Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2002:AF3441

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
26-07-2002
Datum publicatie
28-01-2003
Zaaknummer
AWB 00/336 WAO BOR
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Reg.nr.: AWB 00/336 WAO BOR

UITSPRAAK van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in het geding tussen

C1000 [eiseres] VOF te [plaats], eiseres,

en

Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, rechtsopvolger van Bestuur van het Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen -Cadans Uitvoeringsinstelling BV Zeist-, gevestigd te Amsterdam, verweerder.

Datum bestreden besluit:7 februari 2000.

Kenmerk: B&B/H/00.51531.

Behandeling ter zitting: 14 juni 2002.

I. PROCESVERLOOP.

Bij besluit van 7 februari 2000 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 14 december 1999, waarbij door verweerder de gedifferentieerde premie ingevolge de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) voor eiseres voor het jaar 2000 is vastgesteld op 3,45%, ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit is namens eiseres beroep ingesteld. Op de daartoe aangevoerde gronden is gevorderd het bestreden besluit te vernietigen.

De door verweerder terzake van het beroep ingezonden stukken alsmede het verweerschrift zijn op 25 april 2000 aan eiseresses gemachtigde gezonden.

Bij schrijven van 14 januari 2002 heeft de rechtbank bij verweerder de medische stukken van de (ex-) werknemers [werknemer 1] en [werknemer 2]s opgevraagd.

Op 11 februari 2002 heeft verweerder de rechtbank de gevraagde stukken toegezonden.

Bij brief van 5 april 2002 heeft de rechtbank eiseresses gemachtigde verzocht te reageren op de inhoud van deze stukken.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 14 juni 2002, alwaar eiseres en haar gemachtigde niet zijn verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. R.J. Bilderbeek.

II. OVERWEGINGEN.

Per 1 januari 2002 zijn in werking getreden de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wsuwi) en de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (IWsuwi), Stb. 2001/682. Op grond van artikel 9, eerste lid, van laatstgenoemde wet gaan de publiekrechtelijke rechten en verplichtingen van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) en de uitvoeringsinstellingen per die datum over op het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). Het tweede lid van voormeld artikel bepaalt dat een door het Lisv genomen besluit geldt als een besluit van het UWV. Ingevolge de artikelen 11 en 12 van diezelfde wet treedt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de onderhavige procedure als verwerende partij in de plaats van (het bestuur van) het Lisv respectievelijk de uitvoeringsinstellingen.

In deze uitspraak wordt onder verweerder tevens verstaan: de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV).

Bij besluit van 14 december 1999 heeft verweerder de gedifferentieerde premie over het jaar 2000 voor de onderneming van eiseres vastgesteld op 3,45%. Tegen dat besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt bij schrijven van 21 januari 2000.

Bij het thans bestreden besluit van 7 februari 2000 heeft verweerder het bezwaarschrift van eiseres ongegrond verklaard. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat bij de berekening van de gedifferentieerde premie onder meer rekening is gehouden met de in 1998 aan (ex-) werknemers betaalde WAO-uitkeringen, zodat eiseres op grond van artikel 87e van de WAO thans geen bezwaar kan maken tegen de rechtmatigheid of hoogte van deze WAO-uitkeringen. Vanaf 1 januari 1998 is eiseres immers op grond van artikel 1:2 van de Awb belanghebbende bij besluiten ingevolge de WAO, die betrekking hebben op het al dan niet bestaan, voortbestaan, dan wel de mate van arbeidsongeschiktheid. Eiseres heeft derhalve vanaf 1 januari 1998 de gelegenheid gehad om de rechtmatigheid en de hoogte van de aan de (ex-)werknemers toegekende WAO-uitkeringen te toetsen, althans te verzoeken de in 1998 nog lopende uitkering te wijzigen (verlagen of intrekken).

Eiseres kan zich met het standpunt van verweerder niet verenigen en heeft in haar beroepschrift gesteld dat de regeling in strijd is met het bepaalde in artikel 6, lid 1 en 6, van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM). Eiseres is voorts van mening niet voldoende te hebben kunnen beoordelen of Cadans terecht en op goede zorgvuldige wijze een WAO-uitkering aan betrokken werknemers(s) heeft toegekend. Dit wordt veroorzaakt door een gebrek aan kennisname van en inzicht in de aan de toekenning ten grondslag liggende stukken, de ongeschiktheid tot werken wegens ziekte en het recht op toekenning of verhoging van de WAO-uitkering van deze werknemer(s).

Eiseres betwist op grond hiervan daarom de juistheid van de arbeidsongeschiktheid in die zin dat met name niet kan worden vastgesteld of de werknemer(s) ook arbeidsongeschikt zijn voor een functie in een andere branche of bedrijf. Eiseres heeft tot aan 1 januari 1998 immers geen enkele mogelijkheid gehad om invloed op de toekenning uit te oefenen en hier tegen bezwaar aan te tekenen.

Ten aanzien van de grief van eiseres dat het voor haar onmogelijk is (geweest) om de juistheid van de WAO-uitkering van de (ex-)werknemer te bestrijden overweegt de rechtbank het volgende.

Tot 1 januari 1998 was het voor een werkgever niet mogelijk om op te komen tegen een besluit waarbij aan een van zijn werknemers een WAO-uitkering werd toegekend. Het maken van bezwaar en het instellen van beroep werden geblokkeerd door het toenmalige artikel 2a van de WAO, waarin was geregeld dat bij besluiten over het al dan niet bestaan of voortbestaan, dan wel de mate van arbeidsongeschiktheid, alleen de werknemer belanghebbende was. Dit artikel is echter op 1 januari 1998 vervallen bij de invoering van de Wet Premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (Wet Pemba).

