Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2002:AF2542

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
15-05-2002
Datum publicatie
24-12-2002
Zaaknummer
74349 / HA ZA 02-135
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Zaaknummer: 74349/ KG ZA 02-135

Datum uitspraak: 15 mei 2002

VONNIS IN HET KORT GEDING VAN:

de stichting MONDRIAAN ZORGGROEP,

gevestigd te Heerlen,

eiseres,

procureur mr. I.C.P.Th.M. Bakers;

tegen:

[P.] [B.],

wonende te Hoensbroek,

gedaagde,

procureur mr. drs. N.Th.G. Keulers.

1. Het verloop van de procedure

Eiseres, hierna te noemen "de Stichting", heeft gedaagde, hierna te noemen "[B.]" doen dagvaarden in kort geding en ten dienende dage, 1 mei 2002, gesteld en gevorderd overeenkomstig de inhoud van die dagvaarding. Vervolgens heeft zij haar vordering nader doen toelichten, daarbij verwijzend naar de op voorhand toegezonden en de ter zitting overgelegde producties.

[B.] heeft daarop verweer gevoerd aan de hand van een pleitnota.

Partijen hebben vervolgens over en weer op elkaars stellingen gereageerd, waarna zij vonnis hebben gevraagd op het rechtbankdossier. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1 De Stichting exploiteert op meerdere locaties, naast een psychiatrisch ziekenhuis, units voor ambulante geestelijke gezondheidszorg. Zij heeft daartoe een aantal ontmoetingscentra geopend waar ambulante psychiatrische patiënten worden verzorgd, begeleid en overigens worden opgevangen. De Stichting heeft onder andere ontmoetingscentra in Kerkrade, Brunssum en Heerlen.

2.2 [B.], thans dertig jaar oud, is sinds jaren cliënt van de Stichting. Als zodanig was hij een regelmatig bezoeker van de drie voormelde ontmoetingscentra.

2.3 Op vordering van de Stichting heeft de president van deze rechtbank bij vonnis in kort geding van 24 juli 2001 [B.] verboden zich gedurende een periode van zes maanden na betekening van het vonnis te bevinden dan wel op te houden in de directe omgeving van de Ontmoetingscentra te Kerkrade, Brunssum en Heerlen, zich te bevinden in de lokalen, dan wel op de terreinen van de Stichting, anders dan op schriftelijke afspraak of uitnodiging in het kader van een behandeling, alsmede om contact te zoeken of onderhouden met haar medewerkers [K. en D. ], het een en ander op straffe van een dwangsom van f 1.000,- voor elke overtreding van die verboden, met een maximum van f 25.000,-.

Voor de aard en omvang van de gedragingen van [B.] die aanleiding hebben gegeven tot dit verbod wordt verwezen naar hetgeen daaromtrent in genoemd vonnis is overwogen.

2.4 [B.] heeft de verboden herhaaldelijk overtreden. De Stichting heeft voor de verbeurde dwangsommen executoriaal beslag doen leggen op [B.] WAO-uitkering en auto. Die laatste is door [B.] eigenmachtig aan het beslag onttrokken.

2.5 Bij vonnis van de politierechter van 24 augustus 2001 is [B.] veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken wegens, kort gezegd, jegens de Stichting gepleegde huisvredebreuk en vernieling. Dit vonnis is gevolgd door een ander vonnis van de politierechter waarbij [B.] voor vergelijkbare vergrijpen een week onvoorwaardelijk is opgelegd.

2.6 De Stichting stelt dat [B.] zich niets heeft aangetrokken van voornoemd kort geding-vonnis en zich ondanks dat vonnis en de aan de verboden verbonden dwangsom zeer frequent heeft opgehouden in voor hem verboden omgevingen en tevens in strijd heeft gehandeld met het contactverbod. Vanwege deze gedragingen van [B.], met name zijn voortdurend binnendringen in de centra en daar op dreigende wijze binnen blijven, wordt het werken in die centra volgens de Stichting (bijna) onmogelijk en zijn de andere ambulante patiënten/bezoekers angstig gemaakt. De Stichting stelt dat sluiting van de centra weer zeer dichtbij komt en stelt belang te hebben bij een hernieuwd verbod, thans uitvoerbaar bij lijfsdwang.

2.7 De Stichting heeft op grond van het vorenstaande gevorderd dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [B.] verbiedt om gedurende een periode van vijf jaar na betekening van het te wijzen vonnis:

a) zich te bevinden dan wel op te houden in de directe omgeving van het Ontmoetingscentrum te Kerkrade, gelegen aan [adres] welk gebied wordt begrensd door de Akerstraat, Elbereveldstraat en Graverstraat;

b) zich te bevinden dan wel op te houden in de directe omgeving van het Ontmoetingscentrum te Brunssum, gelegen aan [adres], welk gebied wordt begrensd door de Wilhelminastraat, Julianastraat, Tegelstraat en Willem Alexanderstraat;

c) zich te bevinden dan wel op te houden in de directe omgeving van het Ontmoetingscentrum te Heerlen, gelegen aan [adres], welk gebied wordt begrensd door de Looierstraat, Pater Beatusstraat, Eikenderweg en de Heugden;

d) zich te bevinden in de lokalen, dan wel op de terreinen van de Mondriaan Zorggroep, anders dan op schriftelijke afspraak of uitnodiging in het kader van een behandeling;

e) contact met de medewerkers [K. en D.] van de Mondriaan Zorggroep te zoeken of te onderhouden, waaronder begrepen (doch niet uitsluitend):

