Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2002:AF2294

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
19-12-2002
Datum publicatie
20-12-2002
Zaaknummer
68693/haza 01-849
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2003, 14
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis : 19 december 2002

Zaaknummer : 68693 / HA ZA 01-849

De rechtbank te Maastricht, enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van:

[EISER (MAN)],

wonende te [B.],

eiser,

procureur mr. P.J.H.C. Glenz;

tegen:

[gedaagde (vrouw)]

wonende te [L.],

gedaagde,

procureur mr. S.G.L. Bremen (toevoeging).

1. Het verloop van de procedure

Eiser, hierna te noemen "de man", heeft bij naar de dagvaarding verwijzende conclusie van eis gesteld en geconcludeerd voor eis overeenkomstig de inhoud van die dagvaarding. Bij conclusie van eis zijn producties overgelegd. Gedaagde, hierna te noemen "de vrouw", heeft daarna onder het overleggen van producties geantwoord.

Op de voet van artikel 141a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (oud) is een comparitie na antwoord gelast. Van het verhandelde ter comparitie is proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt.

De man heeft daarop gerepliceerd, zulks onder overlegging van producties. De vrouw heeft geconcludeerd voor dupliek, waarbij nog een productie in het geding is gebracht.

Ten slotte hebben partijen gevraagd recht op de stukken te doen. De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. Het geschil en de vordering

2.1

Partijen zijn op [datum huwelijk] in [L.] met elkaar gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. Bij beschikking van deze rechtbank van 15 juni 2000 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is vervolgens op 3 augustus 2000 in de registers van de burgerlijke stand te [L.] ingeschreven.

2.2

Partijen hebben voorafgaande aan de echtscheiding de gevolgen daarvan bij convenant geregeld. Dit ongedateerde maar wel door beide partijen ondertekende en op elke pagina door partijen geparafeerde convenant is opgesteld door de procureur van de vrouw. Daarin is in artikel 1 bepaald dat tot de gemeenschap van partijen horen de:

1. de door partijen in februari 2000 aangeschafte echtelijke woning gelegen aan de [adres];

2. de op de woning drukkende hypothecaire lening van fl. 308.000,--;

3. de inboedel, partijen voldoende bekend;

4. belastingteruggave over de jaren 1999 en 2000;

5. een lening, groot fl. 20.000,--.

Vervolgens zijn partijen blijkens het convenant overeengekomen dat van de genoemde inboedel aan de vrouw werden toegescheiden de roerende zaken als vermeld op de aan het convenant gehechte bijlage 1. en dat aan de man wordt toegescheiden:

a. de onroerende zaak, staande en gelegen te Landgraaf aan de Steengang 33;

b. de hypothecaire schuld ten bedrage van pro resto fl. 308.000,--. De man zal de aflossing geheel voor zijn rekening nemen en de vrouw ter zake geheel en al vrijwaren;

c. de inboedel, zoals vermeld op bijlage 2, gevoegd bij dit convenant;

d. de belastingteruggave over de jaren 1999 en 2000;

e. de lening, groot fl. 20.000,--. De man zal de aflossing geheel voor zijn rekening nemen en de vrouw ter zake geheel en al vrijwaren.

2.3

De echtelijke woning is op 28 juli 2000 verkocht voor de somma van (inclusief de verrekende zakelijke lasten en waterschapslasten) fl. 260.179,47. De man heeft de bij aanschaf van deze woning met een aanschafwaarde in februari 2000 van fl. 265.000,--, betaalde overdrachtsbelasting ad fl. 15.900,-- tengevolge van deze transactie terugontvangen. Inclusief de kosten koper hebben partijen begin februari 2000 een bedrag van fl. 284.489,-- voor deze woning betaald.

Ter financiering van deze aanschaf hebben partijen een hypotheek gesloten ter waarde van fl. 308.000,--.

De man heeft na verkoop van de woning de op de woning drukkende hypotheek afgelost onder bijbetaling van fl. 37.739,76. Daarnaast heeft de man de hierboven onder 2.2 sub 5, respectievelijk sub e genoemde lening afgelost.

