiseres sub 2 de op de begane grond gelegen ruimte van dit pand met bijbehorende voorzieningen, inclusief een complete casino-inventaris, verhuurd aan eiseres sub 1.

Blijkens de huurovereenkomst was eiseres sub 1 verplicht de bedrijfsruimte uitsluitend naar haar bestemming te gebruiken en het daartoe ingericht te houden. Niet betwist is dat deze bestemming de exploitatie van een speelgelegenheid was. Voorts was huurster op grond van de huurovereenkomst verplicht om eiseres sub 2, of haar gemachtigde, te allen tijde toegang tot het verhuurde te verlenen voor het bezichtigen daarvan of voor de controle op naleving van de aan eiseres sub 1 opgelegde verplichtingen.

Bij schrijven van 29 november 2000 heeft eiseres sub 2 een vergunning aangevraagd voor de exploitatie van een speelautomatenhal op bovengenoemde locatie. Daarbij werd van de zijde van eiseres sub 2 te kennen gegeven dat indien de vergunning aan haar zou worden verleend, de huurovereenkomst met eiseres sub 1 met onmiddellijke ingang zou worden beëindigd en dat de activiteiten van eiseres sub 1 zouden worden gestaakt en gestaakt zouden worden gehouden. Verweerder heeft op deze vergunningaanvraag negatief beslist.

Gelet op dit feitencomplex is de rechtbank van oordeel dat genoegzaam is komen vast te staan dat de wijze waarop door eiseres sub 1 gebruik werd gemaakt van het pand, feitelijk werd bepaald door eiseres sub 2. Dit kan niet alleen worden afgeleid uit de hiervoor genoemde bepalingen uit het huurcontract, doch tevens uit de omstandigheid dat eiseres kennelijk van mening was dat de betreffende huurovereenkomst zonder meer door eiseres sub 2 kon worden beëindigd, ook al was er volgens haar geen sprake van een met een wettelijk of gemeentelijk voorschrift strijdig gebruik van het pand. De in dit verband ter terechtzitting namens eiseres sub 2 geponeerde stelling dat zij voornoemde toezegging aan verweerder heeft gedaan omdat zij ervan uitging dat eiseres sub 1 tot ontruiming van het pand bereid zou zijn indien haar een andere vanvangende ruimte zou worden geboden, alsmede een forse schadevergoeding, rechtvaardigt voornoemde onvoorwaardelijke toezegging niet. Immers, niet gesteld, noch gebleken is dat zij hieromtrent reeds contact had opgenomen met eiseres sub 1.

Nu eiseres sub 2 het kennelijk in haar macht had om aan de door verweerder gestelde illegale situatie een einde te maken, heeft verweerder terecht geconcludeerd dat de beslissing tot toepassing van bestuursdwang aan eiseres sub 2 kenbaar diende te worden gemaakt.

Namens eiseressen is voorts aangevoerd dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 5:24, derde en vierde lid, door de beslissing tot toepassing van bestuursdwang niet aan eiseres sub 1 bekend te maken.

Met eiseressen is de rechtbank van oordeel dat verweerder de betreffende beslissing kenbaar had moeten maken aan eiseres sub 1, althans haar in de gelegenheid had moeten stellen om haar zienswijze ten aanzien van deze beslissing ex artikel 4:8 Awb naar voren te brengen.

Gelet evenwel op de omstandigheid dat eiseres sub 1 geen vergunning had voor de exploitatie van een speelgelegenheid en zij de activiteiten derhalve ook niet had kunnen voortzetten indien het besluit (tijdig) aan haar bekend zou zijn gemaakt, is de rechtbank van oordeel dat eiseres sub 1 door bedoelde omissie niet onevenredig in haar belangen is geschaad. Hieraan doet niet af de stelling van eiseres sub 1 dat zij ter voorkoming van toepassing van bestuursdwang alsnog een vergunning had kunnen aanvragen. Nog daargelaten de vraag of de vergunning aan eiseres sub 1 zou zijn toegekend – de aan eiseres sub 2 verleende vergunning is ingetrokken in de periode dat eiseres sub 1 aldaar haar activiteiten ontplooide – is het niet waarschijnlijk te achten dat verweerder de gestelde illegale situatie in stand zou laten totdat op een eventuele door eiseres sub 1 ingediende vergunningaanvraag zou zijn beslist.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat van een processuele schending van de belangen van eiseres sub 1 evenmin sprake is nu van de zijde van eiseres sub 1 tegen het primaire besluit tijdig een bezwaarschrift is ingediend dat nadien door de commissie (eveneens) is betrokken bij haar heroverweging ten aanzien van het primaire besluit.

