Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2002:AF2015

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
09-12-2002
Datum publicatie
11-03-2003
Zaaknummer
AWB 01 / 248 HOREC Z en AWB 01/251 HOREC Z FEE
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Reg.nr: AWB 01/248 HOREC Z en AWB 01/251 HOREC Z FEE

UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in het geding tussen

1. A. ho.d.n. coffeeshop "C" te B,

2. D te B,

eisers

en

de Burgemeester van de Gemeente Heerlen, gevestigd te Heerlen, verweerder.

Datum bestreden besluit: 21 december 2000.

Kenmerk: 01.21/970042AKH/9715148-97016043.

Behandeling ter zitting: 3 december 2002.

ONTSTAAN EN LOOP VAN DE PROCEDURE

Bij de in de aanhef van deze uitspraak vermelde besluiten van 21 december 2000 heeft verweerder de door c.q. namens eisers op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediende bezwaarschriften tegen verweerders besluiten van 1 juli 1997 (verzonden 2 juli 1997) ongegrond verklaard en de bestreden besluiten gehandhaafd onder aanvulling van de motivering en belangenafweging, met dien verstande dat de datum 1 juli 1998 is gewijzigd in 1 januari 2002.

In de besluiten van 1 juli 1997 heeft verweerder aan de horeca-exploitatievergunning van eisers een nieuw voorschrift verbonden strekkende tot - kort gezegd - het stopzetten van de verkoop van softdrugs met ingang 1 juli 1998.

Tegen de besluiten van 21 december 2001 (verzonden 10 januari 2002) is namens eisers op 21 februari 2002 beroep ingesteld bij deze rechtbank.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en de verweerschriften zijn in kopie aan de gemachtigde van eisers gezonden. De inhoud van de gedingstukken wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd.

Gelet op de samenhang tussen beide zaken heeft de rechtbank op grond van artikel 8:14 van de Awb besloten om de zaken gevoegd te behandelen.

De beroepen zijn behandeld ter zitting van de rechtbank op 3 december 2002, alwaar eisers en hun gemachtigde met voorafgaande kennisgeving niet zijn verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de heer J.L.P Heijboer en de heer M. van de Winkel, ambtenaren der gemeente.

OVERWEGINGEN

II.1 De besluitvorming

Aan de horeca-exploitatievergunningen van eisers is door verweerder bij besluit van 1 juli 1997 een nieuw voorschrift verbonden, inhoudende - kort gezegd - het stop zetten van de verkoop van softdrugs met ingang van 1 juli 1998.

Eisers hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt c.q. doen maken. Naar aanleiding van de ingediende bezwaarschriften is D op 27 oktober 1997 gehoord. Van het horen is een verslag gemaakt. A heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid te worden gehoord.

Aangezien verweerder nog geen beslissing op het bezwaarschrift had genomen terwijl de datum 1 juli 1998 naderde heeft A zich bovendien op 4 mei 1998 tot de president van deze rechtbank gewend met het verzoek het besluit van 1 juli 1997 te schorsen totdat in hoogste instantie over het door A ingediende bezwaarschrift zal zijn beslist.

Bij uitspraak van 4 juni 1998 heeft de president van deze rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen, in dier voege dat het bestreden besluit is geschorst tot en met zes weken na de datum van verzending van de beslissing op bezwaar.

Verweerder heeft D laten weten dat het besluit van 1 juli 1997 ten aanzien van hem eveneens werd geschorst.

Verweerder heeft vervolgens bij de thans bestreden besluiten de bezwaren ongegrond verklaard en de bestreden besluiten gehandhaafd onder aanvulling van de motivering en belangenafweging met dien verstande dat de datum 1 juli 1998 is gewijzigd in 1 januari 2002.

II.2 Het beroep

Eisers kunnen zich ook met deze besluiten niet verenigen en zijn daartegen in beroep gekomen bij deze rechtbank schrijven van 21 februari 2001.

Namens eisers wordt in beroep - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende aangevoerd:

Het verplaatsingsbeleid is in strijd met de redelijkheid.

Het op dit beleid gebaseerde besluit getuigt niet van de vereiste belangenafweging.

De formulering van de vestigingscriteria maakt het praktisch onmogelijk een geschikte locatie te vinden.

Van de actieve houding van verweerder bij verplaatsing van de coffeeshops is niets terechtgekomen.