2.4

De man heeft op grond van het vorenstaande gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het genoemde echtscheidingsconvenant te vernietigen en de vrouw te veroordelen om aan eiser uit hoofde van onverschuldigde betaling te betalen de somma van fl. 31.933,75, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van dagvaarden tot aan de dag der algehele voldoening, kosten rechtens.

Ter onderbouwing stelt de man dat hij het convenant onder grote druk van de vrouw heeft ondertekend en dat hij zich toen tengevolge van de echtscheiding en daarmee samenhangende problemen in een emotionele crisis bevond, waardoor de man niet in staat was als weldenkend en normaal persoon te handelen en zijn wil ten tijde van de ondertekening van het convenant gebrekkig was.

De man voert verder aan dat er sprake was van misbruik van omstandigheden en dat hij ten aanzien van de inhoud van het convenant heeft gedwaald.

Nu hij de hypothecaire lening alsook het doorlopend krediet heeft afgelost en daarnaast nog de roodstand op de rekening-courant heeft aangezuiverd en de bij de verkoop van de woning in rekening gebrachte courtagekosten ad

fl. 5.040,75 heeft voldaan, dient de vrouw hem de helft van deze posten te vergoeden alsmede te participeren in de helft van het op de verkoop van de woning geleden verlies. Een en ander levert in totaal het gevorderde bedrag van fl. 31.933,75

(€ 14.490,90) op.

De vrouw voert verweer hetwelk - samengevat en voor zover thans van belang - inhoudt dat het op 7 april 2000 door partijen ondertekende convenant tot stand is gekomen nadat partijen de echtscheiding en de gevolgen daarvan hebben besproken met de huidige procureur van de vrouw. Toen al hebben partijen duidelijk aangegeven hoe zij de verdeling van de huwelijksgemeenschap geregeld wensten te zien. De procureur heeft partijen op 14 maart 2000 een concept van het convenant doen toekomen. Bij brief van 16 maart 2000 heeft de man gereageerd en heeft hij in die brief aangegeven dat hij vergeten had mededeling te doen van de lening van fl. 20.000,--, die bedoeld was voor het verbeteren en renoveren van de in februari 2000 aangeschafte woning en dat hij, nu partijen de echtscheiding gingen entameren, die lening zelf zou betalen en de vrouw ter zake deze lening wenste te vrijwaren.

Nu de man niet aanstonds na ontvangst van het concept bedenkingen tegen de daarin opgenomen verdeling heeft aangevoerd, zulks ook niet heeft gedaan na zijn opmerkingen naar de concipiënt ervan toe en het, naar aanleiding van zijn opmerkingen aangepaste convenant vervolgens, na circa drie weken, op 7 april 2000 heeft ondertekend, vloeit volgens de vrouw uit dit alles voort dat er geen sprake kan zijn van het onder grote druk hebben moeten ondertekenen van het convenant. Hij heeft immers drie weken bedenktijd gehad dan wel genomen.

De vrouw betwist ook dat de man omtrent de inhoud van het convenant en of omtrent de waarde van de te verdelen vermogensbestanddelen heeft gedwaald en dat zij misbruik van omstandigheden zou hebben gemaakt waardoor de man bewogen zou zijn om het convenant te ondertekenen.

De vrouw merkt bovendien op dat de man in het convenant afstand van het recht heeft gedaan om ontbinding van het convenant te vorderen, zodat de vordering alleen al om die reden afgewezen moet worden.

3. De beoordeling

3.1

Op grond van de stelling van de man dat hij bij de verdeling van de huwelijksgemeenschap van partijen voor meer dan een/vierde deel is benadeeld, moet aan de hand van het bepaalde in artikel 3:196 BW worden vastgesteld of zulks in deze zaak het geval is. Dit artikel bepaalt in lid 1 dat een verdeling vernietigbaar is wanneer een deelgenoot omtrent de waarde van een of meer der te verdelen goederen en schulden heeft gedwaald en daardoor voor meer dan een vierde gedeelte is benadeeld. Het tweede lid bevat een wettelijk vermoeden: wanneer een benadeling voor meer dan een vierde wordt bewezen, dan wordt de benadeelde vermoed te hebben gedwaald. Teneinde te beoordelen of benadeling heeft plaatsgehad, worden volgens het derde lid de goederen en schulden der gemeenschap geschat naar hun waarde op het tijdstip van verdeling.

