Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2002:AE7492

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
15-08-2002
Datum publicatie
11-09-2002
Zaaknummer
61850 / HA ZA 00-1241
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Vonnis: 15 augustus 2002

Zaaknummer: 61850 / HA ZA 00-1241

De rechtbank te Maastricht, enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van:

[eiser],

wonende te Oirsbeek (gemeente Schinnen),

eiser,

procureur mr. E.H.J.M. Rutten;

tegen

de openbare rechtspersoon GEMEENTE SCHINNEN,

waarvan de zetel is gevestigd te Schinnen,

gedaagde,

procureur mr. Ch.M.E.M. Paulussen.

1. Het verloop van de procedure

Eiser, verder te noemen "[eiser]", heeft gedaagde, verder te noe-men "de gemeente Schinnen", gedagvaard om te verschijnen voor deze rechtbank en heeft overeenkomstig die dagvaarding geconcludeerd voor eis.

De rechtbank heeft deze zaak gevoegd op de rol met de onder rolnummer 61871 en 63230 aanhangige zaken.

De gemeente Schinnen heeft geconcludeerd voor antwoord.

Op de voet van artikel 141a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is een comparitie na antwoord gelast. Van het ver-han-delde ter comparitie is proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt.

[eiser] heeft daarop gerepliceerd, waarna de gemeente Schinnen heeft gedupliceerd.

Bij alle genoemde conclusies, behoudens de conclusie van dupliek, zijn door partijen producties overgelegd.

Tenslotte hebben partijen de rechtbank verzocht te beslissen op het rechtbankdossier, waarna de uitspraak van het vonnis nader is bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1 [eiser] is eigenaar van een oude carré-boerderij te Oirsbeek die is gelegen aan de [straat 1] ter plaatse van de kruising met de [straat 2] en de [straat 3], welke locatie naar [eiser] onbetwist heeft gesteld het laagste punt vormt in Oirsbeek. Voorts is het zo dat de openbare weg hoger ligt dan de boerderij; volgens [eiser] is sprake van een

hoogteverschil van 50 centimeter met de binnenplaats, hetgeen is veroorzaakt door diverse ophogingen van het straatniveau in de loop der tijd.

2.2 Op diverse data is [eiser] tijdens regenval geconfronteerd met wateroverlast doordat rioolwater uit het openbaar riool stroomde (hierna ook: "opstuwend rioolwater"), waardoor schade aan zijn boerderij is ontstaan. Omdat [eiser] nooit eerder last heeft gehad van opstuwend rioolwater en de overlast is begonnen tijdens de uitvoering van werkzaamheden aan het riool - dat moest worden vernieuwd wegens ondercapaciteit en mijnschade - en sedertdien herhaaldelijk is voorgekomen, rijst volgens [eiser] het vermoeden dat bedoelde overlast verband houdt met die werkzaamheden.

2.3 De rioolwateroverlast heeft op navolgende data plaatsgevonden. Daarbij worden hier tevens de neerslaggegevens vermeld zoals deze als enerzijds gesteld en anderzijds niet, dan wel onvoldoende betwist, op grond van de stukken tussen partijen als vaststaand hebben te gelden.

1)

a. Op 14 juli 1997 werd door Vissers B.V. aan het riool gewerkt. Een inspectieput lag open, die gedurende de uitvoering van de werkzaamheden overdag aan een zijde was afgesloten. Het af te voeren water werd vanuit de put via slangen omgepompt. Omstreeks 11.30 uur is rioolwater tijdens een regenbui (van 11.00 uur tot 14.15 uur, in totaal 10 mm) in de put opgestuwd en uitgestroomd op straat, waarna het rioolwater de binnenplaats van de carré-boerderij bereikte en ernstige vervuiling veroorzaakte.

b. Op dezelfde dag viel bij een regenbui tussen 22.00 uur en 23.30 uur 25 mm neerslag (gemiddeld eens in de 5 jaar). Omstreeks 22.30 uur werd wederom via de openliggende inspectieput rioolwater opgestuwd met hetzelfde gevolg als eerder op die dag. Voorts stelt [eiser] dat sprake was van het terugstromen van rioolwater in de boerderij via op het riool aangesloten lozingstoestellen, waardoor schade in de boerderij ontstond.

