Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2002:AE8629

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
15-08-2002
Datum publicatie
14-10-2002
Zaaknummer
AWB 02/1117 OSV VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Niet in behandeling nemen aanvraag om deskundigenoordeel ex art. 30.1.f Wet SUWI is niet gericht op rechtsgevolg.

Afwijzing aanvraag om deskundigenoordeel inzake reïntegratie-inspanningen.

Verzoekster is 15-25% arbeidsongeschikt en niet meer geschikt voor haar eigen werk, maar wel voor ander passend werk. Gelet op de beperkingen van veroekster bleek terugkeer in andere functie bij haar werkgever niet mogelijk. Ook op grond van later onderzoek van de arbeidsdeskundige van de Arbo Unie wordt geconcludeerd dat hervatting van verzoekster op verschillende werkplekken niet mogelijk is. Verzoek om op grond van art. 38 Organisatiewet Sociale Verzekeringen (OSV) te onderzoeken of er sprake is van passende werkaamheden binnen het bedrijf is door verweerder verzoekster niet in behandeling genomen, omdat bedoeld onderzoek in het kader van de WAO heeft plaatsgevonden. Terzake van dit besluit heeft verzoeksters gemachtigde gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.

Nu de OSV is vervallen ingaande 1 januari 2002 is niet art. 38 OSV maar art. 30.1.f Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI) van toepassing. Vooralsnog is de voorzieningenrechter van oordeel dat de weigering van verweerder het verzoek om een deskundigenonderzoek in behandeling te nemen geen besluit is in de zin van art. 1:3 Awb, nu er voor verzoekster geen rechtsgevolgen verbonden zijn aan die weigering. De voorzieningenrechter overweegt verder nog -ten overvloede- dat naar haar oordeel de taak als neergelegd in art. 30 Wet Suwi een inspanningsverplichting voor verweerder betreft, waarop verzoekster als zodanig geen rechten kan doen gelden.

De Raad van Bestuur van het UWV, verweerder.

mr. M.C.A.E. van Binnebeke

Awb 1:3

Organisatiewet Sociale Verzekeringen (oud) 38

Wet structuur uitvoeringsorganisatie 30.1.f

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR 2004, 50 met annotatie van P.S. Fluit

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Reg.nr: AWB 02/1117 OSV VV

UITSPRAAK van de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen:

A e/v B te C, verzoekster,

en

Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen -GAK Heerlen-, gevestigd te Amsterdam, verweerder.

Toepassing van artikel 8:81 van de Awb wordt verzocht ten aanzien van het besluit van verweerder van 16 juli 2002.

Kenmerk: 2044.16.139.

Behandeling ter zitting: vrijdag 9 augustus 2002.

I. PROCESVERLOOP.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak vermelde schrijven heeft verweerder de aanvraag om een deskundigenoordeel inzake reïntegratieinspanningen afgewezen.

Tegen dit besluit is namens verzoekster op 26 juli 2002 bezwaar gemaakt. Tevens heeft de gemachtigde van verzoekster zich gewend tot de voorzieningenrechter met het verzoek terzake een voorlopige voorzieing te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb. Het verzoek strekt tot het gelasten van verweerder een zogenaamd deskundigenonderzoek te verrichten.

De door verweerder terzake van de procedure ingezonden stukken zijn op 7 augustus 2002 aan de gemachtigde van verzoekster gezonden.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de voorzieningenrechter op 9 augustus 2002. Namens verzoekster is haar gemachtigde verschenen, mr. J.T.J. Poell, jurist bij FNV Ledenservice. Verweerder heeft zich, als aangekondigd, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN.

In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de president van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De president ziet geen beletselen verzoekster in haar verzoek ex artikel 8:81 van de Awb te ontvangen.

Verzoekster is op 31 januari 2000 arbeidsongeschikt geworden voor haar functie van controller medewerkster […] bij […] BV te C. Na 52 weken onafgebroken arbeidsongeschiktheid is door verweerder vastgesteld dat verzoekster niet meer geschikt is voor haar eigen werk, maar wel voor ander passend werk. Verzoekster is voor 15-25% arbeidsongeschikt geacht. In februari 2001 heeft de bedrijfsarts onderzocht of verzoekster in een andere functie terug kon keren bij haar werkgever. Gelet op de beperkingen van verzoekster bleek dit echter niet mogelijk. In oktober 2001 heeft de arbeidsdeskundige van de Arbo Unie op verzoek van de werkgever nieuw onderzoek gedaan naar reïntegratie. Echter ook dan wordt geconcludeerd dat hervatting van verzoekster op verschillende werkplekken niet mogelijk is.

Op 6 mei 2002 heeft verzoeksters gemachtigde zich gewend tot verweerder met het verzoek op grond van artikel 38 van de Organisatiewet Sociale Verzekeringen (OSV) te onderzoeken of er sprake is van passende werkzaamheden binnen het bedrijf. Hierbij is opgemerkt dat een aantal functies met nieuwe machines wordt uitgevoerd die een aanmerkelijke verlichting met zich meebrengen.

Bij brief van 16 juli 2002 heeft verweerder verzoekster meegedeeld de aanvraag niet in behandeling te zullen nemen, omdat bedoeld onderzoek in het kader van de WAO heeft plaatsgevonden.

Terzake van dit besluit heeft verzoeksters gemachtigde gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.

Ter zitting heeft verzoeksters gemachtigde aangegeven dat niet artikel 38 OSV maar artikel 30, eerste lid onder f, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI) van toepassing is, nu de OSV is vervallen ingaande 1 januari 2002.

De voorzieningenrechter wijst dit verzoek af. Vooralsnog is de voorzieningenrechter van oordeel dat de weigering van verweerder het verzoek om een deskundigenonderzoek in behandeling te nemen geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb, nu er voor verzoekster geen rechtsgevolgen verbonden zijn aan die weigering.

De voorzieningenrechter overweegt verder nog -ten overvloede- dat naar haar oordeel de taak als neergelegd in artikel 30 Wet Suwi een inspanningsverplichting voor verweerder betreft, waarop verzoekster als zodanig geen rechten kan doen gelden.

Aangezien het schrijven van 16 juli 2002 naar voorlopig oordeel geen besluit behelst in de zin van artikel 1:3 van de Awb, staat tegen dat besluit niet de mogelijkheid van bezwaar open, en zal verzoekster naar verwachting in dat bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard. Bijgevolg bestaat er geen aanleiding tot het treffen van enigerlei voorlopige voorziening.

Op grond van het bepaalde in artikel 8:84 van de Awb wordt mitsdien als volgt beslist.

III. BESLISSING.

De voorzieningenrechter te Maastricht:

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. M.C.A.E. van Binnebeke in tegenwoordigheid van mr. R.A.B. Bollen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 15 augustus 2002 door mr. Van Binnebeke voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. R. Bollen w.g. M.C. van Binnebeke

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Verzonden op: 21 augustus 2002

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.