Uit de aangekondigde wijziging van de vestigingscriteria blijkt volgens A en D dat verplaatsing van hun coffeeshop louter in theorie mogelijk is. Er is sprake van een papieren overgangstermijn. Aanvragen tot verplaatsing worden door verweerder aangehouden.

Het besluit is genomen voordat het verzoek tot verplaatsing van coffeeshop “X” (naar [...]baan) is afgewikkeld hetgeen niet getuigt van een zorgvuldige voorbereiding. Immers, als deze verplaatsing doorgaat, is het niet langer nodig om drie coffeeshops tot verplaatsing (of sluiting) te dwingen.

Ten aanzien van A heeft verweerder hangende de procedure twee nieuwe besluiten genomen. In eerste instantie is de datum 1 januari 2002 gewijzigd in 1 oktober 2002 en laatstelijk is die datum gewijzigd in 1 februari 2003. Voor het overige zijn deze besluiten gelijk aan het besluit waartegen beroep is ingesteld. Het besluit waarbij de datum is gewijzigd in 1 oktober 2002, zal de rechtbank buiten beschouwing laten nu dat besluit inmiddels is achterhaald door het meest recente besluit. Gelet op het bepaalde in artikel 6:18 en 6:19 van de Awb zal de rechtbank laatstgenoemd besluit in de beoordeling betrekken.

II.3 De beoordeling

II.3.1 De rechtbank dient thans, met inachtneming van het bepaalde in artikel 8:69 van de Awb, te beoordelen of de bestreden besluiten in rechte stand kunnen houden. Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of verweerder aan de horeca-exploitatievergunningen van eisers een nieuw voorschrift heeft mogen verbinden er - kort gezegd - op neer komend dat eisers de verkoop van softdrugs per 1 januari 2002 respectievelijk 1 februari 2003 dienen te beëindigen.

Dienaangaande wordt het volgende overwogen.

II.3.2 Aan A (vooreerst bij besluit van 18 december 1992 en laatstelijk bij besluit van 25 april 1997) en D (vooreerst bij besluit van 12 mei 1995 en laatstelijk bij besluit van 28 augustus 1996) is een vergunning verleend als bedoeld in artikel 3.2.1.3. van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente Heerlen voor het verstrekken van eetwaren en/of alcoholvrije dranken voor gebruik ter plaatse in de in de respectievelijke vergunningen aangegeven besloten ruimtes in de horeca-inrichtingen, gelegen aan de […]straat […] 220 respectievelijk de […]straat […] 256 te E.

Eisers exploiteren elk één van de vijf horeca-inrichtingen in E waar het met inachtneming van de zogenaamde AHOJ-G-criteria is toegestaan middelen als bedoeld in artikel 3 van de Opiumwet (softdrugs) te verkopen. Van voornoemde vijf horeca-inrichtingen in E (verder te noemen: coffeeshops) zijn er vier gelegen aan de […]straat […] in D terwijl een vijfde coffeeshop is gelegen in de directe omgeving van deze straat.

Met het oog op verbetering van het mede als gevolg van de aanwezigheid van de vijf coffeeshops (sterk) verslechterde woon- en leefklimaat van de […]straat […] en omgeving, zijn verweerder en het college van de gemeente Heerlen overgegaan tot vaststelling van een nota “Coffeeshopbeleid” (verder te noemen: de nota). Het in deze nota verwoorde en door de raad van verweerders gemeente geaccordeerde beleid is sedert 13 juni 1995 van kracht. Voor zover in dezen van belang is dit beleid gericht op het bestrijden en het voorkomen van negatieve effecten op het woon-, werk- en leefmilieu, alsook op het terugdringen van het aantal coffeeshops aan de [...]straat [...] en omgeving door een afname tot een vooraf vastgesteld maximum. Ter realisering van deze doelstellingen is, eveneens voor zover hier van belang, overgegaan tot het invoeren van een maximumstelsel van vijf coffeeshops voor het gehele grondgebied van de gemeente Heerlen, gekoppeld aan een geografische spreiding gebaseerd op de werkterreinen van de drie politie-basiseenheden in Heerlen. Voor het gebied van de basiseenheid Noord (waartoe de [...]straat [...] en omgeving behoort) impliceert dit dat er maximaal twee coffeeshops gevestigd mogen worden. Waar er - ook op het moment van inwerkingtreding van voornoemd beleid - vijf coffeeshops in dit gebied waren gevestigd, dienen er derhalve drie coffeeshops uit dit gebied te verdwijnen. Gelet hierop is in de nota, voor zover hier van belang, voorzien in de volgende overgangsregeling:

Vooralsnog mogen de vijf huidige APV-vergunninghoudende exploitanten die softdrugs verkopen, blijven exploiteren binnen de regels van het in deze nota neergelegde beleid.

