Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2002:AF4319

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
10-12-2002
Datum publicatie
11-02-2003
Zaaknummer
03-005480-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 03/005480-02

Datum uitspraak: 10 december 2002

RECHTBANK MAASTRICHT

VONNIS

op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortedatum/plaats],

wonende te [woonplaats/adres],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Limburg Zuid - Gevangenis De Geerhorst, Op de Geer 1 te Sittard.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 november 2002.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 31 juli 2002 tot en met 2 augustus 2002 in de gemeente Heerlen, althans in Nederland en/of in België, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader met dat opzet voornoemde [slachtoffer] belet om de woning, gelegen aan de [adres] te Heerlen te verlaten en/of heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader voornoemde [slachtoffer] opgesloten in de kelder van de woning gelegen aan de [adres] te Heerlen en/of heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader voornoemde [slachtoffer] in een personenauto doen plaatsnemen en/of voornoemde [slachtoffer] belet de personenauto waarin zij, [slachtoffer], zich bevond, te verlaten;

2.

hij in of omstreeks de periode van 31 juli 2002 tot en met 2 augustus 2002 in de gemeente Heerlen, in elk geval in Nederland en/of in België, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader opzettelijk dreigend (een) mes(sen) geslepen en daarbij tegen die [slachtoffer] gezegd (zakelijk weergegeven) dat dat/die mes(sen) werd(en) geslepen zodat het/ze beter door die [slachtoffer] heen zou/zouden gaan als zij, [slachtoffer], ermee zou worden gestoken en/of heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader die [slachtoffer] een (vlees)mes getoond en aan haar gevraagd (zakelijk weergegeven) welke vinger hij/zij eraf mocht(en) halen en/of heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader die [slachtoffer] een Samouraizwaard getoond en daarbij tegen haar gezegd (zakelijk weergegeven) dat hij/zij haar kop eraf zou/zouden hakken, maar dat eerst haar ogen, oren en tong eraf zouden worden gehaald en/of heeft hebben/hij, verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader een op het electriteitsnet aangesloten cirkelzaag op een der handen van voornoemde [slachtoffer] gezet en daarbij tegen die [slachtoffer] gezegd (zakelijk weergegeven) dat hij/zij haar hand eraf ging(en) zagen en/of heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader in haar, [slachtoffer], bijzijn in een weiland een gat gegraven en/of die [slachtoffer] een gat doen graven terwijl hij, verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader kort daarvoor aan [slachtoffer] had(den) aangegeven dat [slachtoffer] door hem, verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader zou worden vermoord;

3.

hij op of omstreeks 17 juni 2001 in de gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 42 tabletten, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDA en/of MDMA en/of N-ethylMDA (=MDEA) en/of amfetamine, zijnde MDA en/of MDMA en/of N-ethylMDA (=MDEA) en/of amfetamine (telkens) (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;(03/040540/01).

De ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging

Het onder 1 en 2 ten laste gelegde betreft een feit dat deels buiten Nederland is gepleegd.

Nu verdachte Nederlander is en bedoeld feit een misdrijf betreft waarop door het land waar het begaan is, straf is gesteld, is de officier van justitie ten aanzien daarvan ontvankelijk in de vervolging.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 31 juli 2002 tot en met 2 augustus 2002 in de gemeente Heerlen, en in België, meermalen, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers hebben hij, verdachte en zijn mededader met dat opzet voornoemde [slachtoffer] belet om de woning, gelegen aan de [adres] te Heerlen te verlaten en hebben hij, verdachte, en zijn mededader voornoemde [slachtoffer] in een personenauto doen plaatsnemen en [slachtoffer] belet de personenauto waarin zij, [slachtoffer], zich bevond, te verlaten;

2.

