Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2002:AF2553

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
01-08-2002
Datum publicatie
24-12-2002
Zaaknummer
50064-HA ZA 99-780
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis : 1 augustus 2002

Rolnummer : 50064/HA ZA 99-780

De rechtbank Maastricht, meervoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[G.] B.V.,

gevestigd te Landgraaf,

eiseres,

procureur aanvankelijk mr. P.E.C.M. Dahmen, thans mr. J.J.M. Goumans,

advocaat mr. J.H. Meijer,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE PROVINCIE LIMBURG,

waarvan de zetel is gevestigd te Maastricht,

gedaagde,

procureur mr. Ch.M.E.M. Paulussen,

advocaat mr. A.R. Klijn.

1. Het verdere verloop van de procedure

1.1 Ter voldoening aan het tussenvonnis van 31 mei 2001 heeft [G. B.V.] een akte genomen.

1.2 Vervolgens is de zaak geschorst in verband met het door de Provincie tegen het tussenvonnis ingesteld hoger beroep bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Bij brief van 12 april 2002 heeft de procureur van [G. B.V.] de rolrechter bericht dat het hoger beroep inmiddels was ingetrokken en de beroepsprocedure geroyeerd.

1.3 Vervolgens heeft de Provincie een antwoordakte genomen.

1.4 Ten slotte hebben partijen wederom vonnis gevraagd op het rechtbankdossier. De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De verdere beoordeling

2.1 Bij voormeld tussenvonnis heeft de rechtbank mede op basis van de uitspraak van de Afdeling van 13 november 1989, G05891099, bij wijze van voorlopig oordeel overwogen dat geconcludeerd moet worden dat de Provincie de door [G. B.V.] gevraagde vergunning niet had mogen weigeren. Ter voldoening aan het tussenvonnis hebben partijen zich bij akte uitgelaten over bedoelde uitspraak van de Afdeling en over de betekenis daarvan voor de onderhavige zaak.

2.2 [G. B.V.] heeft aangegeven het voorlopig oordeel van de rechtbank te onderschrijven en heeft daarbij gewezen op de grote overeenkomsten tussen het aan de Afdeling voorgelegde geval en de onderhavige casus.

2.3 De Provincie heeft in haar akte aangevoerd dat de uitspraak van de Afdeling niets nieuws brengt en dat daaruit niet volgt dat er geen andere weigeringsgronden zouden zijn dan doelmatigheid. Volgens de Provincie zouden in het onderhavige geval de "mogelijke" andere weigeringsgronden "vermoedelijk" hebben gelegen in kwesties als "transport/geluid/trillingen".

2.4 De rechtbank blijft bij haar voorlopig oordeel zoals neergelegd in rechtsoverweging 3.8 van het tussenvonnis, welk voorlopig oordeel geen van partijen heeft bestreden, dat uit de uitspraak van de Afdeling volgt dat, bij gebreke van een uitwerking van het doelmatigheidscriterium in het PAP I, de doelmatigheid in het onderhavige geval geen grond kón vormen voor weigering van de vergunning. Gelet daarop, alsmede gelet op het onder 3.9 van het tussenvonnis overwogene, volhardt de rechtbank in haar reeds voorlopig gegeven oordeel dat de Provincie de gevraagde vergunning niet had mogen weigeren. In dit verband merkt de rechtbank op dat zij geen aanleiding ziet terug te komen op haar vaststelling in rechtsoverweging 3.9 van het tussenvonnis dat gesteld noch gebleken is dat vergunningverlening (volgens de Provincie) op andere dan doelmatigheidsgronden had kunnen en moeten worden geweigerd. De door [G. B.V.] bij haar akte overgelegde pleitnotitie van Gedeputeerde Staten van Limburg ten behoeve van de zitting van de Afdeling van 13 augustus 1991 biedt steun aan deze vaststelling, terwijl hetgeen de Provincie in haar akte heeft aangevoerd over mogelijke andere weigeringsgronden weinig stellig en weinig specifiek is. Nog immer heeft de Provincie niet concreet aangegeven op welke andere weigeringsgrond dan de doelmatigheid zij de vergunning geweigerd zou (moeten) hebben.

2.5 Conclusie is derhalve dat de Provincie [G. B.V.] de door haar gevraagde vergunning niet had mogen weigeren. Het is mogelijk dat [G. B.V.], zoals zij stelt en de Provincie betwist, als gevolg van de onterechte weigering van de vergunning bedrijfsschade ([G. B.V.] spreekt van "gederfde omzet" en "omzetverlies") heeft geleden. Het bestaan van die mogelijkheid is reeds voldoende om [G. B.V.] ook ten aanzien van deze gestelde schadeposten (naast die van de kosten van juridische bijstand) toe te laten tot de schadestaatprocedure.

2.6 [G. B.V.] verzoekt een verklaring voor recht dat de Provincie jegens haar "(op grond van onrechtmatige daad) aansprakelijk is voor de schadeposten als genoemd onder punt 16 van de dagvaarding (gederfde omzet, omzetverlies en kosten juridische bijstand)". De rechtbank zal dit verzoek toewijzen als in het dictum vermeld. De door [G. B.V.] genoemde schadeposten "gederfde omzet" en "omzetverlies" zullen niet in de verklaring voor recht worden opgenomen, aangezien het bestaan daarvan door de Provincie wordt betwist en de rechtbank vooralsnog niet duidelijk is waarop [G. B.V.] met deze begrippen precies doelt. In de schadestaatprocedure zal dienen te worden vastgesteld of en in hoeverre hier sprake is van schade. De door [G. B.V.] genoemde schadepost van de kosten van juridische bijstand zal, gelet op het bij het tussenvonnis onder 3.4 overwogene, wel in de verklaring voor recht worden opgenomen.

2.7 Gezien het voorgaande zal de primair door [G. B.V.] gevraagde verklaring voor recht, zij het in enigszins gewijzigde vorm, worden toegewezen. De Provincie zal worden veroordeeld tot vergoeding van de door haar onrechtmatig handelen veroorzaakte schade, op te maken bij staat.

2.8 Gelet op het bepaalde in artikel 6:119 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek en gelet op de data van de vernietigde besluiten, zal de Provincie worden veroordeeld [G. B.V.] de wettelijke rente te vergoeden vanaf de eerste in haar petitum genoemde datum, zijnde 17 december 1992. Het verweer van de Provincie dat [G. B.V.] te lang heeft gedraald met het instellen van de onderhavige vordering en de wettelijke rente daarom eerst vanaf de dag der dagvaarding kan worden toegewezen, wordt verworpen, nu dat verweer geen steun vindt in het recht.

2.9 De Provincie zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij de kosten van deze procedure moeten dragen.

3. De uitspraak

De rechtbank:

verklaart voor recht dat de Provincie door haar weigering van 14 oktober 1986 om een beschikking te geven en door haar weigering van 6 juni 1989 om de door [G. B.V.] gevraagde vergunning te verlenen, onrechtmatig jegens [G. B.V.] heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de dientengevolge door [G. B.V.] geleden schade, onder meer ter zake van gemaakte kosten van juridische bijstand;

veroordeelt de Provincie tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [G. B.V.] te vergoeden de door [G. B.V.] als gevolg van bedoeld onrechtmatig handelen geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 december 1992 tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de Provincie in de kosten van de procedure, aan de zijde van [G. B.V.] tot op heden begroot op €Euro 33,28 aan kosten dagvaarding, €Euro 181,51 aan griffierecht en Euro€ 1.756,13 voor salaris procureur;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mrs. Sijmonsma, Laumen en De Kort, rechters, en ter openbare terechtzitting van 1 augustus 2002 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.