Om het gewenste maximum aantal van twee te bereiken zullen nieuwe coffeeshop-aanvragen (na inwerkingtreding van dit beleid) de vereiste vergunning als bedoeld in artikel 2.3.1.2 van de APV (voor de verstrekking van eet- en/of drinkwaren) geweigerd worden. Laatstgenoemde vergunning is een persoonsgebonden vergunning. Bij beëindiging van de exploitatie heeft zijn/haar opvolg(st)er dan ook een nieuwe vergunning (als bedoeld in art. 2.3.1.2 APV) nodig.

Overnames van bestaande coffeeshops wordt daardoor niet meer mogelijk, totdat er maximaal twee overblijven.

(…)

Indien 3 of meer coffeeshop-exploitanten hun inrichting in het gebied blijven exploiteren is dit een obstakel voor een snelle verbetering van het woon- en leefklimaat. Om de doelstelling van maximaal twee coffeeshops kracht bij te zetten zijn voor de exploitanten die per 1 juli 1997 nog exploiteren een vijftal objectieve toetsingscriteria vastgesteld. Criteria op grond waarvan het bevoegd orgaan beslist welke van de dan nog in exploitatie zijnde coffeeshops de verstrekking van softdrugs op 1 juli 1998 moet beëindigen.

De criteria zijn:

het aantal malen dat de inrichting met toepassing van het bepaalde in art. 3.2.6.1 of 3.1.7 van de APV gesloten is geweest;

het aantal overtredingen van het voor coffeeshops geldende sluitingsuur;

het aantal malen dat het voorschrift met betrekking tot de verstrekking van softdrugs aan personen jonger dan 18 jaar is overtreden;

het aantal malen dat het voorschrift met betrekking tot de aanwezigheid van de beheerder(s) wordt overtreden;

het aantal veroordelingen op grond van de Opiumwet ten aanzien van de ondernemer(s) en de beheerder(s).

De ondernemer(s)/beheerder(s) (per horeca-inrichting) ten aanzien van wie de meeste:

- veroordelingen (ad e) op 1 mei 1997 bekend zijn,

overtredingen (ad a,b,c, en d) vanaf het moment van inwerkingtreding tot 1 juni 1997 (…) zijn geconstateerd, dien(t)en per 1 juli 1998 de verstrekking van softdrugs dan wel de exploitatie te staken.

Is op 1 juli 1997 het aantal coffeeshops niet terug gebracht tot twee, maakt het bevoegde orgaan bekend wie de verstrekking van softdrugs moet beëindigen. Aan de horeca-exploitatievergunning wordt dan het voorschrift verbonden dat de verkoop van softdrugs per 1 juli 1998 verbiedt.

De nota is bij schrijven van 12 juli 1995 aan eisers toegezonden. In dit schrijven is uitdrukkelijk gewezen op voormelde overgangsregeling. Voorts wordt in dit schrijven het volgende opgemerkt:

In verband met de afbouw van vijf naar twee op de [...]straat [...] en omgeving, bestaat voor u de mogelijkheid uw coffeeshop-exploitatie te verplaatsen naar of het politiebasiseenheidgebied Heerlen-Centrum of Heerlen-Zuid. Het spreekt voor zich dat de nieuwe lokatie aan de in de nota genoemde criteria dient te voldoen en de aanvrage ook getoetst wordt aan alle overige vereisten (…), alvorens tot afgifte van een vergunning als bedoeld in artikel 3.2.3.1. van de APV kan worden overgegaan.

Bij schrijven van 28 november 1996 (verzonden op 5 december 1996) heeft verweerder de exploitanten van de vijf coffeeshops nogmaals gewezen op de criteria aan de hand waarvan zal worden bepaald wie van hen de verstrekking van softdrugs zal dienen te beëindigen. Daarbij is ook de mogelijkheid tot verplaatsing van de inrichting naar elders in Heerlen (buiten het werkterrein van de basiseenheid Heerlen Noord) opnieuw onder de aandacht gebracht.