2) Op 6 juni 1998 is sprake geweest van in totaal ongeveer 60 mm neerslag, waarbij tussen 18.30 uur en 19.15 uur 33 mm regen is gevallen (eens in de 50 jaar). De deksels van de inspectieputten werden door de waterdruk naar boven geduwd, zodat rioolwater kon uitstromen met opstal- en inboedelschade bij [eiser] tot gevolg.

3) Op 5 juli 1999 is gedurende 4 uren tijd 47 mm regen gevallen (eens in de 65 jaar). Het opstuwende rioolwater veroorzaakte wederom schade.

4) Op 19 juli 1999 viel 17,6 mm neerslag (tijd onbekend, eens in de twee jaar), weer met opstuwend rioolwater tot gevolg.

2.4 De schade als gevolg van de hierboven gemelde vijf gebeurtenissen (de rechtbank houdt de nummering aan) berekent [eiser] als volgt.

Schade 1a: f 320,00 (zie CvE, prod. 3)

1b: 6.029,00 ( " )

6.349,00

af: - 1.034,00 (vergoed door verzekering)

rest 5.315,00

Schade 2: 6.000,00 (zie specificatie CvE, sub 10)

Schade 3: 650,00 (zie specificatie CvE, sub 11)

Schade 4: 120,00 ( " )

Daarnaast maakt [eiser] aanspraak op een bedrag van in totaal f 52.500,-, dat bestaat uit f 40.000,- wegens waardedaling van zijn boerderij en f 12.500,- voor fysieke schade aan de opstallen, een en ander conform een door hem overgelegd taxatierapport van Euveko (zie CvE, prod. 5).

Voorts wenst [eiser] nog zijn buitengerechtelijke kosten op de gemeente Schinnen te verhalen, te weten f 5.771,83 i.v.m. kosten advocaat, f 1.183,35 kosten rapport ir. Van de Kant (zie ook hierna) en f 1.251,37 wegens kosten taxatie Euveko.

2.5 [eiser] heeft op eigen initiatief onderzoek laten doen naar de oorzaak van de door hem ondervonden rioolwateroverlast, waarvoor hij ir. Van de Kant heeft aangezocht. Uit diens rapport (CvE, prod. 7) - waarnaar hier kortheidshalve wordt verwezen - begrijpt de rechtbank dat de gemeente Schinnen de verkeerde volgorde heeft gehanteerd bij het realiseren van de kennelijk noodzakelijke verbeteringen van het rioolstelsel. Men had eerst een buffer moeten realiseren voor het water uit Heerlen en Brunssum, waarna pas de vernieu-wing van het riool had dienen plaats te vinden. Dit zou des te aannemelijker zijn omdat de overlast is begonnen sedert de vernieuwingswerkzaamheden aan het riool, terwijl voorheen nooit sprake was van problemen met opstuwend rioolwater (zie ook onder 2.2). [eiser] wijst er in dat verband op dat tijdens een noodweer in 1993 (regenbui eens in de 45 jaar), waarbij in Schinnen aanzienlijke wateroverlast is opgetreden, het riool ter plaatse van zijn boerderij geen problemen gaf, terwijl dit na de uitvoering van het werk wél het geval was bij de kleinere regenbui met 17,6 mm neerslag op 19 juli 1999 (eens in de 1 of 2 jaar).

2.6 Als juridische grondslag van zijn vordering baseert [eiser] zich primair op artikel 6:174 Burgerlijk Wetboek (BW), nu het riool volgens hem gebrekkig was door het ontbreken van afdoende buffers alsmede door gebrekkig onderhoud aan het stelsel ter plaatse. Met dat laatste heeft [eiser] naar de rechtbank begrijpt enerzijds het oog op de mijnschade (verzakking) en anderzijds op de door Centraal Beheer aan de gemeente Schinnen bij brief van 29 juni 1998 gemelde gedeeltelijke verstopping door de aanwezigheid van modder als gevolg van een eerdere bui op 11 juni 1997 (zie CvE, sub 15), een en ander voor zover het de eerste calamiteit van 14 juli 1997 betreft.

