Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2002:AF2599

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
19-12-2002
Datum publicatie
03-01-2003
Zaaknummer
62002/HA ZA 00-1258
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis : 19 december 2002

Zaaknummer : 62002 / HA ZA 00-1258

De rechtbank te Maastricht, enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van:

[de vrouw]

wonende te [K.],

eiseres,

procureur mr. E.R.T.A. Luijten,(toevoeging),

tegen:

[de man]

wonende te [B.],

gedaagde,

procureur mr. H.N.H. Dresschers.

1. Het verdere verloop van de procedure

Ter voldoening aan het tussenvonnis van 28 maart 2002 hebben partijen stukken als genoemd in dit vonnis overgelegd en hebben beide partijen twee keer bij akte over en weer daarop gereageerd.

Ten slotte hebben partijen wederom vonnis gevraagd op het rechtbankdossier. De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De verdere beoordeling

2.1

Tussen partijen is in confesso dat zij de exploitatie van de kapsalon in de vorm van een vennootschap onder firma per 16 maart 1998 hebben beëindigd. Dit, nadat de vrouw, zoals door haar onweersproken is gesteld, in februari 1998 bij de man is weggegaan en toen haar intrek bij haar ouders heeft genomen.

Op grond hiervan en op grond van de onweersproken stelling van de man dat partijen kort na het uit elkaar gaan de inboedel hebben verdeeld overeenkomstig een door de man bij conclusie van antwoord overgelegde en door partijen ondertekende lijst, zal de rechtbank als peildatum voor de omvang van de gemeenschap alsook als peildatum voor de waardering van de roerende zaken en de nog te verdelen goederen de datum van 16 maart 1998 aanhouden.

2.2

De vrouw heeft met betrekking tot de in genoemde lijst opgenomen verdeling tijdens de comparitie na antwoord gesteld dat de man de waardevolle zaken heeft gekregen en zij een aantal spullen zonder veel waarde en dat ze bovendien een aantal zaken helemaal niet heeft gekregen.

Uit de lijst blijkt dat de man de in de echtelijke huurwoning nieuw geplaatste inbouwkeuken heeft ontvangen alsmede de badkamer en een aantal electrische apparaten.

Nog daargelaten dat, nu onbetwist is dat het hier om een huurwoning gaat en de daarin nieuw aangebrachte keuken en badkamer wegens natrekking eigendom van de verhuurder zijn geworden en nergens uit is gebleken dat de vrouw op basis van de gemaakte afspraak niet om nakoming van die afspraken heeft verzocht of met betrekking daartoe een (nadere) vordering heeft ingesteld, zal de rechtbank die stelling van de vrouw laten voor wat ze is en met het oog op de vordering van de vrouw te dien aanzien geen nadere vaststelling doen.

2.3

Partijen twisten in dit geschil over de verdeling en de waarde van een drietal (levens)verzekeringspolissen, aanvankelijk afgesloten bij Reaal Levensverzekering NV te Utrecht, welke maatschappij later kennelijk is overgenomen door Hooge Huys Verzekeringen te Alkmaar (verder Hooge Huys). Het gaat hierbij om de polissen met de nummers: 1107018318; nr. 1107018319 en nr. 1107042030.

2.3.1 Ter reeds genoemde comparitie is duidelijk geworden dat de polis met nr. 1107018318, zijnde een op 1 februari 1995 afgesloten dalende overlijdensrisicoverzekering, geen afkoopwaarde heeft, op grond waarvan voor deze procedure aangenomen moet worden dat die van geen belang is, nu partijen daaromtrent verder niets hebben aangevoerd.