In januari 1996 is de politiebasiseenheid Heerlen Noord gestart met het structureel controleren van de bestaande vijf coffeeshops. Tot 1 juni 1997 werden de coffeeshops minimaal één maal per twee weken door de politie bezocht, waarbij werd gecontroleerd op de voorschriften genoemd in de criteria sub a tot en met e van de overgangsregeling van de nota, alsook op de AHOJ-G-criteria. Tevens vonden er onopvallende controles plaats waarbij de coffeeshops onder observatie werden genomen en klanten na een bezoek aan een van de coffeeshops werden gecontroleerd.

Bij schrijven van 9 december 1996 (verzonden op 12 december 1996) heeft verweerder A medegedeeld dat uit vorenbedoelde controles is gebleken dat A herhaaldelijk het feitelijk beheer van de door hen geëxploiteerde coffeeshops overlaat aan anderen, daar dit feit bij deze controles voor wat betreft A vier maal is geconstateerd. Verweerder heeft A daarbij opgedragen het beheer zelf uit te oefenen. Ook heeft verweerder er op gewezen dat overtredingen van het vergunningvoorschrift inzake de aanwezigheid van de beheerder in de inrichting mede bepalend zijn voor de beslissing welke van de vijf coffeeshops per (toen nog) 1 juli 1998 de verstrekking van softdrugs zal dienen te beëindigen. Naar aanleiding van dit schrijven heeft A op 20 december 1996 een nieuwe aanvraag om een exploitatievergunning tot verweerder gericht, waarbij is verzocht ook de broer van A, als beheerder te doen aanmerken. De gevraagde vergunning werd bij besluit van 25 april 1997 afgegeven.

De vijf bestaande coffeeshops aan de [...]straat [...] en omgeving waren alle op 1 juli 1997 nog in bedrijf. Bij het besluit van die datum heeft verweerder derhalve, onder verwijzing naar de nota (en met name naar de criteria genoemd in de bijbehorende overgangsregeling), alsook naar de door de politie uitgevoerde controles op (naleving van) de voorschriften genoemd in deze criteria, eisers doen weten dat is gebleken dat zij ieder één van de drie exploitanten zijn die de in de criteria vervatte normen het vaakst hebben overtreden. Gelet hierop heeft verweerder bij voornoemd besluit aan de aan eisers verleende exploitatievergunningen een nieuw voorschrift verbonden, luidende:

Het is met ingang van 1 juli 1998 verboden dat in de inrichting middelen als bedoeld in artikel 3 van de Opiumwet, zonder dat op grond van die wet verloven zijn verstrekt, aanwezig zijn danwel worden gebruikt, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt of vervaardigd.

In de thans bestreden besluiten is de datum 1 juli 1998 vervangen door 1 januari 2002. Voor wat betreft A is die datum nadien twee keer gewijzigd, laatstelijk in 1 februari 2003. Voor het overige is het nieuwe voorschrift gehandhaafd. Zoals hiervoor reeds overwogen dient de rechtbank te beoordelen of verweerder dit voorschrift aan de vergunning van eisers heeft mogen verbinden.

Daartoe zal de rechtbank in de eerste plaats ingaan op het door verweerder gehanteerde coffeeshop-beleid.

II.3.3 Het gemeentelijk coffeeshopbeleid uit 1995 en aangepast in 1999, zoals verwoord in de nota, is er op gericht in het belang van het woon-, werk- en leefklimaat overlast te beperken, onder meer door het invoeren van een maximumstelsel gekoppeld aan een geografische spreiding. Gelet op de taak en bevoegdheden van verweerder voor wat betreft de bescherming van de openbare orde, in het bijzonder het woon- en leefklimaat, is dit beleid - zowel het maximumstelsel als de geografische spreiding en de overgangsregeling - op zichzelf naar het oordeel van de rechtbank niet onjuist of onredelijk. De omstandigheid dat verweerder gedurende een aantal jaren heeft toegelaten dat in de horeca-inrichtingen van eisers softdrugs werden verkocht c.q. gebruikt, staat op zich niet in de weg aan een aanpassing van het beleid door verweerder. Verweerder heeft eisers tijdig en voldoende geïnformeerd over de wijziging van het beleid, waarbij verweerder uitdrukkelijk heeft gewezen op de overgangsregeling.

