Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2002:AE8633

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
04-07-2002
Datum publicatie
15-10-2002
Zaaknummer
AWB 02/242 WW44 I
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Reg.nr: AWB 02/242 WW44 I

UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in het geding tussen

1. [eiser 1] B.V., gevestigd te [plaats 1] ,

2. [eiser 2], wonende te [plaats 1],

en

3. [eiser 3], wonende te [plaats 3], eisers,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Margraten, gevestigd te Margraten, verweerder.

Datum bestreden besluit: 30 januari 2002.

Kenmerk: 6310.

Behandeling ter zitting: 2 juli 2002.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 30 januari 2002 heeft verweerder –voorzover thans van belang– het namens eisers ingediende bezwaarschrift tegen verweerders besluit van 16 mei 2001, waarbij aan de Coöperatieve Fruitveiling Zuid-Limburg B.A. (hierna te noemen: vergunninghoudster) een vergunning is verleend voor de bouw van een fustloods op het perceel kadastraal bekend gemeente Margraten, sectie H, nrs. 86, 87, 141, plaatselijk bekend Aan de Fremme 33 te Margraten, niet-ontvankelijk verklaard.

Bij schrijven van 14 februari 2002 van hun gemachtigde (mr. Th.A.G. Vermeulen, advocaat te Rosmalen) hebben eisers tegen voornoemd besluit bij deze rechtbank beroep ingesteld. Daarbij is tevens verzocht om de zaak, op grond van artikel 8:52 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna te noemen: Awb), versneld te behandelen en af te doen zonder zitting. Dat verzoek is bij beschikking van 21 februari 2002 van deze rechtbank afgewezen.

Op 27 februari 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Het verweerschrift en de door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken zijn in afschrift aan mr. Vermeulen verzonden.

Bij schrijven van 6 maart 2002 van mr. Vermeulen hebben eisers de gronden van hun beroepschrift nader aangevuld.

Daarop heeft verweerder bij schrijven van 22 maart 2002 een aanvullend verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 2 juli 2002, alwaar eisers en mr. Vermeulen, laatstgenoemde met kennisgeving, niet zijn verschenen. Verweerder is –met kennisgeving– evenmin verschenen, evenals vergunninghoudster.

II. OVERWEGINGEN.

Verweerder heeft bij besluit van 16 mei 2001 aan vergunninghoudster een vergunning verleend voor het bouwen van een fustloods op het perceel kadastraal bekend gemeente Margraten, sectie H, nrs. 86, 87, 141, plaatselijk bekend Aan de Fremme 33 te Margraten.

Bij schrijven van 22 juni 2001 heeft mr. Vermeulen namens eisers een bezwaarschrift ingediend tegen voornoemd besluit. De gronden van dat bezwaarschrift zijn bij schrijven van 9 juli 2001 van mr. Vermeulen nader aangevuld.

In het kader van het namens eisers ingediende bezwaarschrift heeft er op 27 september 2001 een hoorzitting plaatsgevonden.

Bij schrijven van 18 december 2001 heeft verweerder, op grond van het bepaalde in artikel 2:1 van de Awb, mr. Vermeulen verzocht om een machtiging over te leggen waaruit blijkt dat eisers hem voor het voeren van de procedure in bezwaar hebben gemachtigd.

Daarop heeft mr. Vermeulen bij schrijven van 4 januari 2002 een drietal machtigingen doen toekomen aan verweerder. Die machtigingen dateren alle van 3 januari 2002.

Bij besluit van 30 januari 2002 heeft verweerder –voorzover thans van belang– het namens eisers ingediende bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een machtiging waaruit blijkt dat mr. Vermeulen ten tijde van het instellen van bezwaar reeds door eisers gemachtigd was om hen te vertegenwoordigen. Tevens heeft verweerder bij dat besluit ambtshalve in heroverweging besloten de bouwvergunning voor de bouw van een fustloods op het betrokken perceel te weigeren.

