Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2002:AF3028

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
11-12-2002
Datum publicatie
17-01-2003
Zaaknummer
79371/KG ZA 02-427
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE MAASTRICHT

Vonnis : 11 december 2002

Zaaknummer: 79371 / KG ZA 02-427

VONNIS IN HET KORT GEDING VAN:

1. [eiseres sub1],

wonende te Utrecht,

eiseres sub 1,

procureur mr. R.A. Haverhoek;

2. [eiseres sub 2],

wonende te Nijmegen,

eiseres sub 2,

procureur mr. R.A. Haverhoek;

tegen:

[gedaagde],

wonende te Geulle,

gedaagde,

procureur: mr I. Wudka.

1. Het verloop van de procedure

Eiseressen, hierna te noemen: [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2], hebben gedaagde, hierna te noemen: [gedaagde], gedagvaard in kort geding. Op de dienende dag, 27 november 2002, hebben [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] gesteld en gevorderd overeenkomstig de inhoud van de dagvaarding, waarna zij hun vordering met verwijzing naar op voorhand toegezonden producties nader hebben doen toelichten.

[gedaagde] heeft aan de hand van een pleitnota verweer gevoerd.

Partijen hebben daarna op elkaars stellingen gereageerd.

Ten slotte hebben partijen om vonnis verzocht. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1 [gedaagde] is therapeut in de alternatieve sector en in die hoedanigheid aangesloten bij de twee beroepsverenigingen in die sector, te weten de Nederlandse Vereniging voor Postural Integration Therapie (NVPIT) en de Alliantie Natuurlijke Geneeswijzen (ANG). [eiseres sub 1] is bij Hapaerts in therapie geweest van april 1993 tot oktober 1998. [eiseres sub 2] is van maart 1992 tot 1998 in therapie geweest bij [gedaagde].

[eiseres sub 1] heeft op 26 maart 2001 aangifte gedaan tegen [gedaagde] en diens echtgenote van seksueel misbruik tijdens therapie, van mishandeling, aanranding en verkrachting. Door [eiseres sub 2] is op 10 april 2001 tegen [gedaagde] aangifte gedaan van seksueel misbruik tijdens therapie en opleiding. Voorts hebben [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] tegen onder andere [gedaagde] aangifte gedaan van afpersing.

De strafrechtelijke procedure naar aanleiding van deze aangiftes is nog aanhangig.

2.2 Bij brief van 15 mei 2001 hebben [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de door hen geleden schade ten gevolge van de feiten waarvan zij aangifte hebben gedaan. In de vervolgens door hen tegen [gedaagde] en diens echtgenote aangespannen civiele procedure hebben [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] gesteld dat [gedaagde] en zijn echtgenote door hun gedrag toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van de behandelovereenkomsten die zij met ieder van hen hebben gesloten, alsmede dat zij zich door de bedoelde gedragingen onrechtmatig jegens hen hebben gehandeld. Op grond daarvan hebben zij [gedaagde] en zijn echtgenote aansprakelijk gesteld voor de door hen dientgengevolge geleden schade. [gedaagde] en zijn echtgenote zijn door de rechtbank bij verstekvonnis d.d. 12 september 2002 hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 134.908,31 aan [eiseres sub 1] en € 40.430,24 aan [eiseres sub 2]. Bij dagvaarding d.d. 28 oktober 2002 hebben [gedaagde] en zijn echtgenote tegen dit vonnis verzet ingesteld en hebben zij [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] gedagvaard voor de zitting van 26 maart 2003.

2.3 In het onderhavige kort geding hebben [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] op grond van het vorenstaande gevorderd dat [gedaagde] bij vonnis, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zal worden veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting als voorschot op de materiële en immateriële schade aan:

- [eiseres sub 1] te betalen een bedrag van € 20.000,-;

- [eiseres sub 2] te betalen een bedrag van € 10.000,-;

het een en ander met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.

De vordering wordt door [gedaagde] weersproken, waartoe wordt verwezen naar de pleitnota van [gedaagde].