Evenmin zijn de criteria aan de hand waarvan door verweerder is beslist welke drie coffeeshops aan de [...]straat [...] en omgeving de verstrekking van softdrugs per (aanvankelijk) 1 juli 1998 dienen te beëindigen onredelijk te achten. Het criterium met betrekking tot de aanwezigheid van de beheerder(s) in de inrichting staat ten opzichte van de overige criteria weliswaar in een minder nauwe relatie tot het belang dat daarmee beoogd wordt te dienen. Het door verweerder in dezen (reeds sedert 1992) ingenomen standpunt dat de beheerder van wezenlijke invloed is op de exploitatie van de inrichting, weshalve diens aanwezigheid tijdens de openingsuren van de inrichting noodzakelijk is om aantasting van het woon-, werk- en leefklimaat (zo veel mogelijk) te voorkomen, acht de rechtbank evenwel verdedigbaar.

Gelet op het voorgaande zijn eisers niet onkundig gebleven van de beleidswijziging zoals verwoord in de nota “Coffeeshopbeleid”, terwijl zij evenmin door die wijziging zijn overvallen.

Blijkens de stukken heeft verweerder de criteria in 2001 - na het bestreden besluit, en derhalve in het onderhavige beroep niet relevant - wederom aangepast. Eisers hebben gesteld dat uit die aanpassing blijkt dat verplaatsing louter in theorie mogelijk is, dat er sprake is van een papieren overgangstermijn en dat aanvragen werden aangehouden. Volgens verweerder betreft het zaken die feitelijk pas speelden na het nemen van de bestreden besluiten.

Gelet op hetgeen hiervoor reeds is overwogen ten aanzien van de vestigingscriteria kan naar het oordeel van de rechtbank niet geconcludeerd worden dat zonder die nieuwe aanpassing geen reële mogelijkheid tot vestiging bestond.

Verweerder heeft in het verweerschrift aangevoerd nimmer uitdrukkelijk te hebben gesteld dat de vestigingscriteria opnieuw aangepast zouden worden. Dat standpunt wordt door de rechtbank, gelet op het zich bij de stukken bevindende persbericht van 8 september 2000 waarin uitdrukkelijk wordt vermeld dat het college van burgemeester en wethouders heeft besloten het huidige coffeeshopbeleid op een onderdeel te herzien, niet gedeeld.

In verband met deze nieuwe aanpassing werden eventuele nieuwe vergunningsaanvragen voor coffeeshops door verweerder aangehouden en na vaststelling van het aangepaste beleid aan de nieuwe criteria getoetst. Gelet op de datum van het persbericht (8 september 2000) en het tijdstip van aanpassing (februari 2001) was er reeds sprake van aanhouding van nieuwe aanvragen ten tijde van het nemen van de bestreden besluiten. Na het nemen van die besluiten heeft de periode van aanhouding nog ruim een maand voortgeduurd. Nu eisers gebonden waren aan een termijn waarbinnen zij hun inrichting dienden te verplaatsen is de rechtbank van oordeel dat een aanhouding van vergunningsaanvragen de verplaatsing zou kunnen belemmeren. Echter, gezien enerzijds de omstandigheid dat na het einde van de periode waarin aanvragen werden aangehouden nog ruimschoots tijd was om eventueel aangehouden aanvragen af te handelen binnen de termijn waarbinnen eisers hun exploitatie dienden te verplaatsen, en anderzijds de omstandigheid dat door eisers niet is gesteld - en overigens ook niet is gebleken - dat eisers (of een van hen) tijdens de periode van aanhouding een aanvraag hebben ingediend, is de rechtbank van oordeel dat eisers ten gevolge van de aanhouding niet zijn benadeeld. De rechtbank verwerpt deze grief van eisers dan ook.

II.3.4 Namens eisers is gesteld dat de bestreden besluiten niet zijn gebaseerd op de vereiste belangenafweging. In navolging van hetgeen de president van de rechtbank reeds heeft overwogen, is de rechtbank van oordeel dat in de primaire besluiten onvoldoende rekening is gehouden met de belangen van eisers. In het thans voorliggende besluit is dat gebrek echter hersteld. Eisers hebben een duidelijk financieel belang nu zij met de inkomsten uit de coffeeshop voorzien in hun levensonderhoud (alsmede in het levensonderhoud van eventuele werknemers). Op het moment dat eisers de verkoop van softdrugs aan de [...]straat [...] dienen te beëindigen en zij die verkoop niet elders zouden kunnen voortzetten, zal dat ten koste gaan van hun broodwinning. Bovendien, als eisers de verkoop wel elders kunnen voortzetten, zal de verplaatsing van de verkoop gepaard gaan met extra kosten. Door de versoepeling van de vestigingscriteria, de actievere opstelling van verweerder (bestaande uit de inschakeling van OMAN B.V.) en de tegemoetkoming in de kosten van verplaatsing, in combinatie met de nieuwe termijn die eisers na het nemen van het bestreden besluit is gegund, is naar het oordeel van de rechtbank door verweerder voldoende rekening gehouden met de belangen van eisers. De rechtbank overweegt dienaangaande voorts dat eisers op de hoogte waren van de regels en ook van de consequenties voor het geval zij zich niet aan die regels zouden houden. Die consequenties komen naar het oordeel van de rechtbank dan ook voor rekening van eisers.