Daar eisers zich met laatstgenoemd besluit niet konden verenigen, hebben zij daar bij schrijven van 14 februari 2002 van mr. Vermeulen beroep tegen ingesteld. De gronden van het beroepschrift zijn bij schrijven van 6 maart 2002 van mr. Vermeulen nader aangevuld.

In beroep is –voorzover thans van belang– namens eisers aangevoerd dat verweerder het namens hen ingediende bezwaarschrift ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat van een onbevoegd ingediend bezwaarschrift danwel anderszins in bezwaar handelen van mr. Vermeulen zonder hun uitdrukkelijke opdracht geen sprake is geweest. De bij schrijven van 4 januari 2002 overgelegde machtigingen bevestigen immers, aldus eisers, hun eerdere mondelinge opdracht aan mr. Vermeulen om terzake van bezwaar, beroep en voorlopige voorziening met betrekking tot de bij besluit van 16 mei 2001 verleende bouwvergunning voor de fustloods te Margraten al het nodige te doen respectievelijk na te laten om het betreffende besluit te bestrijden. Eisers stellen dat uit die betreffende machtigingen niet blijkt dat deze eerst gelden vanaf 3 januari 2002. Zij stellen dat zij zich reeds vanaf mei/juni 2001 actief met de procedure beziggehouden hebben. In dat kader voeren eisers aan dat twee van hen zowel bij de mondelinge behandeling op 11 juli 2001 van het namens hen, op 22 juni 2001 bij deze rechtbank, ingediende verzoek om een voorlopige voorziening als bij de in het kader van de bezwaarprocedure op 27 september 2001 gehouden hoorzitting aanwezig zijn geweest.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers geen processueel belang hebben bij een vernietiging van het thans bestreden besluit, omdat dat besluit geheel tegemoetkomt aan het door hen ingediende bezwaarschrift.

Eisers stellen daartegenover dat zij een dergelijk belang wèl hebben en dat dit belang is gelegen in de vergoeding van de gemaakte proceskosten c.q. de kosten van inschakeling van deskundigenbijstand. Zij voeren daartoe aan dat in geval van niet-ontvankelijkheid voornoemde kosten voor hun rekening blijven. In geval van ontvankelijkheid is er, aldus eisers, geoordeeld naar aanleiding van hun bezwaren, zodat bij aan te tonen onrechtmatigheid c.q. onzorgvuldigheid van verweerder proceskosten en kosten van deskundigenbijstand op hem kunnen worden verhaald.

Met de hierboven nader genoemde kosten doelen eisers –naar de rechtbank begrijpt– op de kosten die zij hebben moeten maken in de bestuurlijke voorprocedure, dus in de procedure van bezwaar. Vergoeding van die kosten kan langs meerdere wegen worden verkregen. Zo kan die vergoeding

–voorzover thans van belang– bereikt worden via de weg van het zuivere schadebesluit of via de rechtsgang naar de burgerlijke rechter. Voor de toewijsbaarheid van de vordering tot vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten is het van belang dat de proceskostenschade door de overheid onrechtmatig veroorzaakt is. Hierop gelet, is de rechtbank van oordeel dat eisers voldoende processueel belang hebben bij de behandeling van het namens hen ingediende beroepschrift.

De vraag die in dit geding centraal staat is of verweerder het namens eisers ingediende bezwaar tegen zijn besluit van 16 mei 2001 terecht bij besluit van 30 januari 2002 niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Ingevolge artikel 2:1, lid 1, van de Awb kan een ieder zich, ter behartiging van zijn belangen in het verkeer met bestuursorganen, laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen. Blijkens lid 2 van dat artikel kan het bestuursorgaan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen.

Verweerder heeft bij schrijven van 18 december 2001 gebruik gemaakt van de hem op grond van artikel 2:1, lid 2, van de Awb toekomende –discretionaire– bevoegdheid om van mr. Vermeulen, die namens eisers een bezwaarschrift heeft ingediend tegen verweerders besluit van 16 mei 2001, een schriftelijke machtiging te verlangen.

Daarop heeft mr. Vermeulen bij schrijven van 4 januari 2002 kopieën van de door respectievelijk namens eisers aan hem gegeven machtigingen doen toekomen.

