Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2002:AF1878

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
25-09-2002
Datum publicatie
17-12-2002
Zaaknummer
AWB 02/1349 WRO VV en AWB 02 / 1350 WRO VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Geen vrijstelling mogelijk o.g.v. art. 20.1.a sub 3 BRO omdat het aansluitende terrein voor de

bouwwerkzaamheden reeds voor meer dan de helft was bebouwd.

Vergunning en vrijstelling ex art. 19.3 WRO jo art. 20.1.a sub 3 en 20.1.e BRO voor het verbouwen en uitbreiden van een bestaand pand. Op de benedenverdieping van vorenbedoeld pand zal een restaurant worden geëxploiteerd en op de eerste en de tweede verdieping van dat pand worden tien onzelfstandige wooneenheden ten behoeve van studenten gerealiseerd.

Met de, in art. 20.1.a sub 3 onder a BRO gebezigde, term “het aansluitende terrein” wordt, blijkens de Nota van Toelichting bij de wijzigingen in het BRO van 15 oktober 1999, bedoeld: het terrein dat op grond van het bestemmingsplan voor bebouwing in aanmerking komt.(…)

Gelet op het vorenstaande, is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat alleen het gedeelte van het perceel waarop de bestemming “Bebouwingsklasse M1” rust o.g.v. het bestemmingsplan “Nazareth” voor bebouwing in aanmerking komt. Dat deel dient dan ook te worden aangemerkt als “het aansluitende terrein” als bedoeld in art. 20.1.a sub 3 onder a BRO. Uit de tekening maakt de voorzieningenrechter voorshands op dat “het aansluitende terrein” in de, vóór de bouwwerkzaamheden, bestaande toestand van het pand reeds voor méér dan de helft was bebouwd. Aan de voorwaarde als genoemd in art. 20.1.a sub 3 onder a BRO kan dan ook nimmer voldaan worden. Reeds op deze grond is het niet mogelijk om op grond van art. 19.3 WRO jo art. 20.1.a sub 3 BRO t.b.v. het onderhavige bouwplan vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan. Het besluit waarbij die vrijstelling wel is verleend zal in een eventuele hoofdzaak dan ook niet kunnen worden gehandhaafd. Hierin ziet de voorzieningenrechter voldoende aanleiding om dat besluit te schorsen. Het vorenstaande heeft tot gevolg dat het bouwplan van vergunninghoudster niet langer in overeenstemming is met het bestemmingsplan. In dat geval moet de gevraagde bouwvergunning, ingevolge art. 44.c Woningwet, worden geweigerd. Het besluit waarbij die vergunning is verleend zal in een eventuele hoofdzaak dan ook evenmin kunnen worden gehandhaafd. Hierin ziet de voorzieningenrechter grond om ook dat besluit te schorsen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Reg.nrs.: AWB 02/1349 WRO VV en AWB 02/1350 WRO VV

UITSPRAAK van de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in het geschil tussen:

A, wonende te B, verzoeker,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Maastricht -Dienst Stadsontwikkeling & Grondzaken-, gevestigd te Maastricht, verweerder.

Toepassing van artikel 8:81 van de Awb wordt verzocht ten aanzien van twee –afzonderlijke– besluiten van 2 september 2002 van verweerder.

Kenmerk van beide besluiten: SOG 01-0539B.

Behandeling ter zitting: 20 september 2002.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Bij besluit van 2 september 2002, verzonden op 3 september 2002, heeft verweerder met gebruikmaking van een door hem bij –afzonderlijk– besluit van 2 september 2002, eveneens verzonden op 3 september 2002, verleende vrijstelling als bedoeld in artikel 19, lid 3, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna te noemen: WRO) aan Varicad B.V. (hierna te noemen: vergunninghoudster) een vergunning als bedoeld in artikel 40 van de Woningwet verleend voor het verbouwen en uitbreiden van een bestaand pand op het perceel aan de […] 35a, kadastraal bekend gemeente B sectie […] nr. […] .

Tegen voornoemde besluiten, die gelet op het bepaalde in artikel 49, lid 5, van de Woningwet voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna te noemen: Awb) als één besluit worden beschouwd, heeft verzoeker bij schrijven van 3 september 2002 een bezwaarschrift op grond van de Awb ingediend bij verweerder. Bij schrijven van 5 september 2002 heeft de gemachtigde van verzoeker de gronden van dat bezwaarschrift nader aangevuld.

Bij schrijven van 9 september 2002 van zijn gemachtigde heeft verzoeker zich tevens tot de voorzieningenrechter van deze rechtbank gewend met het verzoek om terzake van meergenoemde besluiten een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb te treffen.