2.3.2 De polis met nr. 1107018319 betreft een levensverzekering met een gemengde dekking, die de man op 1 januari 1997 heeft afgesloten, waarin de man te boek staat als verzekeringnemer en als verzekerde. Uit een brief van Hooge Huys van 16 mei 2000 aan de in de echtscheiding benoemde boedelnotaris blijkt dat de assurantiebemiddelaar J.H.L.L.M. Bemelmans van Assurantiekantoor Bemelmans uit Kerkrade, zowel verzekeringnemer als premiebetaler is. Een en ander is volgens de man het gevolg van het feit dat er een aanzienlijke achterstand is ontstaan in de premiebetaling op deze polis alsook op andere polissen, zoals onder meer de ziektekostenverzekering en de beroepsaansprakelijkheidsverzekering, en partijen uit dien hoofde, blijkens een schrijven van Bemelmans aan de advocaat van de man van 24 juli 2001, Bemelmans wegens die grote premieachterstanden (die per 1 oktober 1998 fl. 18.802,84 exclusief nog een geleende som van fl. 6.500,-- belopen) hebben verzocht deze polis op naam van Bemelmans te stellen.

Op grond van dit schrijven en het feit dat de vrouw die schulden niet heeft betwist, moet er vanuit gegaan worden dat die schuld niet alleen op 1 oktober 1998, maar ook op 16 maart 1998 aanwezig was, alsmede dat de afkoopwaarde van die polis per 16 maart 1998, welke waarde op grond van genoemd schrijven van 16 mei 2000 van Hooge Huys aan de boedelnotaris op circa fl. 5.000,-- becijferd kan worden, tussen partijen verdeeld moet worden, hetgeen niet anders inhoudt dan dat de man de helft van dit bedrag aan de vrouw zou dienen uit te keren. Doch nu, naar het oordeel van de rechtbank, uit genoemd schrijven ook volgt dat wegens de grote achterstand in de betaling van de premies, zoals door Bemelmans in een brief van 22 april 1999 al aan de man is geschreven, de afkoopwaarde van deze polis wegens premieachterstand die groter is dan de afkoopwaarde van de verzekeringen, nihil is, kan er in casu geen verrekening plaatsvinden. Wanneer immers hierbij nog rekening gehouden wordt met een door Bemelmans gemaakt overzicht, gedateerd op 31 december 1998, dat op 1 januari 1998 aanvangt met een achterstandssaldo in premiebetalingen per 1 januari 1998 van fl. 8.774,70 en het feit dat in de per 16 maart 1998 opgemaakte stakingsbalans van de VOF aan nog te betalen verzekeringspremies een post van

fl. 7.274,-- is geboekt in rekening-courant met Assurantiekantoor Bemelmans, moet de stelling van de vrouw dat bijna alle premie-schulden dateren van nà 16 maart 1998 verworpen worden. Dit temeer nu naar het oordeel van de rechtbank het onder deze omstandigheden voor de hand had gelegen dat de vrouw indien zij, zoals ze thans doet, haar aanspraken op de helft van de waarde van de verzekering handhaaft, gesteld zou hebben dat zij ook de helft van de tot 16 maart 1998 achterstallige premie voor haar rekening zou hebben genomen. Nu zij dit niet heeft gedaan en het min of meer een feit van algemene bekendheid is dat wanneer premies voor een verzekering niet (meer) worden voldaan de verzekeraar op enig moment wegens niet nakoming van de verplichting van de verzekeringnemer zijnerzijds niet tot uitbetaling van de verzekerde som zal overgaan, moet de door de man en Bemelmans gemaakte gevolgtrekking dat in dit geval en onder deze omstandigheden de contante waarde voor deze polis op nihil gesteld moet worden, als juist bestempeld worden. Dit betekent voorts dat nu deze polis aan Bemelmans is overgedragen, deze niet meer in de gevraagde verdeling betrokken kan worden.

2.3.3 De polis met nr. 1107042030 betreft een op 1 november 1996 afgesloten verzekering waarin is bepaald dat 'de verzekering bij leven met 90% restitutie van de door de verzekerde betaalde premies bij overlijden van de verzekerde vóór 1 november 2016 uitkeert en betaling van een bedrag van fl. 30.000,-- bij in leven zijn van de verzekerde op 1 november 2016'.