Als subsidiair fundament ziet [eiser] artikel 6:162 BW, nu de gevolgde wijze van riool-aanleg jegens hem onrechtmatig moet worden geoordeeld.

Ten laatste verwijst [eiser] naar het leerstuk omtrent schadevergoeding bij rechtmatige overheidsdaad.

2.7 Op grond van het bovenstaande vordert [eiser] dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1) de gemeente Schinnen zal veroordelen om aan hem te betalen een bedrag van f 64.585,- wegens schade geleden aan en rondom zijn pand, althans een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie zal bepalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade, althans vanaf de dag van het verzuim tot aan de dag der algehele voldoening;

2) de gemeente Schinnen zal veroordelen om aan hem te betalen een bedrag van f 1.251,37 (taxatierapport Euveko) alsmede een bedrag van f 1.183,35 (deskundi-genrapport ir. Van de Kant);

3) de gemeente Schinnen zal veroordelen om aan hem te betalen een bedrag van f 5.771,83 aan kosten van buitengerechtelijke rechtsbijstand, althans een door de rechtbank naar redelijkheid en billijkheid vast te stellen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het verzuim tot aan de dag der algehele voldoening,

met veroordeling van de gemeente Schinnen in de kosten van het geding onder de bepaling dat over de proceskosten wettelijke rente zal zijn verschuldigd indien dezeniet binnen 14 dagen na betekening van het vonnis zullen zijn betaald.

2.8 De gemeente Schinnen heeft de vordering gemotiveerd betwist.

3. De beoordeling

3.1 Bij antwoord en dupliek heeft de gemeente Schinnen zowel feitelijk als juridisch verweer gevoerd ter betwisting van haar aansprakelijkheid. Voor wat betreft het juridisch beoordelingskader van dit geschil moet het de gemeente Schinnen zeker worden toegegeven dat op haar niet de plicht rust om haar inwoners te allen tijde te vrijwaren van wateroverlast, dat ook het enkele feit dat (riool)water in een woning stroomt niet zonder meer met zich brengt dat het rioolstelsel als gebrekkig moet worden gekwalificeerd, alsmede dat de reikwijdte van hetgeen van een gemeente verlangd kan worden door diverse factoren wordt bepaald, waarbij een zekere mate van beleidsvrijheid aan die gemeente niet kan worden ontzegd.

3.2 De feitelijke vraag die hier, gelet op de stellingen van [eiser], centraal staat is of er al dan niet een causaal verband bestaat tussen de vernieuwingswerkzaamheden aan het riool en de ondervonden wateroverlast.

In dat verband gaat de rechtbank er van uit dat [eiser] voor het eerst op 14 juli 1997 is geconfronteerd met opstuwend rioolwater. Weliswaar voert de gemeente Schinnen aan dat [eiser] ook al in 1994 en eind juni 1997 wateroverlast heeft gehad (CvA, sub 6 en CvE, prod. 3), maar [eiser] heeft bij repliek gesteld dat het daarbij om regenwater ging dat niet door het riool kon worden opgenomen, hetgeen door de gemeente Schinnen op zich niet wordt betwist (CvD, sub 24).

3.3 Voorts acht de rechtbank voor de beantwoording van de hiervoor gestelde vraag navolgende feiten en omstandigheden van belang.

a) [eiser] heeft gesteld dat in 1993 een noodweer in Schinnen heeft plaatsgevonden met een frequentie van eens per 45 jaar, waarbij in de gemeente veel overlast is opgetre-den zonder dat evenwel het riool ter plaatse van zijn boerderij enige overlast door opstuwend rioolwater heeft veroorzaakt (CvE, sub 14). Dit is door de gemeente Schinnen niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist.