Partijen hebben in de aanhef van hun, volgens de vrouw op 7 april 2000 ondertekende, echtscheidingconvenant opgenomen dat zij op [datum huwelijk] te [L.] met elkaar zijn gehuwd in algehele gemeenschap van goederen en dat zij voornemens zijn een verzoek tot echtscheiding in te dienen bij de arrondissementsrechtbank te Maastricht, vorderende echtscheiding op grond van duurzame ontwrichting van het huwelijk van partijen. In de aanhef stellen zij verder nog: 'dat partijen reeds nu vooralsdan hun vermogensrechtelijke betrekkingen op minnelijke wijze wensen te regelen'.

3.2

Naar het oordeel van de rechtbank hebben partijen met deze laatste bepaling aangegeven dat zij de omvang en de waarde van de gemeenschap hebben bepaald naar de datum dat zij dit convenant hebben ondertekend. Nu de man niet heeft weersproken dat dit volgens de vrouw op 7 april 2000 is gebeurd, zal de rechtbank deze datum aanhouden.

De rechtbank is voorts, met het oog op de in de aanhef opgenomen zojuist aangehaalde derde bepaling, van oordeel dat partijen de verdeling op dat moment hebben gerealiseerd, gelet op de door partijen in deze zaak ingenomen standpunten en gezien het feit dat het meest waardevolle vermogensbestanddeel, de echtelijke woning, reeds voor de formele ontbinding van het huwelijk is vervreemd.

3.3

Partijen hebben de echtelijke woning inclusief kosten koper voor de somma van fl. 284.489,-- aangeschaft. In die koopsom was een bedrag van fl. 15.900,-- aan overdrachtsbelasting verdisconteerd.

Volgens de vrouw heeft de man de woning op 28 juli 2000 verkocht voor de somma (inclusief verrekening van de zakelijke lasten) van fl. 260.179,47 en heeft hij, naar onweersproken stelling van de vrouw, de betaalde overdrachtsbelasting ad fl. 15.900,-- weer terugontvangen.

Deze transactie heeft derhalve een verlies opgeleverd van fl. 284.489,-- minus fl. 15.900,-- minus fl. 260.179,47 = fl. 8.409,53.

3.4

De vrouw heeft de stelling van de man betwist dat partijen samen aan makelaardij Offermans Verzekeringen en Vastgoed (verder: Offermans) de opdracht hebben vergund om de woning te verkopen Zij stelt dat partijen, om kosten te besparen er na het ondertekenen van het convenant van hebben afgezien om de woning formeel op naam van de man te zetten, de man dus alleen aan Offermans opdracht tot verkoop heeft gegeven en dat hij ook accoord is gegaan met het door Offermans voor de woning ontvangen bod, zodat zij alleen de koopovereenkomst mede heeft ondertekend, omdat zij nog in het kadaster te boek stond als mede-eigenaar.

De vrouw heeft deze stelling aan de hand van een schrijven van haar procureur van 18 mei 2000 aan Offermans onderbouwd. In genoemd schrijven staat vermeld dat partijen overeengekomen zijn dat de woning aan de man wordt toebedeeld en dat het de man in dit kader vrijstaat de woning te verkopen en daartoe opdracht te geven. Nu de procureur verder in die brief schrijft: 'volledigheidshalve attendeer ik u er evenwel op dat de vrouw de feitelijke levering (notarieel transport) wel moet tekenen, enerzijds omdat het de echtelijke woning betreft en anderzijds omdat zij strikt juridisch gezien nog mede-eigenaar is', moet er voor deze procedure vanuit gegaan worden dat de man vanaf de ondertekening van het convenant de economische eigenaar was van de woning en daaromtrent feitelijk kon beslissen naar eigen inzicht.