Die machtigingen luiden alle –voorzover thans van belang– als volgt:

“Hierbij machtig ik [naam eiser(es)], advocaat en procureur mr. Th.A.G. Vermeulen te Rosmalen (gemeente ’s-Hertogenbosch) om ter zake van bezwaar, beroep en voorlopige voorziening met betrekking tot de bouwvergunning voor de fustloods van de veiling Margraten d.d. 16 mei 2001 al het nodige te doen, c.q. na te laten om het betreffende besluit van burgemeester en wethouders van Margraten te bestrijden.

[naam eiser(es)]

[plaats ondertekening], 3 januari 2002”

Verweerder stelt zich in het thans bestreden besluit op het standpunt dat uit die machtigingen niet kan worden opgemaakt dat mr. Vermeulen ten tijde van het instellen van bezwaar reeds door eisers gemachtigd was om hen te vertegenwoordigen, omdat die machtigingen dateren van 3 januari 2002 en het betreffende bezwaarschrift dateert van 22 juni 2001.

Het verlenen van een machtiging is niet aan enig vormvoorschrift verbonden: een machtiging kan zowel mondeling als schriftelijk verleend worden. Hierop gelet en gelet op het feit dat de procedure van bezwaar expliciet in de betreffende machtigingen staat vermeld, acht de rechtbank het aannemelijk dat –zoals eisers stellen– bij de, bij schrijven van 4 januari 2002 overgelegde, schriftelijke machtigingen de eerdere mondelinge opdracht van eisers aan mr. Vermeulen om terzake van bezwaar, beroep en voorlopige voorziening met betrekking tot de bij besluit van 16 mei 2001 afgegeven bouwvergunning al het nodige te doen respectievelijk na te laten om dat besluit te bestrijden wordt bevestigd. Het feit dat de –schriftelijke– machtigingen dateren van een latere datum dan die waarop verweerder het bezwaarschrift heeft ontvangen, zijnde 26 juni 2001, impliceert –naar het oordeel van de rechtbank– dus niet dat mr. Vermeulen eerst vanaf de ondertekening van die machtigingen, zijnde 3 januari 2002, door eisers gemachtigd was.

Nu verweerder aan zijn beslissing op bezwaar van 30 januari 2002 ten grondslag heeft gelegd dat uit de –schriftelijke– machtigingen niet kan worden opgemaakt dat mr. Vermeulen reeds ten tijde van het instellen van bezwaar door eisers gemachtigd was om hen te vertegenwoordigen omdat die machtigingen dateren van 3 januari 2002, moet op basis van het vorenoverwogene worden geoordeeld dat verweerder in strijd met het motiveringsbeginsel heeft gehandeld. De grief van eisers is in zoverre dan ook gegrond, zodat de rechtbank het thans bestreden besluit, ingevolge artikel 8:72, lid 1, van de Awb, zal vernietigen.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat ten aanzien van eisers sub 1 en 3 de rechtsgevolgen van dat besluit in stand gelaten dienen te worden. Dienaangaande wordt het volgende overwogen.

Ten aanzien van eiseres sub 1:

De namens eiseres sub 1 aan mr. Vermeulen afgegeven machtiging is ondertekend door eiser sub 2. Hij heeft die machtiging, zo staat daar expliciet in vermeld, ondertekend in zijn hoedanigheid van directeur van [bestuurster] Holding B.V..

Blijkens het –desgevraagd– door eisers in het geding gebrachte uittreksel uit het Handelsregister, is [bestuurster] Holding B.V. de, alleen/zelfstandig bevoegde, bestuurster van eiseres sub 1. Nu terzake van [bestuurster] Holding B.V. geen uittreksel uit het Handelsregister is overgelegd, is niet vast te stellen of de persoon die de namens eiseres sub 1 afgegeven machtiging heeft ondertekend (eiser sub 2) bevoegd is om, alleen/zelfstandig, namens de bestuurster van eiseres sub 1 ([bestuurster] Holding B.V.) aan mr. Vermeulen een machtiging als hierboven genoemd te verlenen. Hierop gelet, is de rechtbank van oordeel dat de namens eiseres sub 1 afgegeven machtiging niet deugdelijk is. Het moet er dan ook voor gehouden worden dat mr. Vermeulen het betreffende bezwaarschrift niet namens eiseres sub 1 heeft ingediend. Zij is om deze reden dan ook niet-ontvankelijk in het namens haar ingediende bezwaar. De rechtbank ziet in het vorenoverwogene aanleiding om, met toepassing van artikel 8:72, lid 3, van de Awb, de rechtsgevolgen van het thans bestreden besluit ten aanzien van eiseres sub 1 in stand te laten.