Tot slot is namens eiseressen aangevoerd dat verweerder ten onrechte bestuursdwang heeft toegepast aangezien er geen sprake was van overtreding van artikel 2.3.3.1., vierde lid van de APV. Volgens eiseressen heeft de door verweerder gestelde constatering dat voornoemd artikel werd overtreden plaatsgevonden op een tijdstip dat eiseres sub 1 nog geen huurster van het bewuste pand was, te weten 6 juli 2000. De eerst op 13 juli 2000 door eiseres sub 1 gehuurde ruimte was slechts toegankelijk voor haar leden die aldaar, behalve het onderhouden van persoonlijke contacten, het Euro-observatiespel, een behendigheidsspel, beoefenden, aldus eiseressen.

Vaststaat dat verweerder bij besluit van 22 november 2000 de op 20 december 1999 aan eiseres sub 2 verleende vergunning voor het spelen van behendigheidsspelen in het litigieuze pand heeft ingetrokken onder meer vanwege een geconstateerde overtreding op 6 juli 2000 van de Wet op de Kansspelen en daarmee van overtreding van artikel 2.3.3.1. van de APV. Bij besluit van 2 januari 2001 heeft verweerder, onder verwijzing naar hetgeen in het besluit van 22 november 2000 was overwogen, eiseres sub 2, onder gelijktijdige aanzegging van toepassing van bestuursdwang, gelast de gestelde exploitatie te staken en gestaakt te houden. Op 4 januari 2001 heeft verweerder daadwerkelijk bestuursdwang toegepast.

Met eiseressen is de rechtbank van oordeel dat het besluit van 2 januari 2001 niet deugdelijk is gemotiveerd. Immers, aan dit besluit is ten grondslag gelegd een op 6 juli 2000 door de Politie Regio Limburg Zuid district Kerkrade verricht onderzoek in het pand staande en gelegen te Landgraaf aan de Moltweg nr. 82, zulks terwijl eiseres sub 1 eerst op 13 juli 2001 huurster van dit pand is geworden. Voor zover er alstoen dan ook is geconstateerd dat artikel 2.3.3.1 van de APV werd overtreden, kan de op dat tijdstip begane overtreding niet aan eiseres sub 1 worden toegerekend.

Bij de thans bestreden besluiten heeft verweerder de aan het besluit van 2 januari 2001 ten grondslag gelegde motivering evenwel aangevuld. Volgens verweerder hebben na voornoemd tijdstip uitgevoerde controles eveneens uitgewezen dat genoemd artikel van de APV werd overtreden. Door verweerder is in dit verband verwezen naar een aan de politie van Langraaf op 27 september 2000 gedateerde verzonden brief van de heer J.G.E. Bouwmeester, landelijk projectleider inzake illegale casino’s, waarin wordt gesteld dat ten tijde van de aanwezigheid van eiseres sub 1 in het betreffende pand aldaar een voor het publiek toegankelijke speelgelegenheid werd geëxploiteerd, alsmede naar de op 26, 28 en 30 november 2000 opgemaakte politierapportages.

Voorop gesteld zij dat een in een bestreden besluit niet opgenomen motivering tijdens een procedure in beginsel alsnog kan worden gegeven dan wel dat een gegeven motivering alsnog kan worden aangevuld. Dit is slechts dan anders indien belanghebbende ten gevolge hiervan in zijn processuele belangen zou worden geschaad, bijvoorbeeld doordat hij niet in de gelegenheid is geweest zijn zienswijze omtrent nieuw aangevoerde feiten kenbaar te maken. Nu evenwel vast staat dat de na 6 juli 2000 uitgevoerde controles ook reeds aan de orde zijn geweest in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van de president van deze rechtbank van 12 maart 2001 (reg.nr. AWB 01/170) heeft eiseres sub 1 ruimschoots de gelegenheid gehad om haar standpunt te dier zake te bepalen en toe te lichten tijdens de op 29 oktober 2001 ten overstaan van de commissie gehouden hoorzitting.

Rest de vraag of de aan de toegepaste bestuursdwang ten grondslag gelegde feiten de bestreden besluiten kunnen dragen De rechtbank is van oordeel dat deze vraag bevestigend dient te worden beantwoord en zij overweegt daartoe als volgt.

Bij schrijven van 27 september 2000 heeft de heer J.G.E. Bouwmeester aan de politie te Landgraaf medegedeeld dat uit informatie van de Belastingdienst is gebleken dat eiseres sub 1 zich in het litigieuze pand toelegde op de exploitatie van een casino. Omdat de heer Bouwmeester van oordeel was dat er sprake was van een illegaal casino, is zulks ter kennis gebracht van de Officier van Justitie.