b) Bij de regenbui van 19 juli 1999, waarbij 17,6 mm regen is gevallen (in hoeveel tijd is overigens niet duidelijk) was ook sprake van opstuwend rioolwater, terwijl dit een kleinere regenbui betreft (eens per twee jaar) die probleemloos had moeten worden opgenomen, aldus [eiser] (CvE, sub 18) conform de bevindingen van ir. Van de Kant. De gemeente Schinnen voert daar bij antwoord (sub 46) tegen aan dat die bui "op de rand" zou zitten omdat het een 5-jaars bui zou betreffen (waarbij zij kennelijk uitgaat van 24 mm neerslag; zie CvA, prod. 4, 2e pagina). Dit verweer overtuigt de rechtbank niet, gelet op het hierboven onder a) gestelde, alsmede gezien het feit dat het riool - zoals de gemeente Schinnen zelf aangeeft (CvA, sub 5) en ook wordt vermeld in het basisrioleringsplan - zou dienen te zijn berekend op een belasting van 90 liter per seconde per hectare. Dat laatste komt zoals een-voudig kan worden berekend overeen met een neerslag van 32,4 mm (liter) per m² per uur (90 x 3600 : 10.000).

c) [eiser] citeert ir. Van de Kant, die in zijn rapport (CvE, prod. 7) verwijst naar het basisrioleringsplan 1996 (door de gemeente Schinnen deels overgelegd als productie 3 bij antwoord) van ingenieursbureau Van Kleef. Ir. Van de Kant merkt op dat de berekening in het basisrioleringsplan aangeeft dat op punt 383 (het riool ter plaatse van de carré-boerderij van [eiser]) het riool overbelast is zoals volgt uit de bewoordingen:

"after total flow indicates a pipe/channel surcharged by flow and depth at that end".

Dit houdt volgens ir. Van de Kant in dat "voorspeld c.q. gewaarschuwd wordt dat er bij de berekende standaard-regenbui bij controleput 383 een overvloed van regenwater zal ontstaan, waarbij het verschil in hoogte tussen de b.o.k. (binnenonderkant van het riool) en het niveau van de weg te gering is, dus uitstromend water over de straat zal veroorzaken. Deze voorspelling is gebaseerd op de berekening in het basisrioleringsplan 1996, die er vanuit gaat dat de voorgenomen vernieuwingen, verbeteringen zoals nieuwe regenwaterbuffers, etc. aangelegd zijn".

Bij antwoord sub 27 voert de gemeente Schinnen hier slechts tegen aan dat deze stelling van [eiser] onjuist is en dat zulks evenmin volgt uit hetgeen ir. Van de Kant dienaangaande stelt. Deze ongemotiveerde betwisting is echter volstrekt onvoldoende.

3.4 Gelet op het onder 3.2 en 3.3 overwogene is de rechtbank dan ook voorshands van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat de door [eiser] ondervonden overlast van opstuwend rioolwater terug te voeren is op de vernieuwingswerkzaamheden zoals deze aan het riool zijn uitgevoerd. Dat lijkt wellicht in zoverre merkwaardig dat de doorgevoerde capaciteitsvergroting ter plaatse toch verbetering, althans in ieder geval geen verslechtering zou hebben moeten brengen, maar de verklaring voor een en ander is wellicht gelegen in hetgeen ir. Van de Kant in zijn rapport schrijft, zoals nog eens verwoord door [eiser] bij repliek sub 8. Een en ander komt erop neer dat de gemeente Schinnen eerst buffer(s) had moeten aanbrengen dan wel schildmuurtjes in het riool had dienen te plaatsen en dat, door de vergroting van het riool zonder het nemen van genoemde maatregelen, te veel water te snel door de riolering is gaan stromen met uitstromend rioolwater tot gevolg.

Wel moeten echter de volgende kanttekeningen worden gemaakt.

1) De feitelijke toedracht van de rioolwateroverlast op 14 juli 1997 is de rechtbank niet geheel duidelijk. [eiser] stelt immers dat de inspectieput gedurende de uitvoering van de werkzaamheden overdag aan een zijde was afgesloten en dat het af te voeren water werd overgepompt (naar het verderop gelegen, reeds vernieuwde riool). Dat kan wijzen in de richting van een fout van de aannemer, zoals ook door de gemeente Schinnen bij dupliek sub 29 wordt gesuggereerd. Terecht merkt de gemeente Schinnen dan op dat in een dergelijk geval op haar geen aansprakelijkheid rust, nu artikel 6:171 BW niet geldt over over-heidsinstanties. Vervolgens rijst de vraag of de geschetste gang van zaken geldt voor beide overlastsituaties op die datum. Voorstelbaar is immers dat de aannemer na afloop van de dagelijkse werkzaamheden de waterdoorvoer door het riool (provisorisch) had hersteld. Anderzijds zouden de door [eiser] gebruikte bewoordingen dat omstreeks 22.30 uur "wederom via de openliggende inspectieput" rioolwater werd opgestuwd erop kunnen wijzen dat zulks niet het geval was. [eiser] zal zich hierover bij akte mogen uitlaten.