Ingevolge het bepaalde in artikel 8:26, lid 1, van de Awb is vergunninghoudster bij schrijven van 10 september 2002 in de gelegenheid gesteld om als partij aan het geding deel te nemen. Vergunninghoudster heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt.

De (in de loop van de procedure) ingezonden stukken zijn in kopie aan partijen gezonden. De inhoud van die stukken wordt hier als herhaald en ingelast beschouwd.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de voorzieningenrechter op 20 september 2002, alwaar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. E.J.M.J.J. Houben van ARAG Rechtsbijstand te Leusden.

Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. C.M.J.J. Erdkamp.

Namens vergunninghoudster is dhr. D ter zitting verschenen. Hij werd bijgestaan door mr. J. Stoop, advocaat te Maastricht, die de gemachtigde van vergunninghoudster, mr. A.A. van den Brand, eveneens advocaat te Maastricht, verving.

II. OVERWEGINGEN.

In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voorzover de toetsing van het in dit artikel neergelegde criterium meebrengt dat een beoordeling van het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend in die procedure.

Tot het treffen van een voorlopige voorziening zal in het algemeen slechts aanleiding bestaan, indien op grond van de beschikbare gegevens moet worden geoordeeld dat zonder die voorziening het voor verzoeker uit het bestreden besluit voortkomende nadeel onevenredig is in verhouding tot het met dat besluit te dienen belang. Het antwoord op de vraag, of sprake is van enig nadeel dat behoort te worden voorkomen door het treffen van een voorlopige voorziening, is in belangrijke mate mede afhankelijk van een voorlopig oordeel omtrent de vraag of het bestreden besluit in een eventuele hoofdzaak zou kunnen worden gehandhaafd.

Dienaangaande overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Verzoeker woont in het pand aan de […] 37 te B.

Het daarnaast gelegen pand, […] 35a, behoort in eigendom toe aan X.

Tot omstreeks 2000 was de benedenverdieping van laatstgenoemd pand in gebruik als horecagelegenheid. Op de twee verdiepingen van dat pand bevond zich een woongelegenheid, die werd bewoond door de eigenaar van de horecagelegenheid, en een aantal kamers, die –in de zin van een hotel– werden verhuurd voor een paar nachten.

Niet in geschil is dat op de benedenverdieping van vorenbedoeld pand een restaurant zal worden geëxploiteerd en dat op de eerste en de tweede verdieping van dat pand tien onzelfstandige wooneenheden ten behoeve van studenten worden gerealiseerd.

Vergunninghoudster is de architect van het bouwplan terzake van bovenstaande bouwplannen.

Op 19 juni 2001 heeft vergunninghoudster, middels het daartoe strekkende formulier, bij verweerder een bouwvergunning aangevraagd voor het verbouwen en uitbreiden van het pand aan de […]weg 35a.

Tussen partijen is in confesso dat (een deel van) voornoemd bouwplan in strijd is met de op het perceel aan de […] 35a rustende bestemming en dat het ter plaatse vigerende bestemmingsplan “Nazareth” geen mogelijkheid biedt voor het verlenen van vrijstelling van de voorschriften van dat plan.

In dat kader heeft verweerder er voor gekozen om terzake van het bouwplan van vergunninghoudster op grond van het bepaalde in artikel 19, lid 3, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna te noemen: WRO) vrijstelling te verlenen van de voorschriften van het bestemmingsplan “Nazareth”. Daarop heeft het bouwplan met ingang van 30 mei 2002 gedurende vier weken ter inzage gelegen, waarbij eenieder de mogelijkheid is geboden om gedurende deze termijn schriftelijk zijn zienswijze omtrent de aanvraag kenbaar te maken. Binnen die termijn zijn –voorzover thans van belang– door verzoeker bedenkingen ingediend.

Bij besluit van 2 september 2002 heeft verweerder ten behoeve van meergenoemd bouwplan, op grond van het bepaalde in artikel 19, lid 3, van de WRO, vrijstelling verleend van de voorschriften van het bestemmingsplan “Nazareth”.

Bij besluit van 2 september 2002 heeft verweerder de door vergunninghoudster aangevraagde bouwvergunning verleend onder de voorwaarden als vermeld in de bij dat besluit behorende bijlage 2.

Aangezien verzoeker zich met voornoemde besluiten niet heeft kunnen verenigen, heeft hij er bij schrijven van 3 september 2002 bezwaar tegen gemaakt. Hij heeft de gronden van dat bezwaarschrift bij schrijven van 5 september 2002 van zijn gemachtigde nader aangevuld.

