Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2002:AF2587

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
30-12-2002
Datum publicatie
02-01-2003
Zaaknummer
79859
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE MAASTRICHT

Zaaknummer : 79859 / KG ZA 02-463

Datum uitspraak : 30 december 2002

VONNIS IN HET KORT GEDING VAN:

De stichting

STICHTING BEHARTIGING ALGEMENE BOUWBELANGEN ZUID-NEDERLAND

(SBAB Zuid-Nederland),

gevestigd te 's-Hertogenbosch,

eiseres bij exploot van dagvaarding in kort geding van 2 december 2002,

procureur: mr. Ch.M.E.M. Paulussen,

advocaat: mr. W.M.J.M. Heijltes te Heilig Landstichting, gemeente Groesbeek,

tegen:

[Bouwbedrijf D. ],

wonende te [B.],

gedaagde.

1. Het verloop van de procedure.

1.1 Eiseres heeft gedaagde gedagvaard in kort geding en ten dienende dage, 16 december 2002, gesteld en gevorderd overeenkomstig de inhoud van de dagvaarding. Ter zitting heeft zij het een en ander nader doen toelichten. Daarbij is verwezen naar op voorhand ingezonden producties.

1.2 Gedaagde heeft verweer gevoerd.

1.3 Eiseres heeft gerepliceerd en gedaagde heeft gedupliceerd.

1.4 Ten slotte hebben partijen om vonnis gevraagd. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1 Eiseres heeft ten doel het behartigen van de belangen van de in Zuid-Nederland gevestigde ondernemers en ondernemingen in de bouwnijverheid, het streven naar ordening in deze bedrijfstak en het waar mogelijk handhaven van deze orde.

2.2 Gedaagde oefent (sedert een vijftal jaren) het aannemingsbedrijf uit op het gebied van de burgerlijke en utiliteitsbouw en valt aldus onder artikel 4 van het Vestigingsbesluit Bedrijven.

2.3 Gedaagde is niet in het bezit van een vergunning van de Kamer van Koophandel en Fabrieken als bedoeld in artikel 10 van voormeld besluit, terwijl hem evenmin ontheffing is verleend op de voet van artikel 15 van de Vestigingswet Bedrijven 1954.

2.4 Aangezien gedaagde onder die omstandigheden niet gerechtigd is het aannemersbedrijf uit te oefenen heeft eiseres, na daartoe tevergeefs te hebben gesommeerd, in dit geding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut:

I. gedaagde te verbieden met ingang van twee dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis, bedrijfsmatig de handelingen te verrichten zoals vermeld in het in het lichaam van de dagvaarding geciteerde artikel 4 van het Vestigingsbesluit Bedrijven, met inbegrip van de reeds verstrekte opdrachten, zolang hij niet in het bezit is van een vergunning conform artikel 10 van dat besluit dan wel van een ontheffing als bedoeld in artikel 15 van de Vestigingswet Bedrijven 1954;

II. gedaagde te veroordelen om bij wege van dwangsom aan eiseres te betalen de somma van Euro 2.500,- (zegge: tweeduizendvijfhonderd euro) voor iedere dag dat gedaagde in gebreke mocht blijven aan de sub I omschreven veroordeling te voldoen;

III. gedaagde te veroordelen tot betaling aan eiseres van de buitengerechtelijke kosten ad €Euro 571,-;

IV. gedaagde te veroordelen om aan eiseres binnen 10 dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis over te leggen een lijst bevattende alle bouwobjecten waarbij gedaagde thans betrokken is, hetzij in de vorm van een reeds aan gedaagde verstrekte opdracht, hetzij in de vorm van besprekingen voor een potentiële opdracht, bevattende deze lijst voldoende identificeerbare gegevens betreffende de aard van het bouwobject, een samenvatting van de door gedaagde daaraan (eventueel: naar verwachting) te verrichten werkzaamheden, het adres van het bouwobject, de naam en het adres van de opdrachtgever, welke lijst door gedaagdes accountant voor akkoord en juistheid ondertekend dient te zijn; zulks op straffe van een aan eiseres te betalen dwangsom van €Euro 250,- voor iedere dag dat gedaagde in gebreke mocht blijven met het overleggen van deze lijst;

V. gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding.

2.5 Gedaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3. De beoordeling

3.1 Een voldoende spoedeisend belang volgt reeds uit de voorzieningen die de kern van deze zaak uitmaken.

3.2 Gedaagde, die heeft toegegeven niet in het bezit te zijn van een vestigingsvergunning, heeft ten verwere aangevoerd, naar kan worden verstaan, dat de regelingen (zie 2.2 en 2.3) op grond waarvan hij een dergelijke vergunning behoeft, per 1 januari 2003 zullen worden ingetrokken, zodat de inzet van dit geding, weer: naar wordt verstaan, goede zin mist.

