Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2002:AF2585

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
05-12-2002
Datum publicatie
02-01-2003
Zaaknummer
74900
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis : 5 december 2002

Zaaknummer : 74900 / HA ZA 02-470

De rechtbank te Maastricht, enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van:

[J.H.],

wonende te [H.],

eiser,

procureur mr. J.K.M. Hensels;

tegen:

[M.H.],

wonende te [B.],

[Gedaagde],

procureur mr. S. Salvador Müller.

1. Het verloop van de procedure

Eiser, hierna te noemen "[H. jr.].", heeft [Gedaagde], hierna te noemen "[H. sr.].", gedagvaard voor deze rechtbank en gesteld en geconcludeerd als in die dagvaarding vermeld. [Gedaagde] heeft daarna onder het overleggen van producties geantwoord.

Op de voet van artikel 131 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is een comparitie na antwoord gelast. Van het verhandelde ter comparitie is proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt.

Tenslotte hebben partijen vonnis gevraagd op het rechtbankdossier. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1 [Eiser] heeft in 1981 van [Gedaagde], zijn vader, het pand [adres] gekocht. In het kader van de aankoop van dit pand had [Eiser] f 47.100,00 geleend van [[Gedaagde]]. Door de NV Provinciale Limburgse Elektriciteits-Maatschappij (PLEM) werd enige jaren daarna een naast het pand van [Eiser] gelegen driehoekig perceel grond te koop aangeboden. Dit perceel is toen door [Gedaagde] gekocht. In 1989 heeft [Gedaagde] vervolgens het betreffende perceel aan derden verkocht en geleverd.

2.2 [Eiser] stelt dat hij het betreffende perceel van de PLEM had willen kopen, maar dat hij op dat moment niet over de benodigde financiën beschikte. Volgens [Eiser] was hij toen met [Gedaagde] mondeling overeengekomen dat [Gedaagde] het perceel van de PLEM zou kopen en dat [Eiser] later - op het moment dat hij wel over voldoende geld beschikte - het perceel van [Gedaagde] zou kopen (deze afspraak wordt hierna ook "de optie-overeenkomst" genoemd). Door in 1989 het bedoelde perceel vervolgens niet aan hem te verkopen, noch dit perceel aan hem te koop aan te bieden, doch het perceel te verkopen aan derden, heeft [Gedaagde], aldus [Eiser], in strijd met de genoemde overeenkomst gehandeld. Volgens [Eiser] is [Gedaagde] derhalve toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van de overeenkomst en heeft hij schade geleden. Zijn schade bedraagt, zo stelt [Eiser], Euro€ 34.000,00, bestaande uit het gemis aan toename van de waarde van de onroerende zaak [adres]6, alsmede de waardedaling door het huidige gebruik c.q. het niet kunnen gebruiken van het betreffende perceel. Volgens [Eiser] heeft hij [Gedaagde] bij schrijven d.d. 17 september 2001 aansprakelijk gesteld voor deze geleden schade.

2.3 [Eiser] heeft op grond van het vorenstaande gevorderd dat [Gedaagde] bij vonnis, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zal worden veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan hem te betalen een bedrag van €

Euro 34.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 september 2001 tot aan de dag der algehele voldoening en met veroordeling van [Gedaagde] in de kosten van het geding.

2.4 [Gedaagde] voert verweer hetwelk - samengevat en voorzover thans van belang - het volgende inhoudt. [Gedaagde] betwist met [Eiser] de optie-overeenkomst te zijn overeengekomen. [Gedaagde] stelt verder dat het beweerdelijk vorderingsrecht van [Eiser] ex artikel 3:310 BW is verjaard. Hierbij merkt [Gedaagde] op dat [Eiser], gelet op de als productie 3 bij antwoord overgelegde verklaringen, in ieder geval op 10 mei 1993 ervan op de hoogte moet zijn geweest dat het perceel door [Gedaagde] aan derden was verkocht en dat [Gedaagde] pas bij brief d.d. 17 september 2001 door [Eiser] hiervoor aansprakelijk is gesteld. Meer subsidiair voert [Gedaagde] aan dat de beweerdelijke overeenkomst een schenking in de zin van artikel 1703 BW (oud) (het huidige artikel 7a:1703 BW) zou inhouden. [Gedaagde] acht, zo er al een overeenkomst met de door [Eiser] gestelde inhoud was gesloten, de overeenkomst op grond van artikel 1703 BW (oud) nietig, wegens het ontbreken van een notariële akte. Tenslotte stelt [Gedaagde] dat de beweerdelijk geleden schade op geen enkele manier is onderbouwd. [Gedaagde] betwist dan ook dat [Eiser] schade heeft geleden.