Bij schrijven van 9 september 2002 heeft de gemachtigde van verzoeker de voorzieningenrechter van deze rechtbank tevens verzocht om terzake van voornoemde besluiten een voorlopige voorziening te treffen, strekkende tot –naar de voorzieningenrechter voorshands begrijpt– schorsing van het besluit waarbij verweerder vrijstelling heeft verleend van de voorschriften van meergenoemd bestemmingsplan, alsmede tot schorsing van het besluit waarbij verweerder de gevraagde bouwvergunning aan vergunninghoudster heeft verleend.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoeker onvoldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening, omdat de bouwwerkzaamheden reeds in een vergevorderd stadium zijn.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat in zaken als de onderhavige in redelijkheid niet van verzoeker kan worden verwacht dat hij, teneinde een feitelijk onomkeerbare situatie te voorkomen, de beslissing op zijn bezwaarschrift afwacht. Het voor een procedure als de onderhavige vereiste spoedeisend belang is daarmee dan ook gegeven. Nu verzoeker reeds kort nadat de bouwvergunning was verleend om een voorlopige voorziening heeft verzocht en dat verzoek eerst ter zitting van 20 september 2002 is behandeld, kan hem niet worden tegengeworpen dat de bouwwerkzaamheden in die tussenliggende periode reeds ver gevorderd waren.

Artikel 19, lid 3, van de WRO bepaalt dat burgemeester en wethouders in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen vrijstelling kunnen verlenen van het bestemmingsplan.

Vorenbedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna te noemen: BRO).

Desgevraagd heeft verweerder ter zitting te kennen gegeven dat hij voor het hele bouwplan van vergunninghoudster vrijstelling heeft verleend. Het (ver)bouwen van het pand aan de […] 35a is, aldus verweerder, vrijgesteld op grond van artikel 19, lid 3, van de WRO jo artikel 20, lid 1, onder a, sub 3o, van het BRO en het voorgestane gebruik van dat pand is vrijgesteld op grond van artikel 19, lid 3, van de WRO jo artikel 20, lid 1, onder e, van het BRO.

Ingevolge artikel 20, lid 1, onder a, sub 3o, van het BRO komt –voorzover thans van belang– voor de toepassing van artikel 19, lid 3, van de WRO in aanmerking: een uitbreiding van of een bijgebouw bij een ander gebouw (dan een woongebouw; toevoeging voorzieningenrechter) in de bebouwde kom, (…), mits de uitbreiding niet tot gevolg heeft dat:

a. het aansluitende terrein voor meer dan 50% bebouwd is, en

b. de oppervlakte die op grond van het geldende bestemmingsplan voor bebouwing in aanmerking komt met meer dan 50% wordt overschreden.

Blijkens artikel 20, lid 1, onder e, van het BRO komt verder voor de toepassing van artikel 19, lid 3, van de WRO in aanmerking: een wijziging in het gebruik van opstallen in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft en het gebruik niet meer omvat dan een bruto-vloeroppervlak van

1500 m2.

Met de, in artikel 20, lid 1, onder a, sub 3o, onder a, van het BRO gebezigde, term “het aansluitende terrein” wordt, blijkens de Nota van Toelichting bij de wijzigingen in het BRO van 15 oktober 1999, bedoeld: het terrein dat op grond van het bestemmingsplan voor bebouwing in aanmerking komt.

Blijkens de bij het bestemmingsplan “Nazareth” behorende plankaart heeft een deel van het perceel aan de […] 35a de bestemming “Bebouwingsklasse M1”. De voor deze bestemming aangewezen gronden zijn, blijkens artikel 4 van de bij voornoemd bestemmingsplan behorende planvoorschriften, uitsluitend bestemd voor –voorzover thans van belang– eengezinshuizen alsmede tot maximaal 30% van het aantal panden voor winkels of kleine bedrijven, (…), met daarbij passende andere bouwwerken, alsmede bijgebouwen (…).

Uit vorenbedoelde plankaart en de overgelegde bouwtekeningen terzake van het in geding zijnde bouwplan begrijpt de voorzieningenrechter voorshands dat het deel van het perceel aan de […]weg 35a met de bestemming “Bebouwingsklasse M1” –in de breedte– loopt van de, vanaf de […]weg gezien, linker zijgevel van het thans op dat perceel aanwezige pand tot aan de erfgrens met het in eigendom aan verzoeker toebehorende perceel en –in de diepte– loopt vanaf de […]weg tot aan de uitbouw van het zich op dat perceel bevindende pand. (Vorenbedoeld deel is op de aan deze uitspraak als bijlage 1 gehechte tekening van de bestaande situatie, welke tekening deel uitmaakt van de bouwtekening terzake van de bestaande toestand van voornoemd pand, geel gearceerd.)

De uitbouw van het pand aan de […]weg 35a is op de plankaart aangegeven middels een raster. (Zie de als bijlage 2 aan deze uitspraak gehechte kopie van die kaart.) Blijkens de bij die kaart behorende legenda geeft een dergelijk raster bestaande bebouwing weer. Nu het raster in de legenda is opgenomen onder het kopje “verklaring”, is aan de betreffende uitbouw –naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter– bij het bestemmingsplan “Nazareth” geen bestemming gegeven.