II.3.5 Voorts is namens eisers gesteld dat de vestigingscriteria geen reële mogelijkheid tot verplaatsing bieden. Dienaangaande wordt door de rechtbank overwogen dat ten tijde van het nemen van de thans bestreden besluiten de aanpassing van de criteria in 1999 reeds had plaatsgevonden zodat bij de beoordeling van het onderhavige geschil van die aangepaste criteria dient te worden uitgegaan. Gebleken is dat een van de overige coffeeshophouders inmiddels vrijwillig is vertrokken naar de Heerlerbaan. Die verplaatsing heeft plaats gevonden op basis van de vestigingscriteria zoals die sinds 1999 van kracht zijn. Hoewel het wellicht niet eenvoudig zal zijn om een geschikte locatie binnen een van de overige politiebasiseenheden binnen de gemeente Heerlen te vinden, kan reeds gelet op de hiervoor genoemde verplaatsing naar Heerlerbaan niet gesteld worden dat die vestigingscriteria geen reële mogelijkheid tot verplaatsing bieden.

II.3.6 Eisers hebben opgemerkt dat van de actieve opstelling van verweerder niets terecht is gekomen, in die zin dat de activiteiten van OMAN B.V. geen resultaat hebben opgeleverd. Verweerder heeft in zijn verweerschrift toegegeven dat die kritiek voor wat betreft 2000 deels terecht was, maar dat de inbreng van deze instelling in het lopende jaar een positieve uitwerking zal kunnen hebben op de mogelijkheden tot vestiging buiten Heerlen Noord, zeker in combinatie met de actieve opstelling die van gemeentewege is ingezet om tot een goede spreiding van de coffeeshops over het grondgebied van de gemeente te komen.

Uit de stukken blijkt dat verweerder en OMAN het aanvankelijk niet eens waren over de door OMAN te verrichten activiteiten. Gezien de brief van verweerder aan OMAN, gedateerd 3 mei 2001 (verzonden 4 mei 2001) is pas in of omstreeks april 2001 overeenstemming bereikt over die activiteiten.

Verweerder heeft ter zitting desgevraagd medegedeeld dat de activiteiten van OMAN per 1 januari 2002 zijn afgenomen omdat volgens verweerder de noodzaak van die activiteiten in verband met het coffeeshopbeleid net meer zo groot was. De rechtbank concludeert hieruit dat de activiteiten van OMAN beperkt zijn gebleven. Zulks kan echter naar het oordeel van de rechtbank niet leiden tot gegrondverklaring van het beroep gelet op de eigen verantwoordelijkheid van eisers. Zoals hiervoor reeds is overwogen, komen de consequenties van het feit dat eisers zich niet aan de regels hebben gehouden, in de eerste plaats voor rekening van eisers.

II.3.7 Ten aanzien van de laatste grief van eisers, inhoudende dat de besluiten onzorgvuldig zijn voorbereid nu de niet is gewacht totdat de aanvraag in verband met de verplaatsing van coffeeshop “X” was afgehandeld, overweegt de rechtbank dat, gelet op het traject dat dat verzoek ten tijde van het nemen van de onderhavige besluiten nog diende af te leggen - gedurende welke tijd de overlast op de [...]straat [...] zou blijven voortduren - van verweerder in redelijkheid niet gevergd kon worden dat hij zou wachten op de afhandeling van dat verzoek.

Op grond van het voorgaande kan het beroep van eisers dan ook niet slagen.

Met inachtneming van het bovenstaande en op grond van het bepaalde in artikel 8:70 van de Awb komt de rechtbank tot de onder III geformuleerde beslissing.

III. BESLISSING

De rechtbank te Maastricht:

verklaart de beroepen ongegrond

Aldus gedaan door mr. M.C.A.E. van Binnebeke in tegenwoordigheid van mr. E.B.A. Ferwerda als griffier en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2002 door mr. Van Binnebeke voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. E. Ferwerda w.g. M.C. van Binnebeke

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Verzonden op: 9 december 2002

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.