Ten aanzien van eiser sub 3:

De namens eiser sub 3 aan mr. Vermeulen afgegeven machtiging is ondertekend door eiser sub 2. Hij heeft die machtiging, zo is daar met de hand bij geschreven, ondertekend in zijn hoedanigheid van gevolmachtigde van eiser sub 3.

Er zijn geen stukken in het geding gebracht waaruit blijkt dat eiser sub 3 eiser sub 2 heeft gemachtigd om namens hem aan mr. Vermeulen de litigieuze machtiging te verlenen. Hierop gelet, is de rechtbank van oordeel dat de namens eiser sub 3 afgegeven machtiging evenmin deugdelijk is. Het moet er dan ook voor gehouden worden dat mr. Vermeulen het betreffende bezwaarschrift niet namens eiser sub 3 heeft ingediend. Eiser sub 3 is dan ook om deze reden niet-ontvankelijk in het namens hem ingediende bezwaar. De rechtbank ziet hierin aanleiding om, met toepassing van artikel 8:72, lid 3, van de Awb, ten aanzien van eiser sub 3 de rechtsgevolgen van het bestreden besluit eveneens in stand te laten.

Ten aanzien van eiser sub 2:

Nu het tegendeel gesteld noch gebleken is, acht de rechtbank het aannemelijk dat eiser sub 2 zelf een machtiging heeft verleend aan mr. Vermeulen en dat hij de –schriftelijke– machtiging van 3 januari 2002 ook zelf heeft ondertekend. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat die machtiging deugdelijk is, zodat het aannemelijk is dat mr. Vermeulen bevoegd was om het betreffende bezwaarschrift namens eiser sub 2 in te dienen. Hierop gelet en gelet op het vorenoverwogene, zal de rechtbank, met inachtneming van het bepaalde in artikel 8:72, lid 4, van de Awb, verweerder opdragen om een nieuw besluit op het bezwaarschrift van 22 juni 2001 te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75, lid 1, van de Awb te veroordelen in de kosten, die eisers in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs hebben moeten maken. Die kosten zullen, met toepassing van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna te noemen: Bpb), worden vastgesteld op het hieronder in rubriek III vermelde bedrag, waarbij voor de in aanmerking te brengen proceshandelingen van de gemachtigde van eisers één punt (voor het indienen van het beroepschrift) wordt toegekend en het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld (wegingsfactor 1,0). Van andere, ingevolge het Bpb voor vergoeding in aanmerking komende, kosten is niet gebleken.

Op grond van het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING.

De rechtbank te Maastricht:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat ten aanzien van eiseres sub 1 en eiser sub 3 de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand worden gelaten;

- draagt verweerder op om ten aanzien van eiser sub 2 een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift van 22 juni 2001, waarvan de gronden bij schrijven van 9 juli 2001 nader zijn aangevuld;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de kosten van de onderhavige procedure bij de rechtbank, aan de zijde van eisers begroot op € 322,-- (zijnde de kosten van rechtsbijstand), te vergoeden door de gemeente Margraten aan eisers;

- bepaalt dat voornoemde rechtspersoon aan eisers het door deze voor de onderhavige procedure gestorte griffierecht ten bedrage van € 218,-- volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. T.E.A. Willemsen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.L. Devoi als griffier en in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2002 door mr. Willemsen voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. J. Devoi w.g. Willemsen

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Verzonden op: 4 juli 2002

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.