1 het (doen) telefoneren met deze medewerkers rechtstreeks dan wel via de telefooninstallatie van de Mondriaan Zorggroep of één van haar locaties, dan wel via de telefooninstallatie van hun woonadressen, dan wel via enig mobiel telefoonnummer;

2 het (doen) corresponderen met voornoemde medewerkers rechtstreeks of indirect via een familielid of via de Mondriaan Zorggroep of aan hun woonadressen;

3 het (doen) volgen en/of schaduwen van genoemde werknemers;

f) het een en ander op straffe van een dwangsom van €Euro 500,-- voor elke overtreding van de hiervoor gegeven verboden, met een maximum van Euro€ 12.500,-- en met machtiging op de Stichting om de verboden zo nodig en waar mogelijk te doen naleven met behulp van de sterke arm; tevens de Stichting verlof te verlenen het vonnis ten uitvoer te leggen bij lijfsdwang en deswege [B.] in gijzeling te doen stellen totdat de verbeurde dwangsom met een maximum van Euro 12.500,--, alsmede alle te dezen reeds gevallen en nog te vallen kosten zullen zijn voldaan, één en ander voor de tijd van ten hoogte zes maanden;

het een en ander met veroordeling van [B.] in de kosten van de procedure, die van de betekening van onderhavige vonnis, alsmede van het in gijzeling doen stellen van [B.] daaronder begrepen.

2.8 De vordering wordt door [B.] weersproken, waartoe wordt verwezen naar diens pleitnotitie en het verhandelde ter zitting.

3. De beoordeling

3.1 Bij meergenoemd kort geding-vonnis van 24 juli 2001 is geoordeeld dat de aard van de gedragingen van [B.] (waaronder de bedreigingen van medewerkers van de Stichting), de duur en de gevolgen daarvan (sluiting van twee centra gedurende een drietal weken), zodanig ernstig waren dat ook van een instelling als de Stichting niet gevergd kon worden dat zij deze voor lief bleef nemen. Op die grond heeft de president het door de Stichting gevorderde straat- en contactverbod toegewezen, versterkt met een dwangsom. Het tevens door de Stichting gevorderde dwangmiddel van lijfsdwang oordeelde de president voorshands te ingrijpend en, mede gelet op de ter zitting gemaakte afspraken, voorbarig.

3.2 Naar tussen partijen vaststaat, heeft [B.] het hem opgelegde straatverbod vele malen overtreden door, tegen de wens van de Stichting in, de ontmoetingscentra te Kerkrade, Brunssum en Heerlen te betreden. In dit verband heeft de Stichting verwezen naar een aantal door haar overgelegde verklaringen van haar medewerkers en processen-verbaal opgemaakt naar aanleiding van haar aangiftes bij de politie van huis/lokaalvredebreuk, waaruit het beeld rijst dat [B.] er veelal pas na (dreigende) politie-interventie toe is te bewegen de centra te verlaten. De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat [B.]' onwenselijk geachte aanwezigheid in de centra spanningen meebrengt, die een nadelige weerslag hebben op andere bezoekers en medewerkers van die centra. Mede in het licht van de eerdere problemen die de Stichting met [B.] heeft ondervonden, rechtvaardigen deze gedragingen naar het oordeel van de voorzieningenrechter een nieuw verbod aan [B.] om zich in of in de omgeving van de ontmoetingscentra te bevinden. Dit geldt ook indien [B.]' stelling voor juist wordt gehouden dat de door hem sedert het vorige kort geding in de centra veroorzaakte overlast veel geringer is dan voordien.

3.3 Gelet op het voorgaande zal het gevorderde straatverbod, enigszins gewijzigd, worden toegewezen. De voorzieningenrechter neemt daarbij mede in aanmerking dat, naar de Stichting ter zitting onbetwist heeft aangevoerd, psychiatrisch onderzoek heeft uitgewezen dat bij [B.] geen sprake is van een psychiatrisch ziektebeeld maar van een gedragspatroon, en dat zij heeft getracht alternatieve oplossingen te vinden, onder andere door [B.] deeltijdtherapie en een arbeidsonderzoek aan te bieden, maar dat haar pogingen zijn gestrand op onvoldoende medewerking van [B.]. Tevens neemt de voorzieningenrechter in aanmerking de omstandigheden dat de Stichting zich bereid heeft verklaard [B.] de poliklinische en psychiatrische zorg te blijven verlenen die hij nodig heeft en dat voor [B.] mogelijkheden aanwezig moeten worden geacht, bijvoorbeeld in de vorm van het door partijen ter zitting genoemde Open Huis te Heerlen, om het gemis aan contacten met andere bezoekers van de ontmoetingscentra van de Stichting enigszins te compenseren.