Blijkens reeds genoemde brief van 16 mei 2000 van Hooge Huys is per 1 april 1998 de afkoopwaarde van deze verzekering fl. 1.091,--. Nu deze polis vanwege achterstallige premiebetalingen niet aan Bemelmans is overgedragen en de man heeft gesteld dat de polissen aan hem dienen te worden toegescheiden en hij na het uiteengaan van partijen de premies via een betalingsregeling voldoet, ligt in het verlengde daarvan dat hij de helft van de afkoopwaarde van deze verzekering, zijnde fl. 545,50 (€ 247,54) aan de vrouw uitbetaalt, teneinde de overbedeling ongedaan te maken.

De rechtbank zal aldus beslissen.

2.3.3 De vrouw heeft in haar dagvaarding gesteld dat een lijfrentepolis op naam van dochter [S.] deel uitmaakt van de gemeenschap van partijen en dat de contante waarde daarvan tussen partijen verdeeld moet worden.

De man heeft aangegeven dat hij het bestaan van een dergelijke polis niet kent en dat er volgens hem geen polis op naam van de dochter existeert.

Ter comparitie na antwoord is er geen duidelijkheid omtrent het bestaan van deze polis gekomen. De vrouw heeft in haar antwoordakte van 20 juni 2002 gesteld dat de lijfrentepolis op naam van [S.] op tafel moet komen c.q. door de man aan de vrouw, als verzorgster van [S.], overhandigd moet worden.

Nu de vrouw, na in de dagvaarding te hebben gesteld dat het hier een op naam van dochter [S.] gestelde polis betreft en zij in zojuist genoemde akte ter zake deze polis weer heeft aangegeven dat die aan haar overhandigd moet worden, zonder te stellen dat de man in bezit van die polis is, terwijl anderzijds het niet onoverkomelijk moet zijn om een copie van deze polis via de verzekeraar te verkrijgen, valt niet in te zien dat de vrouw niet zelf heeft getracht een afschrift van deze polis te verkrijgen. Temeer er te dien aanzien voorts aangenomen moet worden dat deze verzekering via Assuradeur Bemelmans is afgesloten, nu uit de overgelegde stukken moet worden opgemaakt dat partijen al hun verzekeringen door tussenkomst van Bemelmans hebben afgesloten.

Los hiervan is de rechtbank van oordeel dat, mede gezien de onweersproken stelling dat deze polis op naam van de dochter van partijen staat, het kennelijk de bedoeling van partijen is dat de revenuen daaruit te zijnertijd aan de dochter toevallen, waaruit voortvloeit dat het redelijk en billijk is dat deze polis, als hij existeert, buiten de verdeling blijft omdat op de partij die de polis onder zich heeft de morele verplichting rust ervoor te zorgen dat de polis dan wel de revenuen daaruit aan dochter [S.] worden overgedragen.

2.4

Partijen hebben, zoals door de man onweersproken is gesteld, tijdens de gezamenlijke exploitatie van de kapsalon in VOF-verband, een lease-auto gehad.

De man heeft gesteld dat hij nadat de vrouw zich uit de VOF heeft teruggetrokken en hij alleen de kapsalon heeft voortgezet, de auto van de hand heeft gedaan en daarvoor in de plaats een oude VW-Golf heeft aangeschaft, die hij wegens een aantal gebreken weer voor een bedrag van fl. 1.000,-- van de hand heeft gedaan, maar dit geld cash heeft ontvangen weshalve hij niet beschikt over een kwitantie.

De vrouw heeft bevestigd dat de lease-auto in de boekhouding van de VOF was opgenomen. De vrouw heeft niet gereageerd op de stelling van de man dat hij de VW-Golf heeft aangeschaft en weer van de hand heeft gedaan.

Gelet op het feit dat de man, na uittreding van de vrouw uit de VOF de exploitatie van de kapsalon kennelijk overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 lid 2 en 4 van de VOF-overeenkomst heeft voortgezet, kan het, mede gezien de standpunten van partijen niet anders zijn dat de waarde van de lease-auto in de slotbalans van de VOF is opgenomen. Of er naar aanleiding van het beëindigen van de VOF tussen partijen verrekening moet plaatsvinden, wordt hierna onder 2.6 nog besproken. Uit dit alles vloeit naar het oordeel van de rechtbank wel al voort dat, nu de peildatum op 16 maart 1998 is bepaald, de na deze datum door de man aangeschafte VW-Golf niet in de gevraagde verdeling betrokken kan worden.