Voor het overige rust op het perceel aan de […]weg 35a de bestemming “achtertuin”. Aan deze bestemming is, blijkens de handgeschreven aantekening op voornoemde legenda, echter goedkeuring onthouden.

Gelet op het vorenstaande, is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat alleen het gedeelte van het perceel aan de […]weg 35a waarop de bestemming “Bebouwingsklasse M1” rust op grond van het bestemmingsplan “Nazareth” voor bebouwing in aanmerking komt. Dat deel dient dan ook te worden aangemerkt als “het aansluitende terrein” als bedoeld in artikel 20, lid 1, onder a, sub 3o, onder a, van het BRO.

Uit de, als bijlage 1 bij deze uitspraak gevoegde, tekening maakt de voorzieningenrechter voorshands op dat “het aansluitende terrein” in de, vóór de bouwwerkzaamheden, bestaande toestand van het pand aan de […]weg 35a reeds voor méér dan de helft was bebouwd. Aan de voorwaarde als genoemd in artikel 20, lid 1, onder a, sub 3o, onder a, van het BRO kan dan ook nimmer voldaan worden. Reeds op deze grond is het –naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter– niet mogelijk om op grond van artikel 19, lid 3, van de WRO jo artikel 20, lid 1, onder a, sub 3o, van het BRO ten behoeve van het onderhavige bouwplan vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan. Het besluit van 2 september 2002 waarbij die vrijstelling wel is verleend zal in een eventuele hoofdzaak dan ook niet kunnen worden gehandhaafd. Hierin ziet de voorzieningenrechter voldoende aanleiding om dat besluit te schorsen.

Het vorenstaande heeft tot gevolg dat het bouwplan van vergunninghoudster niet langer in overeenstemming is met het bestemmingsplan “Nazareth”. In dat geval moet de gevraagde bouwvergunning, ingevolge artikel 44, onder c, van de Woningwet, worden geweigerd. Het besluit van 2 september 2002 waarbij die vergunning is verleend zal in een eventuele hoofdzaak dan ook evenmin kunnen worden gehandhaafd. Hierin ziet de voorzieningenrechter grond om ook dat besluit te schorsen.

Gelet op het vorenstaande en gelet op het bepaalde in artikel 8:82, lid 4, van de Awb dient de gemeente Maastricht het door verzoeker betaalde griffierecht ad € 109,-- te vergoeden.

De voorzieningenrechter acht voorts termen aanwezig om verweerder op grond van artikel 8:84, lid 4, jo artikel 8:75, lid 1, van de Awb te veroordelen in de kosten, die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening redelijkerwijs heeft moeten maken. Die kosten zullen, met toepassing van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna te noemen: Bpb) worden vastgesteld op het hieronder in rubriek III vermelde bedrag, waarbij voor de in aanmerking te brengen proceshandelingen van de gemachtigde van verzoeker twee punten (één voor het indienen van het verzoekschrift en één voor het verschijnen ter zitting) worden toegekend en het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld (wegingsfactor 1,0). Van andere, ingevolge het Bpb voor vergoeding in aanmerking komende, kosten is niet gebleken.

Op grond van het vorenoverwogene wordt, gelet op de artikelen 8:82, 8:84 en 8:75 van de Awb, als volgt beslist.

III. BESLISSING.

De voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht:

1. wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb toe, in dier voege dat verweerders besluit van 2 september 2002, waarbij op grond van het bepaalde in artikel 19, lid 3, van de WRO vrijstelling is verleend van de voorschriften van het bestemmingsplan “Nazareth”, en zijn besluit van –eveneens– 2 september 2002, waarbij aan vergunninghoudster een vergunning als bedoeld in artikel 40 van de Woningwet is verleend voor het verbouwen en uitbreiden van een bestaand pand op het perceel gelegen […]weg 35a, kadastraal bekend gemeente B sectie […] nr. […], worden geschorst tot zes weken na de datum van bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

2. veroordeelt verweerder in de aan de zijde van verzoeker redelijkerwijs gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644,-- (zijnde de kosten van rechtsbijstand), te vergoeden door de Gemeente Maastricht aan verzoeker;

3. bepaalt dat voormelde rechtspersoon aan verzoeker het door hem voor de onderhavige procedure gestorte griffierecht ten bedrage van € 109,-- volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. M.C.A.E. van Binnebeke, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van

mr. J.A.L. Devoi als griffier en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2002 door

mr. Van Binnebeke voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. J. Devoi w.g. M.C. van Binnebeke

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Verzonden op:

27 september ’02

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.