3.4 De duur van het verbod zal de voorzieningenrechter beperken tot een jaar, nu dit meer recht doet aan het voorlopige karakter van deze voorziening en het bovendien in het belang van [B.] moet worden geacht dat binnen afzienbare termijn opnieuw zal kunnen worden beoordeeld of hij weer tot de centra kan worden toegelaten.

3.5 De Stichting heeft gevorderd aan de gevorderde verboden de dwangmiddelen van dwangsom en lijfsdwang te verbinden. Gebleken is dat de bij het vorige kort geding-vonnis aan de verboden verbonden dwangsommen en de door de Stichting terzake getroffen executiemaatregelen [B.] er niet van hebben kunnen weerhouden deze verboden te overtreden. Gelet daarop, alsmede gelet op de omstandigheid dat [B.] nauwelijks verhaal lijkt te bieden voor de reeds verbeurde dwangsommen, acht de voorzieningenrechter het niet zinvol thans wederom een dwangsom toe te wijzen. Diezelfde omstandigheden rechtvaardigen echter wel dat thans, anders dan bij het vorige kort geding, het dwangmiddel van lijfsdwang wordt toegestaan, zulks als het uiterste middel om [B.] ertoe aan te zetten zijn gedragspatroon te wijzigen en het vonnis na te leven. De duur van elke afzonderlijke gijzeling zal de voorzieningenrechter beperken tot maximaal 24 uur per tijdvak van 8 uren waarin een of meer van de toe te wijzen verboden overtreden zijn.

3.6 De Stichting heeft voorts een nieuw verbod aan [B.] gevorderd om, kort gezegd, contact te zoeken met haar medewerkers [K. en D. ]. Daartoe heeft zij aangevoerd dat [B.] het bij meergenoemd kort geding-vonnis opgelegde contactverbod meermalen heeft overtreden. Uit het door haar overgelegde overzicht van overtredingen maakt de voorzieningenrechter op dat het gaat om drie telefoongesprekken in september en november 2001 met [D.], een of twee in oktober 2001 aan [K.] gerichte brieven en een in december 2001 aan [K.] gerichte nieuwjaarswens. De nieuwjaarswens heeft de Stichting in kopie overgelegd; met betrekking tot de inhoud van de telefoongesprekken en brieven heeft de Stichting geen bijzonderheden vermeld. De voorzieningenrechter acht hetgeen de Stichting aan haar vordering tot een nieuw contactverbod ten grondslag heeft gelegd onvoldoende voor toewijzing daarvan. Het enkele feit dat de gesprekken en brieven evenzovele overtredingen zijn van het eerder gegeven verbod, brengt niet met zich dat een nieuw verbod op zijn plaats is. Integendeel heeft het er alle schijn van dat [B.], althans vanaf december 2001, er niet langer toe neigt [K. en D. ] lastig te vallen. In dit verband heeft [B.] ter zitting opgemerkt dat zijn obsessieve verliefdheid voor eerstgenoemde waarvan eerder sprake was, tot het verleden behoort.

Het gevorderde contactverbod zal dan ook worden afgewezen.

3.7 [B.] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure worden veroordeeld.

4. De uitspraak

De voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht:

recht doende in kort geding:

verbiedt [B.] om gedurende een periode van een jaar na betekening van dit vonnis, anders dan op schriftelijke afspraak met of uitnodiging door de Stichting:

a) zich te bevinden in de directe omgeving van het Ontmoetingscentrum te Kerkrade, gelegen aan [adres] welk gebied wordt begrensd door de Akerstraat, Elbereveldstraat en Graverstraat;

b) zich te bevinden in de directe omgeving van het Ontmoetingscentrum te Brunssum, gelegen aan [adres], welk gebied wordt begrensd door de Wilhelminastraat, Julianastraat, Tegelstraat en Willem Alexanderstraat;

c) zich te bevinden in de directe omgeving van het Ontmoetingscentrum te Heerlen, gelegen aan [adres], welk gebied wordt begrensd door de Looierstraat, Pater Beatusstraat, Eikenderweg en de Heugden;

d) zich te bevinden in de lokalen dan wel op de terreinen van de Stichting;

verleent de Stichting machtiging om jegens [B.] per tijdvak van 8 uren waarin door hem een of meer van voormelde verboden overtreden zijn, steeds maximaal 24 uur lijfsdwang toe te passen;

verleent de Stichting machtiging om voormelde verboden zo nodig en waar mogelijk te doen naleven met behulp van de sterke arm;

verstaat dat de Stichting de kosten welke zij in verband met de eventuele tenuitvoerlegging van de lijfsdwang verschuldigd zal zijn, op [B.] kan verhalen;

veroordeelt [B.] in de proceskosten, tot aan dit vonnis aan de zijde van de Stichting begroot op €Euro 77,56 aan explootkosten, Euro€ 193,76 aan vastrecht en Euro€ 703,36 voor salaris procureur;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. De Kort, voorzieningenrechter, en ter openbare terechtzitting van 15 mei 2002 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

EvdS