3. De beoordeling

3.1 De rechtbank zal om proceseconomische redenen eerst het beroep op verjaring beoordelen er stellenderwijs van uitgaande dat partijen de optie-overeenkomst hebben gesloten. De rechtsvordering van [Eiser] jegens [Gedaagde] tot vergoeding van schade verjaart op grond van het bepaalde in artikel 3:310, eerste lid BW door verloop van vijf jaren vanaf het tijdstip dat [Eiser] bekend was met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon, tenzij er op de voet van artikel 3:316 of 3:317 BW een rechtsgeldige stuitingshandeling heeft plaatsgevonden op grond waarvan de verjaringstermijn opnieuw is gaan lopen.

3.2 [Eiser] heeft gesteld dat de derden aan wie [Gedaagde] het betreffende perceel had verkocht hem daarvan omstreeks 1992 op de hoogte hadden gesteld. Op grond hiervan gaat de rechtbank ervan uit dat [Eiser] in ieder geval op 31 december 1992 bekend was met zowel de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon, zodat op dat moment de verjaringstermijn is gaan lopen.

3.3 Vervolgens is het de vraag of [Eiser] op enig moment na 31 december 1992 de verjaring heeft gestuit in de zin van artikel 3:316 of 317 BW. In dit kader heeft [Eiser] gesteld dat er vanaf 1993 tot 2000 een briefwisseling is geweest tussen de rechts-verzekeraar ARAG namens [Gedaagde] en de rechtsverzekeraar SRK namens [Eiser], waarin de terugvordering door [Gedaagde] van het door deze in 1981 aan [Eiser] geleende bedrag van f 47.100,00 centraal stond. Volgens [Eiser] heeft hij zich in het kader van deze briefwisseling op verrekening beroepen, in die zin dat hij een deel van het terug te betalen bedrag wilde verrekenen met de schade die hij had geleden wegens de schending van de optie-overeenkomst. Verder heeft [Eiser] nog gesteld dat hij [Gedaagde] bij brief d.d. 17 september 2001 heeft aangesproken voor de door hem in dit kader geleden schade.

3.4 De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat [Eiser] onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit zou kunnen blijken dat hij de verjaring van de onderhavige vordering tijdig heeft gestuit. Nog daargelaten of het beroep op verrekening in het kader van genoemde briefwisseling is aan te merken als een stuitingshandeling in de zin van artikel 3:317 BW - hetgeen [Eiser] niet expliciet heeft gesteld -, heeft [Eiser] in ieder geval nagelaten te stellen dat hij tussen 1993 en de sommatiebrief van 17 september 2001 een zodanige in de tijd gelegen stuitingshandeling heeft verricht waardoor er geen onafgebroken verjaringstermijn van vijf jaar heeft gelopen. De rechtbank is derhalve, gelet op artikel 3:310, eerste lid BW, van oordeel dat de vordering van [Eiser] is verjaard.

3.5 Het vorenoverwogene brengt met zich dat de vordering moet worden afgewezen en de overige verweren van [Gedaagde] geen bespreking meer behoeven. De rechtbank zal, gelet op de familierelatie van partijen, de proceskosten compenseren.

4. De uitspraak

De rechtbank:

wijst het gevorderde af;

compenseert de kosten van deze procedure aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. Sijmonsma, rechter, en ter openbare terechtzitting uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

MP