Uit dit een en ander vloeit allereerst voort dat, gezien het feit dat partijen de woning in februari 2000 hebben aangekocht, de man omtrent de waarde van de woning in de onderhandelingen over de inhoud van het convenant, welke hebben geleid tot toedeling van de woning aan de man, niet gedwaald kan hebben en voorts dat hij geacht moet worden het verlies bij vervreemding van de woning voor lief genomen te hebben. Dit temeer nu er vanuit gegaan moet worden dat het een feit van algemene bekendheid was en is dat de prijzen van koopwoningen in 2000 nog steeds een stijgende tendens vertoonden en de man niet heeft gesteld en ook anderszins niet is gebleken dat hij het op 9 maart 2000 - enkel op zijn naam - opgenomen doorlopend krediet van fl. 20.000,-- onder contractnummer 938.798.101 bij de Rabobank te [L.] heeft aangewend ter verbetering en renovatie van de woning, zoals door hem is gesteld in zijn reeds meer genoemd schrijven van 16 maart 2000 aan de concipiënt van het convenant, en in dat verband aangevende dat nieuwe rolluiken al besteld waren en dit geld verder bestemd was voor aanschaf van nieuwe deuren, dubbelglas en een nieuwe vloer.

3.5

De rechtbank stelt verder vast dat de man niet gedwaald kan hebben omtrent de waarde van de bij de aanschaf van de woning tevens afgesloten hypotheek ter financiering van de woning ter hoogte van in totaal fl. 308.000,--, onder medeneming van een oude schuld van de man ter hoogte van circa fl. 25.000,--.

Het komt de rechtbank logisch voor dat deze oude (voorhuwelijkse) schuld van de man is meegefinancierd, nu deze toch op grond van het bepaalde in artikel 1:94 lid 2 BW bij het huwelijk van partijen is gaan deel uitmaken van de gemeenschap van goederen van partijen.

Naar het oordeel van de rechtbank ligt het voorts voor de hand dat, nadat partijen overeengekomen waren dat de echtelijke woning aan de man zou worden toegescheiden, de op de woning drukkende hypotheek door de man zou worden overgenomen. Nu van aanvang aan de hypotheekschuld hoger is geweest dan de aankoopsom (inclusief de kosten koper) van de woning, was het voorzienbaar dat bij spoedige vervreemding van de woning, ook indien de voorgenomen renoveringen waren doorgevoerd voordat de nadien geplande verkoop plaats zou hebben, onder deze omstandigheden de opbrengst niet toereikend zou zijn om daarmee ook de volledige hypotheekschuld te delgen. Dit temeer nu partijen in het convenant hadden opgenomen dat de man de notariskosten voor het opmaken van de akte van verdeling zou dragen, waaruit voortvloeit dat de man niet van plan is geweest de woning al kort na de toedeling te vervreemden.

3.6

Nu hierboven is vastgesteld dat de man ter zake de waarde van de gestelde goederen niet gedwaald kan hebben bij de verdeling, moet er onder de door partijen geschetste omstandigheden vanuit gegaan worden dat de man, mede gezien de bepaling in het convenant dat 'partijen jegens elkaar noch thans noch in de toekomst een vordering wegens overbedeling ter zake de onderhavige boedelscheiding zullen instellen' de toedeling te zijnen bate of schade heeft aanvaard en kan zijn vordering niet toegewezen worden.

3.7

De man heeft ter zake de reeds meergenoemde lening in de vorm van een doorlopend krediet ad fl. 20.000,-- gesteld dat partijen die op 1 maart 2002 hebben aangevraagd en dat de bank deze som aan de man op 8 maart cash heeft uitbetaald. De man stelt vervolgens in zijn conclusie van repliek ter zake deze lening dat hij van dat bedrag de somma van fl. 19.000,-- aan de vrouw heeft moeten overhandigen nadat deze hem had gedreigd naar aanleiding van de echtscheiding een alimentatievordering jegens hem in te stellen. Volgens de man heeft de vrouw het geld vervolgens aangewend om een slaapkamer aan te schaffen.

De vrouw heeft deze stelling van de man gemotiveerd en met klem betwist en gesteld geen enkel bedrag te hebben ontvangen van de man.

De rechtbank volgt de man niet in zijn stelling dat hij door de vrouw gedreigd is met een alimentatievordering en uit dien hoofde aan haar op om omstreeks 8 maart 2000 het gestelde bedrag van fl. 19.000,-- zou hebben uitbetaald.