2.5

De vrouw heeft aangegeven dat tot de boedel belastingschulden horen die over partijen verdeeld moeten worden. Zij heeft naar aanleiding van het verhandelde ter comparitie na antwoord en het tussenvonnis van 28 maart 2000 een op 20 juli 1999 gedateerde aankondiging van de fiscus overgelegd, waarin de fiscus (belastingdienst ondernemingen) mededeelt dat deze dienst bij haar tevergeefs aan de deur is geweest om beslag te leggen voor belastingschulden uit 1998 en 1999 van

fl. 9.408,-- (exclusief rente).

De man heeft een stuk overgelegd waaruit is op te maken dat de fiscus van hem op 12 oktober 1998 een bedrag te vorderen had van fl. 27.305,-- (exclusief rente) en dat de fiscus toen voor dit bedrag beslag onder hem wilde leggen en dat hij nadien een betalingsregeling met de fiscus heeft getroffen op grond waarvan hij ingaande 15 mei 2001 maandelijks een bedrag van fl.1.000,-- op deze schuld aflost. De man heeft er verder, onderbouwd met bescheiden, op gewezen dat bij beëindiging van de VOF er een bedrag ad fl. 11.212,-- aan af te dragen BTW openstond, welke schuld hij vanwege het voortzetten van de exploitatie van de kapsalon op grond van het bepaalde in artikel 13 van de VOF-overeenkomst voor zijn rekening dient te nemen.

De man heeft in zijn antwoordakte van 6 juni 2002 aangegeven dat de vrouw zelf de op haar naam staande belastingschuld dient te voldoen, zoals de man sedert 15 mei 2001 bezig is de op zijn naam staande belastingschulden te voldoen, waarbij hij nog opmerkt dat die bovendien aanzienlijk hoger zijn dan die van de vrouw.

De vrouw is niet ingegaan op het verzoek van de man om (aan de hand van belastingaanslagen) aan te tonen om welke belastingschulden het bij haar precies ging. Nu in het tussenvonnis is aangegeven dat partijen omtrent de belastingschulden opening van zaken dienen te geven en de vrouw enkel heeft volstaan met overlegging van het door de fiscus opgestelde overzicht, komt het voorstel van de man de rechtbank redelijk voor. Dit temeer nu van beide zijden niet nader is gespecificeerd welke deel van de opgelegde bedragen tot de te verdelen gemeenschap horen en welke bedragen exact voor en na de peildatum aan partijen zijn opgelegd door de fiscus, waarbij de rechtbank opmerkt dat de visie van de man dat hij een hogere belastingschuld heeft dan de vrouw en dat hij daarvan al een groot deel heeft afgelost voorshands aannemelijk voorkomt en het gezien de door partijen geschetste omstandigheden mede daarom niet opportuun is dat de man thans nog een deel van de schuld van de vrouw voor zijn rekening zou moeten nemen, terwijl hij heeft moeten vechten om de gestelde regeling met de fiscus te bewerkstelligen en na te komen en hij tevens gehouden is de belastingschulden van de VOF voor zijn rekening te nemen nu hij de exploitatie daarvan als eenmansbedrijf voortzet en te dien aanzien ter meergenoemde comparitie heeft gesteld dat hij alle activa en passiva heeft overgenomen en toegedeeld heeft gekregen zonder dat daaruit nog enige vordering van de een op de ander voortvloeit.

Op grond van het bovenstaande stelt de rechtbank ter zake de belastingschulden vast dat elke partij de op zijn of haar naam gestelde aanslagen zelf moet voldoen en er te dien aanzien over en weer geen verrekening meer hoeft plaats te vinden.