Dit betekent dat de positie van de werkgever ten aanzien van besluiten, waarbij aan een van zijn werknemers een WAO-uitkering wordt toegekend, vanaf 1 januari 1998 bepaald wordt door artikel 1:2 van de Awb. Ingevolge dit artikel moet als belanghebbende worden aangemerkt degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit betrokken is. Voorts is in artikel 88, aanhef en onder c, van de WAO bepaald dat onder werkgever wordt verstaan: de belanghebbende bij een medisch besluit, die niet de werknemer is.

In het onderhavige geval is echter sprake van een bijzondere situatie, waarbij eiseres noch op grond van de tot 1 januari 1998 geldende regelgeving en aanvankelijk evenmin op grond van de met ingang van die datum inwerking getreden Wet Pemba als belanghebbende invloed kon uitoefenen, althans rechtsbescherming kon inroepen tegen het hier van belang zijnde besluit tot toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering.

De Centrale Raad van Beroep heeft in zijn uitspraken van 20 juli 2001, nrs. 99/3508, 00/3816, 00/4629 en 00/4630 WAO geoordeeld dat artikel 87e van de WAO in strijd is met artikel 6 EVRM, welk artikel eist dat de rechter, als hem een geschil wordt voorgelegd, zich moet kunnen uitspreken over "merits of the matter". De Raad is van oordeel dat in een geschil over een premiebesluit, waarvan de hoogte mede wordt bepaald door voor 1 januari 1998 toegekende WAO-uitkeringen, de juistheid van op die uitkeringen betrekking hebbende besluiten tot de “merits of the matter” behoort.

Voorts heeft de Raad overwogen dat de medische besluitenregeling in strijd is met de waarborgen voor een eerlijk proces die voortvloeien uit artikel 6 EVRM. De Raad is van oordeel dat de medische besluitenregeling niet onverkort kan worden toegepast omdat de werkgever daardoor te zeer wordt belemmerd om zijn belangen op een adequate wijze te behartigen. De door de wetgever beoogde bescherming van de privacy van de werknemer vormt volgende Raad onvoldoende rechtvaardiging voor de nadeliger positie van de werkgever. Het recht op privacy van de werknemer wordt in voldoende mate gewaarborgd door, daar waar een procedure betrekking heeft op een medisch besluit, toepassing te geven aan artikel 8:32, tweede lid, van de Awb.

In zijn uitspraak van 13 februari 2002 , gepubliceerd USZ 2002/101, heeft de Raad nadrukkelijk overwogen dat artikel 6 EVRM slechts van toepassing is op de rechterlijke toetsing en dat de bezwarenprocedure niet aan de vereisten van artikel 6 EVRM hoeft te voldoen. Verweerder kan derhalve op grond van artikel 6 EVRM niet geacht worden te zijn gehouden af te wijken van artikel 88c van de WAO. De Raad merkt overigens ook op dat bovenstaande mee kan brengen dat rechterlijke procedures aanhangig worden gemaakt om kennis te verkrijgen van de aan het premiebesluit ten grondslag liggende medische gegevens en niet, althans niet in de eerste plaats, omdat men het inhoudelijk niet met het desbetreffende besluit eens is.

Op 5 april 2002 heeft de rechtbank in de onderhavige procedure eiseresses gemachtigde met toepassing van artikel 8:32 van de Awb in de gelegenheid gesteld kennis te nemen van de medische stukken van (ex-)werknemers [werknemer 1] en [werknemer 2] die ten grondslag liggen aan de WAO-uitkeringen die ten grondslag liggen aan de premiebesluiten. De gemachtigde van eiseres heeft hierop voor sluiting van het onderzoek ter zitting niet gereageerd, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat namens eiseres geen nader inhoudelijk verweer wordt gevoerd naar aanleiding van de toegezonden medische dossiers.

De rechtbank constateert dat, nu geen nadere gronden worden aangevoerd, thans geen sprake meer is van een geschil met betrekking tot het bestreden besluit van verweerder. Hieruit vloeit voort dat het beroep wegens verlies aan belang niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Nu eiseres beroep heeft moeten instellen om kennis te kunnen verkrijgen van de medische stukken acht de rechtbank termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de kosten, die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken.

Het bedrag van de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand wordt daarbij vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

De rechtbank kent ter zake 1 punt met een waarde van € 322,-- toe voor de indiening van het beroepschrift en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1).

Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 1 x € 322,-- x 1 = € 322,-.

Op grond van de artikelen 8:70, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING.

De rechtbank Maastricht:

1. verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

2. bepaalt dat aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 204,20 wordt vergoed door het Uitvoeringsinstituut werknemerverzekeringen;

3. veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiseres begroot op € 322,- wegens de kosten van rechtsbijstand, te vergoeden door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiseres.

Aldus gedaan door mr. M.C.A.E. van Binnebeke, mr. H.J.O. Martens en mr. R.C.A.M. Philippart in tegenwoordigheid van mr. R.A.B. Bollen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 26 juli 2002 door mr. Van Binnebeke voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. R. Bollen w.g. M.C. van Binnebeke

Voor eensluidend afschrift,

De wnd. griffier,

Verzonden: 26 juli 2002

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.