Op 26, 28 en 30 november 2000 heeft de politie te Landgraaf controles uitgevoerd in het betreffende pand. Uit de naar aanleiding van deze controles opgemaakte rapportages komt naar voren dat de rapporteurs op al deze data hebben geconstateerd dat op de betreffende locatie roulette werd gespeeld met fiches, die de betrokken leden tegen betaling konden verkrijgen. Desgevraagd heeft de heer Janssen ter zitting verklaard dat indien een deelnemer het spel had gewonnen hij recht had op meerdere fiches. Gelet op het feit dat de deelnemers de fiches tegen betaling konden verkrijgen en deze aldus een zekere waarde vertegenwoordigden, dient ervan uitgegaan te worden dat de door de leden gewonnen fiches eveneens een zekere geldwaarde vertegenwoordigden. Voorts blijkt uit een door verweerder als productie overgelegd rapport van de Belastingdienst dat de heer F.L. Goudriaan, voorzitter van eiseres sub 1, op 11 augustus 2000 desgevraagd heeft medegedeeld dat de contributie per lid fl. 25,- per jaar bedraagt, dranken en etenswaren gratis worden verstrekt, alsmede dat er op dat tijdstip reeds 10 tot 12 personeelsleden in dienst waren genomen. Voorts bedroeg blijkens de huurovereenkomst de maandelijkse huur van het pand fl. 10.000,-. Niet aannemelijk is dat de jaarlijkse contributie van fl. 25,- per lid daartoe toereikend was terwijl van andere inkomstenbronnen – buiten de opbrengsten van de spelen – niet is gebleken.

In artikel 5 van de namens eiseres overgelegde statuten is bepaald dat men als lid van eiseres wordt toegelaten indien men meerderjarig is en het bestuur de toelating heeft goedgekeurd. Aspirant-leden daarentegen worden reeds toegelaten indien men meerderjarig is, zich heeft ingeschreven en heeft ingestemd met de statuten en reglementen van eiseres sub 1.

Uit het vorenstaande komt naar voren dat feitelijk een ieder die dat wilde tegen betaling van een betrekkelijk gering bedrag het lidmaatschap kon verwerven en zich daarmee toegang kon verschaffen tot de ruimte waar het spel gespeeld werd en dan ook aan het spel kon meespelen. Van een besloten kring van personen verenigd in verenigingsverband was dan ook naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Dat leden eerst goedgekeurd moesten worden door het bestuur doet hieraan niet af nu van serieuze toelatingseisen niet is gebleken terwijl voorts aan aspirant-leden kennelijk zonder meer toegang werd verleend. Overigens zij in dit verband nog opgemerkt dat de heer Goudriaan een dag na de oprichting van eiseres sub 1 voorzitter van eiseres sub 1 is geworden. Desgevraagd heeft de gemachtigde van eiseres sub 1 ter zitting verklaard dat de heer Goudriaan daartoe in de ledenvergadering is verkozen. Nog daargelaten de vraag wanneer deze ledenvergadering dan gehouden is – eiseres sub 1 bestond alstoen slechts een dag – is deze stelling op geen enkele wijze nader geadstrueerd, terwijl evenmin is aangetoond dat er een ledenbestand was.

Gelet op het vorenstaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, is de rechtbank van oordeel dat genoegzaam is komen vast te staan dat eiseres sub 1 zich niet heeft gehouden aan de voorschriften van de APV.

2.4 Uit het vorenstaande vloeit voort dat verweerder terecht en op juiste gronden tot zijn beslissingen heeft kunnen komen. Nu de besluiten ook overigens niet voor vernietiging in aanmerking komen, dienen de beroepen van eiseressen ongegrond te worden verklaard.

Op grond van artikel 8:70 van de Awb wordt als volgt beslist.

3. BESLISSING.

De rechtbank Maastricht:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gedaan door mr.M.T.A.C. Russel in tegenwoordigheid van mr. E. Ferwerda

als griffier en in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2003 door mr. Russel voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. E. Ferwerda w.g. M. Russel

Voor eensluidend afschrift,

de wnd. griffier,

Verzonden: 7 januari 2003

Voor belanghebbenden en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, postbus 20019, 2500 EA

’s-Gravenhage. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Indien hoger beroep is ingesteld kan ingevolge het bepaalde in artikel 39 van de Wet op de Raad van State juncto artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht de Voorzitter van de Afdeling bestuurs-rechtspraak op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.