Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2002:AE8044

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
24-09-2002
Datum publicatie
25-09-2002
Zaaknummer
03-008206-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 03/008206-02

Datum uitspraak: 24 september 2002

RECHTBANK MAASTRICHT

VONNIS

op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortedatum/plaats],

wonende te [woonplaats/adres verdachte],

thans gedetineerd in de P.I. "Grave" te Grave.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 september 2002.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 3 mei 2002 in de gemeente Maastricht opzettelijk (en met voorbedachten rade) [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet (en na kalm beraad en rustig overleg)(genoemde [slachtoffer] beetgepakt waarna en/of waarbij hij, verdachte) genoemde [slachtoffer] met een mes, in elk geval met een scherp voorwerp, een of meermalen in de hals(streek), in elk geval in het lichaam, heeft gestoken en/of gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2.

hij op of omstreeks 3 mei 2002 en/of 11 juni 2002 in de gemeente Maastricht, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1.

hij op 3 mei 2002 in de gemeente Maastricht opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet genoemde [slachtoffer] met een mes, in de hals gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2.

hij op 3 mei 2002 en 11 juni 2002 in de gemeente Maastricht als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet tot ongewenst vreemdeling was verklaard.

De partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte de hierboven omschreven feiten heeft begaan, op feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op strafbare feiten welke moeten worden gekwalificeerd als volgt:

Feit 1:

doodslag,

voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht;

Feit 2:

als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard, meermalen gepleegd,

voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht.

De strafbaarheid van de verdachte

Namens de verdachte is een beroep op noodweer gedaan. Voor het geval dat verweer niet mocht slagen is een beroep op noodweerexces gedaan. Hiertoe is het volgende aangevoerd:

De verdachte heeft tijdens een hevige worsteling met het slachtoffer een geopend mes in de hand genomen om [slachtoffer] er toe te bewegen aan deze vechtpartij een einde te maken. Daarna heeft hij het appartement van het slachtoffer verlaten. De verdachte heeft over dit moment bij de politie verklaard: "Omdat ik mezelf ken en bang was dat er ergere dingen zouden gebeuren besloot ik de woning van [slachtoffer] te verlaten."

De vriendin van de verdachte, [naam vriendin verdachte], bleef op dat moment in de woning van [slachtoffer] achter omdat zij nog enkele bezittingen wilde inpakken. Toen de verdachte bij de lift was aangekomen hoorde hij zijn vriendin schreeuwen. Hierover heeft de verdachte bij de politie verklaard: "Ik ervoer dit als akelig er was angst en paniek in haar stem. Ik hoorde bovendien het geluid van klappen. Ik was er van overtuigd dat [slachtoffer] bezig was om [naam vriendin verdachte] af te tuigen. Ik besloot om terug te lopen naar de woning van [slachtoffer]". Eenmaal binnen zag hij dat [naam vriendin verdachte] niet meer bedreigd werd door [slachtoffer] maar nu werd hij zelf aangevallen. In een reflex heeft hij toen één of twee keer toegestoken.

Naar aanleiding van dit verweer overweegt de rechtbank het volgende:

De rechtbank acht het op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk geworden dat de verdachte naar de woning van [slachtoffer] terugkeerde om [naam vriendin verdachte] te "ontzetten". Uit[namen getuigen], buren van [slachtoffer], komt naar voren dat zij geluiden en stemmen hoorden in de woning van [slachtoffer]. [naam getuige] heeft de verdachte ook tegen de voordeur van de woning van [slachtoffer] zien slaan en schoppen. Maar deze getuigen verklaren niets over aanhoudend paniekerig geschreeuw van een vrouw, zoals de verdachte zegt gehoord te hebben. Daarbij komt dat uit het proces-verbaal van de technische recherche is gebleken dat de lift, waar de verdachte naar zijn zeggen het geschreeuw van [naam vriendin verdachte] heeft gehoord, zich bevindt in een met een deur afgesloten hal aan het einde van de galerij. Daarom acht de rechtbank het onaannemelijk dat de verdachte -die verder van de bron van het geluid verwijderd was dan beide getuigen- wel geschreeuw gehoord zou hebben.

Het vorenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat de verdachte niet onder de invloed van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zijn vriendin is teruggekeerd naar de woning van [slachtoffer] maar zonder noodzaak.

Resteert de vraag of de verdachte dan wellicht in een noodweer(exces)situatie is beland toen hij de woning van [slachtoffer] weer was binnengegaan. Ook dat acht de rechtbank niet het geval.

De verdachte moet zich er van bewust zijn geweest dat [slachtoffer], met wie hij zojuist een hevige worsteling had gevoerd, nog in een bijzonder geladen stemming zou verkeren. Ook de verdachte verkeerde in een emotioneel geladen stemming, getuige zijn verklaring dat hij eerder de woning van [slachtoffer] had verlaten "omdat hij zich zelf kende en bang was dat er ergere dingen zouden gebeuren". Het risico dat een nieuwe confrontatie zou ontstaan was dus aanzienlijk. Dat de verdachte zich van het risico van een nieuwe confrontatie ook zeer goed bewust was blijkt wel uit het feit dat hij, volgens zijn eigen verklaring, het geopende mes in zijn hand hield toen hij op de deur sloeg om binnen gelaten te worden en hij ook met dat geopende mes in zijn hand het appartement is binnengegaan. De verdachte heeft dus naar het oordeel van de rechtbank bewust het risico aanvaard dat er wederom een gewelddadige situatie zou ontstaan.

Daarnaast impliceert noodweer verdedigend optreden. Gedrag dat in wezen agressief is van aard wordt niet beschermd. De verdachte is teruggekeerd naar de woning van [slachtoffer] en heeft door agressief slaan en schoppen tegen de voordeur afgedwongen dat hij werd binnengelaten. Hij is vervolgens met een geopend mes de woning binnengestormd waar hij in confrontatie is gekomen met [slachtoffer]. Dit handelen van de verdachte geeft geen blijk van de voor een beroep op noodweer vereiste wil om te verdedigen, maar juist van agressief gedrag, gericht op de aanval. Van noodweer (exces) kan dan geen sprake zijn.

De rechtbank verwerpt derhalve het beroep op noodweer(exces).

Nu er evenmin is gebleken van andere omstandigheden die de strafbaarheid uitsluiten is de verdachte strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf en maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf en maatregel is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede het belang van een juiste normhandhaving;

- het gewelddadig karakter van het bewezen verklaarde en de maatschappelijke onrust die mede daarvan het gevolg is.

Het in de beslissing als zodanig te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een stiletto, is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet. Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het een voorwerp is met behulp waarvan het onder 1 bewezen verklaarde is begaan. Dit voorwerp zal aan het verkeer worden onttrokken.

De op te leggen straf en maatregel zijn -behalve op voormelde artikelen- gegrond op de artikelen 10, 27, 36b, 36c en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven,

heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen

verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

- veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van zes jaren;

- beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige

hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal

worden gebracht;

- verklaart onttrokken aan het verkeer de in beslag genomen, nog niet teruggegeven, stiletto.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. A.J. Hazen, voorzitter, mr. R.H.J. Otto en mr. R.A.J. van Leeuwen, rechters, in tegenwoordigheid van J.Th.G. Coenders, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 september 2002.