Partijen hebben in het convenant opgenomen dat zij op 12 maart 2000 uit elkaar zijn gegaan. De man schrijft op 16 maart 2002 aan de concipiënt van het convenant dat het geleende bedrag van fl. 20.000,-- geheel te zijnen laste moet komen, omdat het geld bedoeld is voor de woning en hij de vrouw daarom niet aansprakelijk wil laten zijn voor dit bedrag en haar daarvoor dus wil vrijwaren. Nu de man daarvan niet heeft gesteld dat de vrouw hem tot het schrijven van die mededeling aan de concipiënt van het convenant heeft gedwongen en partijen op dat moment in onderhandeling waren omtrent de vraag op welke wijze de verdeling van de gemeenschap in het convenant geregeld zou moeten worden en in dat kader in het convenant hebben laten opnemen dat zij over en weer niet behoeven bij te dragen in de kosten van levensonderhoud, ongeacht de vraag of een van de partners behoefte heeft aan een bijdrage, is deze stelling van de man, naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk en is die voorts niet te rijmen met het aanvullend verweer van de vrouw dat zij geen behoefte aan een uitkering had en daarop ook geen aanspraak kon maken, nu zij in eigen levensonderhoud voorzag. De rechtbank acht dit laatste aannemelijk nu in het convenant ter zake de pensioenrechten is bepaald dat deze worden toebedeeld aan degene die de rechten heeft opgebouwd, waaruit, naar het oordeel van de rechtbank niet anders kan volgen dan dat zowel de vrouw als de man toen inkomsten uit arbeid genoten en dus ook beiden pensioen opbouwden.

3.8

De man heeft gesteld dat het litigieuze convenant is tot stand gekomen doordat de vrouw misbruik van omstandigheden heeft gemaakt, dat hij voorts onder grote druk van de vrouw het convenant heeft ondertekend en dat hij zich ten tijde van de ondertekening in een emotionele crisis bevond.

De vrouw heeft ook deze stellingen betwist en onweersproken aangegeven dat de man nadat hij het conceptconvenant op

14 maart 2000 had ontvangen enkel aanstonds heeft aangegeven dat partijen vergeten hadden de reeds besproken lening van fl. 20.000,-- in het convenant op te nemen en dat hij verder drie weken bedenktijd heeft gehad om in te stemmen met de in het convenant neergelegde weerslag van hun afspraken.

Nu de man zijn stellingen niet nader onderbouwd heeft met justificatoire bescheiden, zoals een verklaring van een arts ten aanzien van de emotionele crisis, hij tegenover de stelling van de vrouw dat hij voldoende bedenktijd heeft gehad om te beslissen, niets heeft ingebracht en hij geen nadere omschrijving heeft gegeven waaruit die druk van de vrouw heeft bestaan, dan wel op welke wijze hij onder druk is gezet en hij verder op geen enkele manier heeft aangegeven op welke wijze de vrouw misbruik van de omstandigheden heeft gemaakt, gaat de rechtbank voorbij aan deze stellingen en zijn er ook geen termen aanwezig om de man tot bewijs hiervan toe te laten, nu hij slechts heel in het algemeen heeft aangegeven zijn stellingen te willen bewijzen

3.9

Nu is vastgesteld dat de man omtrent de waarde van de te verdelen goederen en schulden niet gedwaald kan hebben en geen van de overige vernietigingsgronden aannemelijk is gemaakt, dient niet alleen de vordering van de man te worden afgewezen, maar is de rechtbank voorts van oordeel dat de man in de kosten van de procedure moet worden veroordeeld, aangezien uit de overwegingen voortvloeit dat de man de vrouw nodeloos in deze procedure heeft betrokken.

4. De uitspraak

De rechtbank:

wijst het gevorderde af;

veroordeelt de man in de kosten van deze procedure aan de zijde van de vrouw gevallen en tot op heden begroot op € 1243,55, zijnde € 276,80 aan griffierechten en € 966,55 aan salaris voor de procureur. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in artikel 243 lid 1 Rv te voldoen aan de griffier van deze rechtbank.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.C. Casparie, rechter, en ter openbare terechtzitting van

19 december 2002 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

LD/HR