3.3 Dit betoog moet als feitelijk onjuist worden verworpen. Een intrekking per 1 januari 2003 van het Vestigingsbesluit Bedrijven en / of de Vestigingswet Bedrijven 1954 is immers niet aan de orde. Van het opheffen van de aldus aan ondernemers in de bouwwereld gestelde (en zoals door eiseresses raadsman ter zitting genoegzaam toegelicht: maatschappelijk gezien bepaald zinvolle) kwaliteitseisen is dus geen sprake.

3.4 Voorts heeft gedaagde er nog aandacht voor gevraagd dat hij "vorige week" bij de Kamer van Koophandel om een ontheffing op de voet van artikel 15 Vestigingswet heeft verzocht, op welk verzoek, waarvan hij de inwilliging verwacht, evenwel nog niet is beslist. Hij meent daarom dat in ieder geval enige coulance met hem op zijn plaats is.

3.5 Bij die stand van zaken heeft eiseres doen weten gedaagde inderdaad enigszins tegemoet te willen komen. Zij heeft in dat verband te kennen gegeven ook te kunnen leven met een datum eind januari of 1 februari 2003 als startpunt van het onder I gevraagde verbod. Partijen spraken daarop af dat gedaagde aan eiseres spoedig informatie (zoals een kopie van het ingezonden aanvraagformulier) over de door hem gevraagde ontheffing ter beschikking zal stellen, opdat eiseres de kansen op succes ervan zal kunnen inschatten en daarop haar (verdere) opstelling jegens gedaagde zal kunnen afstemmen.

3.6 Dit een en ander brengt met zich dat de vordering onder I voor toewijzing gereed ligt, waarbij wat de ingangsdatum betreft zal worden aangesloten bij de genoemde datum 1 februari 2003. Er zijn termen de ingangsdatum van de onder II gevraagde afgifte van de lijst met bouwprojecten hiermee gelijk te stellen. De dwangsommen zullen worden gematigd en gemaximeerd.

3.7 Voor toewijzing van de onder III gevraagde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is geen plaats nu die kosten niet inzichtelijk zijn gemaakt en het er bovendien de schijn van heeft te gaan om kosten ter voorbereiding van het geding of instructie van de zaak.

3.8 Toewijzing van de vordering onder IV ten slotte is op basis van het vaststaande feitencomplex gerechtvaardigd, met dien verstande dat er ook hier termen zijn de dwangsommen aan een maximum te verbinden.

3.9 Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij zal gedaagde worden veroordeeld in de kosten van het geding.

4. Uitspraak

De voorzieningenrechter van de rechtbank te Maastricht;

RECHT DOENDE in kort geding:

Verbiedt gedaagde met ingang van 1 februari 2003 bedrijfsmatig de handelingen te verrichten zoals vermeld in artikel 4 van het Vestigingsbesluit Bedrijven, met inbegrip van de reeds verstrekte opdrachten, zolang hij niet in het bezit is van een vergunning conform artikel 10 van dat besluit dan wel van een ontheffing als bedoeld in artikel 15 van de Vestigingswet Bedrijven 1954, zulks op straffe van een dwangsom van Euro€ 500,- voor iedere dag dat gedaagde dit verbod na betekening van dit vonnis overtreedt, de dwangsommen maximerend tot €Euro 15.000,-;

Veroordeelt gedaagde om vóór 1 februari 2003 aan eiseres over te leggen een lijst bevattende alle bouwobjecten waarbij gedaagde betrokken is, hetzij in de vorm van een reeds aan gedaagde verstrekte opdracht, hetzij in de vorm van besprekingen voor een potentiële opdracht, bevattende deze lijst voldoende identificeerbare gegevens betreffende de aard van het bouwobject, een samenvatting van de door gedaagde daaraan (eventueel: naar verwachting) te verrichten werkzaamheden, het adres van het bouwobject, de naam en het adres van de opdrachtgever, welke lijst door gedaagdes accountant voor akkoord en juistheid ondertekend dient te zijn, een en ander op straffe van een dwangsom van €Euro 250,- voor iedere dag dat gedaagde na betekening van dit vonnis in gebreke mocht blijven met het overleggen van deze lijst, de dwangsommen maximerend tot €Euro 7.500,-;

Veroordeelt gedaagde in de kosten van het geding aan de zijde van eiseres gevallen, tot aan deze uitspraak begroot op een bedrag van €Euro 973,56, waarvan Euro€ 193,- wegens verschuldigd vast recht, Euro€ 703,- voor salaris procureur en

Euro€ 77,56 aan explootkosten;

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. A.M. Adelmeijer, voorzieningenrechter, en bij ontstentenis van deze uitgesproken door mr. P.E. de Kort ter openbare terechtzitting in het bijzijn van de griffier.

RQ