3. De beoordeling

3.1 [eiseres sub 1] heeft zich tot [gedaagde] gewend omdat zij hulp en steun zocht bij het loskomen van een relatie die voorbij was.[eiseres sub 1] stelt dat volgens [gedaagde] haar problemen verholpen konden worden door een therapie waarin pijn en seks toegediend zouden worden. De therapie werd door [gedaagde] een experiment genoemd. Vanaf november 1993 werden de sessies in het kader van die therapie gelijdelijk aan ingevoerd. [gedaagde] nam daarbij de rol van meester aan en [eiseres sub 1] werd de rol van slavin toebedeeld. Bij die sessies stonden seksuele handelingen en het toedienen van pijn centraal. [eiseres sub 1] stelt dat er daarbij sprake was van seksueel contact, mishandeling, vernedering, afpersing, bedreiging, intimidatie en het creëren en vooral instandhouden van de afhankelijkheid. Naast haarzelf ondergingen volgens [eiseres sub 1] minimaal 15 andere vrouwen ook dergelijke sessies. Zij heeft ook deelgenomen aan groepsessies waarbij meerdere van deze vrouwen aanwezig waren en waarbij zij volgens haar stelling ook werd gedwongen seksuele handelingen met die andere vrouwen te verrichten. Zij hebben deze ongebruikelijke stap volgens [eiseres sub 1] gezet, doordat [gedaagde] steeds weer terugkwam op de heilzame werking van zulke sessies en de unieke kans die hen geboden werd, alsmede omdat hij inmiddels gedurende reguliere sessies en therapeutische groepen vertrouwen in zijn integriteit en professionaliteit had weten op te bouwen.

3.2 [eiseres sub 2] heeft zich tot [gedaagde] gewend in verband met burn-outklachten en angstklachten. Zij heeft individuele sessies, groepsessies en relatiesessies met haar toenmalige partner gevolgd bij [gedaagde] en zijn echtgenote.

In dat verband heeft zij deelgenomen aan een MOM-sessie (Macht over Macht), waaraan alleen vrouwelijke cursisten deelnamen. Volgens [eiseres sub 2] waren de cursisten daarbij geheel naakt en werden zij door [gedaagde] gestimuleerd tot het onderling verrichten van ontuchtige handelingen met een SM-karakter.

Voorts stelt zij dat [gedaagde] haar daarna overhaalde om individuele sessies bij het hem te doen, waarin er seksueel contact tussen hen zou zijn. Dit heeft éénmaal plaatsgevonden.

3.3 [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] stellen dat [gedaagde] met de door hen gestelde feiten de algemeen geldende norm, vastgelegd in de gedragsregels van alle beroepsverenigingen - ook de verenigingen waarbij [gedaagde] was aangesloten - en in het strafrecht , te weten geen seks tijdens therapie, ook al wil de cliënt het nog zo graag, heeft geschonden. [gedaagde] heeft volgens hen misbruik gemaakt van hun kwetsbaarheid en van de therapeutische afhankelijkheidsrelatie waarin [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] zich ten opzichte van hem verkeerden en heeft hen op basis daarvan weten te overtuigen van de heilzame werking van zijn therapie. Gelet daarop is het niet relevant of zij hebben ingestemd met seks tijdens de therapie, aldus eiseressen.

3.4 [gedaagde] betwist niet dat de door [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] gestelde seksuele handelingen hebben plaatsgevonden, doch stelt dat deze allemaal hebben plaatsgevonden in het kader van een experiment. Dit experiment is volgens [gedaagde] een voortzetting in de praktijk van en gebaseerd op onderzoek dat hij gedurende vele jaren samen met zijn echtgenote heeft verricht nadat hen uit hun praktijk was gebleken dat mensen in bepaalde situaties zoeken naar pijn. In het experiment leren mensen door toediening van pijn hoe zij moeten omgaan met macht. Deelname aan dat experiment had volgens [gedaagde] niets meer te maken met therapie. Hieraan werd alleen deelgenomen door personen die al langer in therapie waren geweest bij [gedaagde] en als zodanig te kennen gaven het aan te willen. [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] wilden niets liever als bij die groep horen, aldus [gedaagde]. [eiseres sub 2] nam volgens [gedaagde] bovendien aan de sessies en experimenten deel in het kader van haar eigen deskundigheidsbevordering als therapeute. [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2], evenals de andere deelnemers aan het onderzoek, hebben volgens [gedaagde] door dit onderzoek zichzelf beter leren kennen en werden hierdoor sterkere persoonlijkheden.

