Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2002:AF2234

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
17-12-2002
Datum publicatie
19-12-2002
Zaaknummer
79365
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE MAASTRICHT

Zaaknummer : 79365 / KG ZA 02-426

Datum uitspraak: 17 december 2002

VONNIS IN HET KORT GEDING VAN:

[A.] [L.]

wonende te [H.], gemeente [B.],

eiser bij exploot van dagvaarding in kort geding van 20 en 21 november 2002,

procureur: mr. E.R.Th.A. Luijten,

tegen:

1. [M.] [B.] e/v [H.],

wonende te [M.],

niet verschenen,

2. [M.] [B.] e/v [H.],

wonende te [E.],

3. [J.] [B.],

wonende te [B.],

niet verschenen,

4. [N.] [B.],

wonende te [M.],

gedaagden.

1. Het verloop van de procedure

1.1 Voor het verloop van de procedure tot en met de op 27 november 2002 gehouden terechtzitting wordt verwezen naar het van die zitting opgemaakte audiëntieblad, hetwelk in afschrift aan dit vonnis wordt gehecht.

1.2 Bij brief van zijn procureur d.d. 2 december 2002, ter griffie ingekomen op 3 december 2002, heeft eiser om vonnis gevraagd.

1.3 De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1 Op 22 december 1998 is in de gemeente [M.] overleden [G.B.], dit met achterlating van haar acht kinderen als erfgenaam, waartoe gedaagden behoren. De erfgenamen zijn er tot op heden niet in geslaagd tot (overeenstemming over de) verdeling van de nalatenschap te komen.

2.3 Bij beschikking d.d. 13 november 2001 van de kantonrechter te Venlo is eiser tot boedelbeheerder benoemd.

2.4 Tot de nalatenschap behoort een pand, gelegen aan [adres] te [M.]. Als resultaat van een (door een niet in dit kort geding betrokken erfgenaam uitgelokt) vonnis van de rechtbank te Roermond d.d. 17 oktober 2002 is een openbare verkoop van deze onroerende zaak aanstaande. Daartoe dient het pand, waarin zich een groot aantal (nog te verdelen) inboedelzaken bevindt, uiterlijk 8 januari 2003 leeg en ontruimd te zijn.

2.5 Omdat de kosten van opslag erg op de boedel zouden drukken is eiser van oordeel dat het met het oog op de verkoop van het pand in de rede ligt spoedig tot verdeling van de (daarin aanwezige) inboedel te komen.

2.6 Bijgevolg acht eiser het nodig dat de zaken, die gedaagden in zijn optiek na het overlijden van de erflater uit het pand hebben weggenomen, daarin worden teruggebracht.

2.7 Stellende dat gedaagden aan dit een en ander onvoldoende medewerking willen verlenen, heeft eiser, na daartoe vruchteloos te hebben gesommeerd, in dit geding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. gedaagden, ieder apart, te bevelen om binnen twee dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, de zaken in te brengen, (lees:) in het lichaam van de dagvaarding gespecificeerd, welke zij en/of hun bloed- en aanverwanten tot en met de tweede graad onder zich hebben, behorende tot de nalatenschap van wijlen [G.B.], welke inbreng dient plaats te vinden in [adres] te [M.], in overleg c.q. na afspraak met eiser, zulks op straffe van een dwangsom van €euro 5.000,- per dag dat deze inbreng niet of onvolledig geschiedt;

II. te verklaren voor recht, dat eiser in casu bevoegd is controle van de ingebrachte zaken uit te voeren;

III. te verklaren voor recht, dat eiser bevoegd en gerechtigd is voor alle deelgenoten bindende procedureregels vast te stellen voor de verdeling van alle tot de nalatenschap van de overledene voornoemd behorende inboedelzaken, als (lees:) in het lichaam van de dagvaarding aangeduid, waaronder het verlangen van een eed van alle deelgenoten, als (lees:) in het lichaam van de dagvaarding aangeduid, om aan de verdelingsronde deel te kunnen nemen, èn het vaststellen van het verdelingssysteem;

IV. in het belang van de boedel te verklaren voor recht, dat eiser bevoegd is een voor alle deelgenoten bindende taxatie te doen uitvoeren van de te verdelen inboedelzaken;

V. gedaagden te veroordelen in de kosten van het geding.

2.8 Gedaagden sub 2 en 4 hebben gemotiveerd verweer gevoerd.

3. De beoordeling

3.1 De omstandigheid dat het tot de nalatenschap behorende, meergenoemde pand, waarin zich de litigieuze inboedelzaken bevinden, aanvang januari 2003 openbaar te koop zal worden aangeboden, brengt een voldoende spoedeisend belang bij de gevraagde voorzieningen met zich.

3.2 Tegen de niet verschenen gedaagden sub 1 en 3 is verstek verleend. De vordering onder I komt de voorzieningenrechter niet onrechtmatig, noch ongegrond voor en ligt op zichzelf genomen wel voor toewijzing gereed, zij het met de navolgende kanttekening.

3.3 In het petitum van de dagvaarding worden de zaken waarvan eiser afgifte vordert nader aangeduid met de woorden "hierboven gespecificeerd" -onder 2.7 voor een zinvolle weergave herschreven tot "in het lichaam van de dagvaarding gespecificeerd"- doch in de dagvaarding is een specificatie van de bedoelde zaken niet te vinden. Blijkbaar moet men hier te rade gaan bij productie 13, welke evenwel niet is meebetekend, zodat hetgeen daarin is gereleveerd de niet verschenen gedaagden niet kan worden tegengeworpen.