hij in de periode van 31 juli 2002 tot en met 2 augustus 2002 in de gemeente Heerlen, en in België, meermalen, tezamen en in vereniging met een ander, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachtes mededader opzettelijk dreigend messen geslepen en daarbij tegen die [slachtoffer] gezegd (zakelijk weergegeven) dat die messen werden geslepen zodat ze beter door die [slachtoffer] heen zouden gaan als zij, [slachtoffer], ermee zou worden gestoken en heeft verdachtes mededader die [slachtoffer] een Samouraizwaard getoond en daarbij tegen haar gezegd (zakelijk weergegeven) dat hij haar kop eraf zou hakken, maar dat eerst haar ogen, oren en tong eraf zouden worden gehaald en hebben hij, verdachte en zijn, mededader in haar, [slachtoffer], bijzijn in een weiland een gat gegraven en die [slachtoffer] een gat doen graven terwijl hij, verdachte en zijn, verdachtes, mededader kort daarvoor aan [slachtoffer] hadden aangegeven dat [slachtoffer] door hem, verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader zou worden vermoord;

3.

hij op 17 juni 2001 in de gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad 42 tabletten, van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Nadere motivering ten aanzien van het bewijs

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat:

- verdachte op 31 juli 2002 vanaf ongeveer 16.00 uur tot 1 augustus 2002 ongeveer 04.00 uur, van 1 augustus 2002 ongeveer 12.00 uur tot 13.00 uur en van ongeveer 20.00 uur tot 21.30 uur en vanaf ongeveer 22.00 uur tot en met het vertrek naar België in de woning aanwezig is geweest;

- verdachte tijdens het "schoolspel" [medeverdachte] heeft aangemoedig en gezegd: "als jij haar nu geen klap geeft, dan doe ik het";

- verdachte tegen het slachtoffer heeft gezegd dat hij haar koud zou maken zodra zij een stap buiten de deur zou zetten;

- verdachte samen met [medeverdachte] het slachtoffer onder begeleiding naar het toilet hebben laten gaan;

- voordat verdachte en [medeverdachte] naar België vertrokken, verdachte is gaan tanken;

- verdachte in de nacht zijn mededader en het slachtoffer naar België heeft vervoerd;

- verdachte tegenover het slachtoffer heeft aangegeven dat hij al vaker mensen hun eigen graf heeft laten graven;

- verdachte ook daadwerkelijk heeft meegegraven aan het graf en er op heeft toegezien dat het slachtoffer groef;

Nu verdachte - gezien deze omstandigheden - zich niet heeft onttrokken aan de gebeurtenissen, doch juist integendeel meerder malen is teruggekeerd en in deze gebeurtenissen heeft geparticipeerd dan wel daaraan heeft deelgenomen, dient verdachte naar het oordeel van de rechtbank als mededpleger te worden aangemerkt.

De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte de hierboven omschreven feiten heeft begaan, op feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op strafbare feiten welke moeten worden gekwalificeerd als volgt:

feit 1: medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven of beroofd houden, meermalen gepleegd,

strafbaar gesteld bij artikel 282, eerste lid, en artikel 47, eerste lid, sub 1, Wetboek van Strafrecht.

feit 2: medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd,

strafbaar gesteld bij artikel 285, eerste lid, en artikel 47, eerste lid, sub 1, Wetboek van Strafrecht.

feit 3: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, onder C van de Opiumwet gegeven verbod,

strafbaar gesteld bij artikel 10, tweede lid, van die wet.

De strafbaarheid van de verdachte

Ten aanzien van verdachte is door drs. A.F.J.M. Zwegers, psycholoog en neuropsycholoog, een psychologisch onderzoek naar de persoonlijkheid van verdachte ingesteld en van dat onderzoek heeft genoemde psycholoog en neuropsycholoog een rapport, gedateerd 7 november 2002, opgemaakt, welk rapport vermeldt -zakelijk weergegeven- als conclusie:

- dat onderzochte ten tijde van het plegen van het hem ten laste gelegde feit lijdende was aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling zijner geestvermogens, dat dit feit - indien bewezen - hem slechts in verminderde mate kan worden toegerekend.