2.6

De vrouw heeft tenslotte gesteld dat bij de vaststelling van de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap van partijen ex artikel 3:185 BW de activa en passiva van de VOF plus de goodwill daarvan nog tussen partijen dienen te worden afgewikkeld volgens het VOF-contract.

Uit een door de man bij conclusie van antwoord overgelegde brief van 17 april 2000 door de boedelnotaris gericht aan het adres van de boekhouder van de VOF, zijnde Bertrand-Maas VOF, Buro voor Accountancy en Fiscale Adviezen uit Hulsberg, (verder: Bertrand-Maas) die partijen tot 16 maart 1998 hebben gedreven, blijkt dat de boedelnotaris deze vraag ook al heeft proberen op te lossen, nu hij aan de boekhouder heeft gevraagd:

- Is er sprake van enige goodwill welke aan de VOF kan worden toegekend?

- Kunt U mij aangeven wat de onttrekkingen zijn geweest van beide vennoten van 1 januari 1998 tot en met 16 maart 1998 (zie copie pagina stakingsbalans)?

- Hoe was de reële positie van de VOF per 16 maart 1998 ?

De strekking van het antwoord van Bertrand-Maas is dat de vraag betreffende eventueel aanwezige goodwill bij het beëindigen van de VOF door Bertrand-Maas ontkennend wordt beantwoord. Maas-Bertrand merkt hierbij nog op dat de uit het verleden in de VOF ingebrachte overdraagbare goodwill, gelet op de ontheffing ten gunste van de vrouw van haar verplichting op basis van de inmiddels ontbonden VOF-overeenkomst van 20 juli 1994 haar negatief kapitaal (zijnde op 16 maart 1998 fl. 17.169,87 negatief) aan te zuiveren, op nihil gesteld dient te worden. Maas-Bertrand beantwoordt in dit schrijven de vraag ter zake goodwill of partijen gedurende het bestaan van de VOF overdraagbare goodwill hebben opgebouwd ook ontkennend en zegt hiertoe dat: 'hiervan slechts sprake zou zijn geweest indien het rendement van de onderneming zou uitgaan boven het normale, te verwachtren rendement voor een kapperszaak. Uitgaande van de gegevens over de jaren 1995, 1996 en 1997 betreffende bedoelde VOF bedroeg het kapitaal van zowel de man als de vrouw, berekend over ieders aandeel in de totaal behaalde winst per jaar minus het bedrag van de door ieder der partijen verrichte privé-onttrekkingen, een negatief saldo. Dit standpunt verandert ook niet, indien men in plaats van de privé-onttrekkingen uitgegaan zou zijn van een reële arbeidsbeloning van een werknemer met vergelijkbare verantwoordelijkheden'.

In dit schrijven stelt Bertrand-Maas verder nog: 'Gelet op het negatief kapitaal van zowel de man (fl. 26.694,35) als de vrouw (fl. 17.169,87) is de positie van bedoelde VOF derhalve op de stakingsdatum negatief. Tevens dient in aanmerking genomen te worden, dat de man ten gunste van de vrouw het negatief kapitaal van laatstgenoemde geheel voor zijn rekening heeft genomen'.

De rechtbank stelt vast dat dit laatste overeenkomt met hetgeen de man ter comparitie na antwoord heeft verklaard . Nu de vrouw daartegenover ter comparitie deze visie van Bertrand-Maas niet heeft bestreden en zij ook de stakingsbalans en de daarbijbehorende stukken onweersproken heef gelaten en er ter comparitie alleen over heeft geklaagd dat zij niets uit de zaak heeft gekregen terwijl zij er toch jaren hard in heeft gewerkt en partijen destijds bij het overnemen van de kapsalon voor de naam 'Inn Hair' fl. 5.000,-- goodwill hebben betaald, is in het licht van dit alles duidelijk dat de vrouw in zake de beëindigde VOF jegens de man geen geldelijke aanspraken kan hebben en dit onderdeel van haar vordering niet kan leiden tot vaststelling van een verrekenplicht van de man jegens de vrouw.