3.5 Het hiervoor weergegeven verweer van [gedaagde] kan niet slagen. Seksueel contact tussen therapeut en cliënt is op grond van algemeen geldende normen, waaronder de door het NVIPT vastgelegde normen, niet toegestaan. De gevolgen hiervan kunnen schadelijk zijn voor de cliënt. Ook indien [gedaagde] zelf overtuigd was van positieve werking van de op grond van zijn onderzoek door hem ontworpen therapie, had hij zich bewust dienen te zijn van het feit dat en de redenen waarom seksuele contacten/handelingen met cliënten verboden zijn en had hij op die gronden zich daarvan dienen te weerhouden. Met name ook de aard van de door hem aan [eiseres sub 1]/[eiseres sub 2] verleende hulp, te weten psychoterapeutische hulp, had voor [gedaagde], gelet op de daarmee verbonden afhankelijke positie waarin [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] zich ten opzichte van hem bevonden, reden dienen te zijn om zich hiervan te onthouden. [gedaagde] had zich bewust dienen te zijn van het feit dat hun keuze om hier aan mee te doen kon worden bepaald door de invloed die hij op hen had als therapeut. Tevens had hij de mogelijk schadelijke gevolgen voor hun psychische staat dienen te voorzien.

De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat er sprake is geweest van handelingen in het kader van therapie. Uit het feit dat [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] hebben moeten betalen voor deelname aan de bewuste sessies blijkt reeds dat deze in dat kader hebben plaatsgevonden. Voorts blijkt dit naar het oordeel van de voorzieningenrechter uit de door [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] overgelegde stukken, in het bijzonder uit de door hen overgelegde processen-verbaal die zijn opgemaakt van hun aangiftes en het van het verhoor van [gedaagde].

Uit hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de machtsverhouding tussen therapeut en cliënt vloeit voort dat het door [gedaagde] gestelde onderscheid tussen therapie en deelname aan het experiment evenmin kan slagen. De vraag of het seksuele contact/de seksuele gedraging heeft plaatsgevonden in het kader van de therapie, danwel daaruit voortvloeit, is hierbij niet relevant.

3.6 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt de voorzieningenrechter tot het voorlopig oordeel dat [gedaagde] bij zijn werkzaamheden niet de zorg van een goed hulpverlener in acht heeft genomen en niet in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid heeft gehandeld. Voorshands is de voorzieningenrechter dan ook van oordeel dat het door [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] gedane beroep op wanprestatie en onrechtmatige daad kan slagen en acht zij het voldoende aannemelijk dat de door hen in de bodemprocedure gevorderde vergoeding van de voor hen daaruit voortvloeiende schade - in ieder geval ten dele - zal worden toegewezen.

3.7 Thans rijst dan de vraag of [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] voldoende spoedeisend belang hebben bij toekenning van een voorschot op de door hen gevorderde schadevergoeding. De voorzieningenrechter heeft niet tot de overtuiging kunnen komen dat [gedaagde], zoals door [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] wordt gesteld, in de bodemprocedure bewust vertragingstactieken heeft toegepast. Dat de verzetdagvaarding is uitgebracht voor 26 maart 2003 met het oog op de strafrechtprocedure is niet onnaannemelijk. Indien eiseressen daar bezwaar tegen hebben kunnen zij echter verzoeken om een eerdere roldatum te bepalen.

Nochtans dient er echter vanuit gegaan te worden dat de procedure in de bodem nog enige tijd in beslag zal nemen. Met het oog op de verwerking van het hen aangedane psychisch leed acht de voorzieningenrechter het van belang dat [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] in afwachting van de bodemprocedure thans reeds ter genoegdoening het gevorderde voorschot op de schadevergoeding wordt toegekend.

3.8 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zullen de vorderingen van [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] worden toegewezen. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde persoon worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

4. De uitspraak

De voorzieningenrechter van de rechtbank te Maastricht:

RECHT DOENDE in kort geding:

veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres sub 1] een bedrag van € 20.000,- en aan [eiseres sub 2] een bedrag van € 10.000,- te betalen als voorschot op de in de bodemprocedure gevorderde materiële en immateriële schadevergoeding;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten tot aan dit vonnis gerezen en aan de zijde van [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] begroot op € 77,56 voor explootkosten, € 570,- aan vast recht en € 703,- voor salaris procureur;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. Adelmeijer, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting in het bijzijn van de griffier.