De rechtbank verenigt zich, gelet op de daarvoor gegeven gronden, geheel met de in het rapport gegeven conclusie en maakt deze mitsdien tot de hare.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit.

De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straffen en maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straffen en maatregel is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke een deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede het belang van een juiste normhandhaving;

- de mate waarin het onder 1 en 2 bewezen verklaarde persoonlijk leed teweeg heeft gebracht en

- het gewelddadig karakter van het onsder 1 en 2 bewezen verklaarde en demogelijke (al dan niet slepende) gevolgen voor het slachtoffer.

De rechtbank heeft bij het vaststellen van de hoogte van de op te leggen straf ten nadele van verdachte rekening gehouden met de navolgende omstandigheden:

- de bewezenverklaarde feiten zijn begonnen in de woning van het slachtoffer;

- deze feiten zijn gepleegd door verdachte die het vertrouwen van het slachtoffer genoot en dit vertrouwen grovelijk heeft beschaamd en

- deze feiten door het slachtoffer als uitermate vernederend en bedreigend werden ervaren en gedurende lange tijd hebben plaatsgevonden.

Nu verdachte ter zake van het hiervoor onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbare feiten zal worden veroordeeld en hij naar burgerlijk recht jegens het slachtoffer, zijnde de hierna te noemen benadeelde partij [slachtoffer] aansprakelijk is voor de schade die door dat strafbare feit is toegebracht, heeft de rechtbank tot het opleggen van nader te noemen maatregel besloten.

De op te leggen straffen en maatregel zijn -behalve op voormelde artikelen- gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 27, 36f, 57, 91 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 13 van de Opiumwet.

De vordering van de benadeelde partij

Ter terechtzitting is tevens het formulier, als bedoeld in artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, behandeld, waarbij [slachtoffer], [adres], zich ter zake van haar vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij in het strafproces heeft gevoegd.

Nu uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door de hiervoor onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks schade is toegebracht tot het door haar gevorderde bedrag van Euro 1200,00 en nu aan verdachte ter zake van die feiten een straf zal worden opgelegd, zal deze vordering geheel worden toegewezen.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

- veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van DERTIG MAANDEN;

- beveelt, dat van de opgelegde gevangenisstraf een deel, groot TIEN MAANDEN , niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde niet heeft nageleefd de voorwaarde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren niet schuldig te maken aan een strafbaar feit, dan wel de volgende bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde gedurende de proeftijd zich zal gedragen overeenkomstig de door of vanwege de Reclassering Nederland, Ressort 's-Hertogenbosch, Arrondissement Maastricht, te stellen richtlijnen zolang deze reclasseringsinstelling zulks gedurende de proeftijd nodig oordeelt, ook als deze richtlijnen inhouden behandeling door het FPC van de GGZE te Eindhoven;

- geeft aan voornoemde instelling opdracht aan de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;

- beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

- legt aan de verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , [adres] , te betalen een bedrag van Eur. 1200,00, (TWAALFHONDERD EURO), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 24 dagen;

- verstaat dat toepassing van laatstbedoelde vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot betaling niet opheft;

- veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer] , [adres] te betalen een bedrag van Eur. 1200,00 (TWAALFHONDERD EURO);

- veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij [slachtoffer] voornoemd in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

- bepaalt dat, indien verdachte aan de benadeelde partij [slachtoffer] voormeld bedrag van Eur. 1200,00, heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de staat komt te vervallen;

- bepaalt dat, indien verdachte aan de verplichting tot betaling aan de staat van het bedrag van Eur. 1200,00, heeft voldaan, de verplichting tot betaling van dat bedrag aan de benadeelde partij [slachtoffer] komt te vervallen;

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. R.H.J. Otto, voorzitter, mr. B.G.L. van der Aa en mr. R.A.J. van Leeuwen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Ekermans, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 december 2002.