2.7

Ter comparitie heeft de man een schuld van fl. 20.000,-- aan zijn broer ter sprake gebracht welke hij is aangegaan nadat partijen uit elkaar zijn gegaan en da hij die lening heeft moeten aangaan om acute financiële problemen weg te werken die mogelijk tot het faillissement van zijn zaak hadden kunnen leiden.

Uit de nader door de man overgelegde stukken blijkt dat hij deze lening op 7 september 1998 is aangegaan en dat hij deze thans reeds voor een groot deel heeft afgelost.

Gelet op het feit dat de peildatum voor de omvang van de gemeenscha op 16 maart 1998 is vastgesteld, kan deze na deze datum afgesloten lening niet bij de vaststelling van de verdeling betrokken worden.

2.8

Al het vorenstaande brengt met zich dat de rechtbank de vordering van de vrouw de verdeling van der partijen ontbonden huwelijksgemeenschap vast te stellen ex artikel 3:185 BW invult door te bepalen dat:

- de verzekeringspolissen 1107018318 en 11078042030 aan de man worden toegescheiden en dat de man in verband met de toescheiding aan hem van de laatstgenoemde polis aan de vrouw verschuldigd is de helft van de somma van fl. 1.091,-- zijnde fl. 545,50 (€ 247,54). De rechtbank zal de man veroordelen dit bedrag aan de vrouw te voldoen;

- de inboedelzaken verdeeld blijven als blijkt uit de door de man bij conclusie van antwoord overgelegde lijst;

- ter zake belastingschulden elke partij de op zijn of haar naam gestelde aanslagen zelf voldoet zonder dat er te dien aanzien tussen partijen verrekening moet plaatsvinden;

- ter zake de auto geen toedeling en of verrekening dient plaats te vinden;

2.8.1

Nu de man in zijn conclusie van antwoord ter zake het enig tussen partijen te verrekenen bedrag heeft aangegeven dat de vastgestelde contante waarde van de betreffende polis fl. 1.091,- is en dat deze waarde per datum dat partijen feitelijk uit elkaar zijn gegaan bij de verdeling in aanmerking moet worden genomen, waaruit van zijn bereidheid tot betaling van de helft van dit bedrag, naar het oordeel van de rechtbank is gebleken en al het overige dat door de vrouw is aangevoerd in dit geding feitelijk wordt verworpen, acht de rechtbank op grond daarvan termen aanwezig dat de vrouw in de kosten van deze procedure wordt veroordeeld. Temeer nu zij de procedure toch heeft geëntameerd, nadat haar via de boedelnotaris duidelijk moet zijn geworden, dat er niet of nauwelijks activa in de boedel aanwezig waren.

3. De uitspraak

De rechtbank:

Stelt de verdeling van der partijen ontbonden huwelijksgemeenschap vast door te bepalen dat:

- de verzekeringspolissen 1107018318 en 11078042030 aan de man worden toegescheiden en dat de man in verband met de toescheiding aan hem van de laatstgenoemde polis aan de vrouw verschuldigd is de helft van de somma van fl. 1.091,-- zijnde fl. 545,50 (€ 247,54).

- de inboedelzaken verdeeld blijven overeenkomstig de door de man bij conclusie van antwoord overgelegde lijst;

- ter zake belastingschulden elke partij de op zijn of haar naam gestelde aanslagen zelf voldoet zonder dat er te dien aanzien tussen partijen verrekening moet plaatsvinden;

- ter zake de auto geen toedeling en of verrekening dient plaats te vinden;

en veroordeelt de man in het kader van deze verdeling tot betaling aan de vrouw tegen behoorlijk bewijs van kwijting van de somma van € 247,54.

Veroordeelt de vrouw in de kosten van dit geding tot op heden aan de zijde van de man begroot op € 1.352,25, zijnde € 181,50 aan griffierechten en € 1.170,75 aan salaris voor de procureur.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde;

Dit vonnis is gewezen door mr. J.C. Casparie, rechter, en ter openbare terechtzitting van 19 december 2002 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

LD/HR