3.4 Dit brengt met zich, dat het petitum onder I, voor zover gericht tot gedaagden sub 1 en 3, goeddeels in het dictum zal worden overgenomen, nochtans met weglating van de zojuist tussen aanhalingstekens geplaatste woorden nu daaraan geen zelfstandige betekenis toekomt. Ten slotte zullen de dwangsommen worden gematigd en gemaximeerd.

3.5 De vorderingen onder II tot en met IV moeten reeds worden afgewezen omdat voor het uitspreken van een verklaring voor recht in kort geding geen plaats is. De wijziging van eis die eiser met zijn brief van 2 december 2002 nog heeft willen doorvoeren behoeft dus geen bespreking meer, nog daargelaten dat de eiswijziging afstuit op het bepaalde in artikel 130 lid 3 Rv.

3.6 De eerste zin van de vorige overweging bezegelt intussen ook het lot van de vorderingen II tot en met IV voor zover gericht tegen de wel verschenen gedaagden (sub 2 en 4).

3.7 Resteert te bespreken de vordering onder I -de vordering tot het, naar kan worden begrepen, terugbrengen van de weggenomen zaken in het pand- ten aanzien van gedaagden sub 2 en 4.

3.8 Nu eiser ter zitting als juist heeft erkend de stelling van gedaagde sub 4, dat zij alle door haar meegenomen zaken reeds in het pand had teruggebracht, valt, waar het deze gedaagde aangaat, de bodem al dadelijk uit de gewenste voorziening weg en dient zij dus te worden geweigerd.

3.9 Gedaagde sub 2 heeft op haar beurt erkend dat zij een aantal zaken onder zich houdt, maar stelt dat zij deze zaken met instemming van de overige erfgenamen onder zich heeft genomen uit vrees voor diefstal en in verband met vochtproblemen in het pand.

3.10 Los van het feit dat de aannemelijkheid van dit blote betoog zich niet bepaald opdringt, staat het -en daarom kan het verder blijven rusten- aan de (kennelijk) op artikel 5: 2 BW gebaseerde vordering van eiser niet in de weg. Dit sluit ook aan bij het bepaalde in artikel 3: 169 BW, welke bepaling geen ruimte laat voor het gebruik van een gemeenschapsgoed indien dat met de belangen van de overige deelgenoten niet (langer) te verenigen is.

3.11 Kennelijk hebben partijen (eiser en gedaagde sub 2 dus) zich voor de vraag om welke zaken het precies gaat gebaseerd op de door eiser als productie 13 overgelegde lijst "Mevr. M. [H.-B.]" (zijnde gedaagde sub 2). Gedaagde sub 2 heeft met name betwist dat zij de volgende, op deze lijst voorkomende zaken onder zich heeft genomen:

-kastje met gebogen glas (nummer 24 op de lijst),

-het Boheems kristal (nummer 85 op de lijst) gedeeltelijk: enkel de kandelaar en de vaas op voet,

-beeldje, 19e eeuw (nummer 27 op de lijst).

3.12 Voor een onderzoek naar de juistheid van deze stelling van gedaagde sub 2 is in kort geing geen plaats, zodat de vordering wat de genoemde zaken betreft reeds dient te worden afgewezen. Voor het overige wordt zij, gelet op het vooroverwogene, toegewezen, waarbij, om executieproblemen op dat vlak te voorkomen, een afschrift van genoemde lijst aan dit vonnis wordt gehecht. De dwangsommen zullen worden gematigd en gemaximeerd.

3.13 In de omstandigheid dat de materiële procespartijen broers en zussen van elkaar zijn vindt de voorzieningenrechter aanleiding de kosten van het geding te compenseren.

4. Uitspraak

De voorzieningenrechter van de rechtbank te Maastricht;

RECHT DOENDE in kort geding:

Beveelt gedaagden sub 1 en 3, ieder apart, om binnen twee werkdagen na betekening van dit vonnis, na overleg met eiser terug te brengen in het pand aan [adres] te [M.] de zaken, welke zij en / of hun bloed- en aanverwanten tot en met de tweede graad onder zich hebben, behorende tot de nalatenschap van wijlen [G.B.], een en ander op straffe van een dwangsom van euro€ 1.000,- per dag dat dit terugbrengen niet of onvolledig geschiedt, de dwangsommen maximerend tot €euro 30.000,-;

Beveelt gedaagde sub 2 om binnen twee werkdagen na betekening van dit vonnis, na overleg met eiser, terug te brengen in het pand aan [adres] te [M.] de zaken zoals opgenomen in de aan dit vonnis gehechte lijst -met uitzondering van de hiervoor onder 3.11 genoemde zaken- welke zaken behoren tot de nalatenschap van wijlen [G.B.], op straffe van een dwangsom van €euro 1.000,- per dag dat dit terugbrengen niet of onvolledig geschiedt, de dwangsommen maximerend tot €euro 30.000,-;

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

Compenseert de kosten van het geding aldus, dat ieder de eigen kosten draagt;

Wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. A.M. Adelmeijer, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting in het bijzijn van de griffier.

RQ