Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2002:AF2296

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
20-12-2002
Datum publicatie
20-12-2002
Zaaknummer
79585
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE MAASTRICHT

Zaaknummer : 79585 / KG ZA 02-446

Datum uitspraak : 20 december 2002

VONNIS IN HET KORT GEDING VAN:

1. [P.] [L.],

en

2. [C.] [B.],

beiden wonende te [B.],

eisers bij exploot van dagvaarding in kort geding van 29 november 2002,

procureur: mr. R.J.H. Vlecken,

tegen:

1. [J.] [M.],

en

2. [D.] [M.],

beiden wonende te [H.],

gedaagden,

procureur: mr. M.C.G. Nijssen.

1. Het verloop van de procedure

1.1 Eisers hebben gedaagden gedagvaard in kort geding en ten dienende dage, 6 december 2002, gesteld en gevorderd overeenkomstig de inhoud van de dagvaarding. Ter zitting hebben zij het een en ander aan de hand van pleitnotities nader doen toelichten. Daarbij is verwezen naar op voorhand ingezonden producties.

1.2 Gedaagden hebben, eveneens met gebruikmaking van een pleitnotitie en onder verwijzing naar op voorhand ingezonden producties, verweer gevoerd.

1.3 Eisers hebben gerepliceerd en gedaagden hebben gedupliceerd.

1.4 Ten slotte hebben partijen om vonnis gevraagd. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1 Eisers hebben als verkopers met gedaagden als kopers op 6 september 2002 een (op 10 september 2002 schriftelijk vastgelegde) koopovereenkomst gesloten met betrekking tot "het tussengelegen woonhuis met achteraanbouw, ondergrond, bergingen, tuin en verdere aanhorigheden", staande en gelegen te [adres]. De koopprijs bedroeg €euro 173.000,- k.k.. Levering van het pand zou uiterlijk 25 oktober 2002 geschieden.

2.2 Naast het voormelde pand is een hoekpand gelegen waarin een café wordt geëxploiteerd. De panden (het verkochte en het café) zijn aaneengebouwd.

2.3 Bij brief van 7 oktober 2002 van hun rechtsbijstandsverzekeraar aan gedaagden hebben eisers doen weten de gesloten koopovereenkomst buitengerechtelijk (lees:) te vernietigen (en zich mitsdien van hun afnameplicht ontslagen te achten).

2.4 De reden daarvoor is gelegen in het feit, zeer kort gezegd, dat eisers' makelaar bij twee bezichtingen van de woning op 24 juli en 20 augustus 2002 op de vraag van gedaagden resp. hun makelaar of het naastgelegen café voor overlast zorgt, (in de optiek van gedaagden nu: geheel ten onrechte) heeft geantwoord dat dat niet het geval was en er sprake zou zijn van "een rustig dorpscafé" (of woorden van die strekking). Nu zij mede door die mededeling zijn bewogen tot aankoop over te gaan, menen gedaagden aldus in dwaling te zijn gebracht.

2.5 In de kern stellende dat er van de gestelde overlast niet of nauwelijks sprake is hebben eisers gedaagden (vruchteloos) gesommeerd de overeenkomst na te komen en vervolgens in dit geding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot afname en betaling van de onroerende zaak aan [adres], uiterlijk 28 november 2002, dan wel binnen een in goede justitie door de voorzieningenrechter te bepalen termijn, zulks op straffe van een dwangsom van €euro 500,- per dag tot een maximum van euro 17.300,-, voor iedere dag dat gedaagden in gebreke blijven uitvoering te geven aan het gewezen vonnis in dezen;

II. te bepalen dat, indien gedaagden niet binnen de onder I bedoelde termijn aan afname hebben meegewerkt en niet aan eisers hebben betaald, het in deze zaak te wijzen vonnis, na ommekomst van de onder I bedoelde termijn en na betekening van het vonnis aan gedaagden, als bedoeld in atikel 3: 300 BW dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte van gedaagden strekkende tot afname van de gekochte woning en gedaagden te veroordelen tot betaling van de koopsom;

III. gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de kosten dezes.

2.6 Gedaagden hebben gemotiveerd verweer gevoerd.

3. De beoordeling

3.1 De contractuele relatie van partijen brengt reeds een voldoende spoedeisend belang bij de tot nakoming daarvan strekkende voorzieningen met zich.

3.2 Ofschoon (met name) gedaagden niet hebben geschroomd het feitelijk substraat en de daaruit op vele onderdelen getrokken juridische consequenties in deze zaak breedvoerig voor het voetlicht te brengen, moet reeds aanstonds worden geoordeeld dat zich in deze casus slechts één werkelijk relevante vraag opdringt: kan een beroep op artikel 6: 228 lid 1 onder a BW doel treffen.

3.3 In het voetspoor van deze bepaling valt reeds a prima vista op dat eisers niet hebben betwist dat een eventuele overlastproblematiek bij de aankoopbeslissing van gedaagden een wezenlijke rol heeft gespeeld. Los van het feit dat een andere opvatting zich ook niet gemakkelijk laat denken, zal er in deze zaak dus van worden uitgegaan dat het hiermee voor gedaagden om belangwekkende informatie ging.

3.4 Bij deze stand van zaken laat het zo-even aangesneden vraagstuk zich eenvoudig herleiden tot de vraag of er sprake is geweest van een (aan eisers toe te rekenen) onjuiste mededeling van eisers' makelaar, of, nog weer anders gezegd: of het litigieuze café voor overlast van de door gedaagden gestelde omvang zorgt. Luidt het antwoord op deze vraag niet eenduidig ontkennend, dan is het door gedaagden in stelling gebrachte verweer in het bestek van dit geding succesvol.

3.5 Neemt men in aanmerking dat de exploitant van genoemd café (vide prod. 8 gedaagden) zelf (al) verklaart dat er sinds hij in maart 2002 de exploitatie heeft overgenomen geen sprake meer is van een rustig dorpscafé en in het weekend tot diep in de nacht muziek wordt gedraaid, en slaat men bovendien acht op het feit dat in de loop der jaren een reeks van klachten over geluidshinder bij gemeente en politie is gedeponeerd, die, zoals ter zitting erkend, deels van eisers afkomstig zijn (de laatste dateert van juli 2002), dan levert dit terstond het vermoeden op dat er van de nodige overlast van het café inderdaad sprake is.

3.6 Of eisers dit vermoeden in een (eventuele) bodemprocedure genoegzaam zullen kunnen ontzenuwen, valt af te wachten. Hoe dit zij, in het bestek van dit geding is in ieder geval voldoende aannemelijk geworden dat het op dwaling geënte betoog kan slagen.

3.7 Bij die stand van zaken moeten de voorzieningen worden geweigerd.

3.8 Als in het ongelijk gestelde partij zullen eisers worden veroordeeld in de kosten van het geding.

4. Uitspraak

De voorzieningenrechter van de rechtbank te Maastricht;

RECHT DOENDE in kort geding:

Weigert de gevraagde voorzieningen;

Veroordeelt eisers in de kosten van het geding, aan de zijde van gedaagden gerezen, tot aan deze uitspraak begroot op een bedrag van euro 896,-, waarvan euro€ 193,- wegens verschuldigd vast recht en euro€ 703,- voor salaris procureur;

Verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. P.P. Lampe, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting in het bijzin van de griffier.

RQ