2) De onder 3.2 en 3.3 genoemde feiten wijzen zoals gezegd voorshands primair op een

oorzakelijk verband tussen overlast en werkzaamheden. Niet uitgesloten kan echter worden dat, gelet op de hoeveelheid neerslag die op de diverse data is gevallen (met name op 6 juni 1998 en 5 juli 1999), ook dan wellicht tóch sprake zou zijn geweest van opstuwend rioolwater indien de gemeente Schinnen zoals ir. Van de Kant stelt wél eerst de geplande buffer

voor het Brunssumse en Heerlense water had aangelegd. Deze kwestie zal door een deskundige moeten worden bezien, waarover hieronder meer.

3.5 Nu de rechtbank - zoals onder 3.4 is overwogen - een causaal verband tussen het opstuwend rioolwater en de uitgevoerde werkzaamheden voorshands aannemelijk acht zal de gemeente Schinnen, mede gelet op het door haar gedane bewijsaanbod, in beginsel het bewijs mogen leveren dat de door [eiser] op de diverse data ondervonden overlast van opstuwend rioolwater ook zonder de uitvoering van de litigieuze werkzaamheden zou zijn opgetreden.

De rechtbank merkt in dit verband op dat het haars inziens echter sterk de voorkeur verdient om voormelde causaliteitsproblematiek, gelet op de specifiek technische vraagstukken die daarbij naar voren kunnen komen, in het kader van een door de rechtbank te bevelen deskundigenonderzoek aan de orde te stellen. Bij het geven van een bewijsopdracht zal de gemeente Schinnen immers zoals zij reeds heeft aangekondigd harerzijds een deskundige inschakelen. Mocht die partij-deskundige anders oordelen dan ir. Van de Kant, zal naar ver-wachting uiteindelijk door de rechtbank een deskundigenbericht moeten worden gelast. Proceseconomisch verdient het dan ook de voorkeur om zulks direct te doen. De rechtbank kan zich overigens voorstellen dat partijen elk een deskundige van hun eigen keuze voorstellen en dat het vervolgens aan die twee deskundigen wordt overgelaten om gezamenlijk een derde als onafhankelijk voorzitter van hun commissie te kiezen, waarna de drie deskundigen samen een rapportage opstellen.

De deskundigen zullen in de visie van de rechtbank - thans kort gezegd - in ieder geval moeten onderzoeken of de overlast door opstuwend rioolwater op de diverse door [eiser] gestelde data, rekening houdend met alle relevante omstandigheden van het geval, al dan niet het gevolg is van de wijze waarop de gemeente Schinnen de rioolwerkzaamheden heeft doen uitvoeren, een en ander zoals door [eiser] gesteld, dan wel dat daarbij andere factoren een rol hebben gespeeld. Specifiek zal daarbij nog moeten worden onderzocht of de ondervonden overlast had kunnen worden voorkomen door het aanbrengen van schildmuurtjes in de riolering, zoals [eiser] bij repliek stelt.

Bij akte zullen partijen zich kunnen uitlaten over aantal en persoon van de te benoemen deskundige(n), de aan hem/hen te stellen vragen alsmede de maximaal acceptabele hoogte van het voorschot. In de parallelle zaken 61871 en 63230 zal eenzelfde vraagstelling plaatsvinden, zodat de deskundige(n) ook in die zaken zullen optreden. De gemeente Schinnen zal met het voorschot worden belast.

3.6 Voor wat betreft de door [eiser] gestelde schade merkt de rechtbank thans reeds het volgende op.

Bij antwoord sub 48 stelt de gemeente Schinnen onder meer dat problemen in de toekomst redelijkerwijs uitgesloten zijn door realisatie van het bassin aan de rand van de gemeente. Nu de stellingname van [eiser] impliceert dat hij het met die zienswijze eens is en blij-kens het rapport van Euveko ook de deskundige bij die waardedaling is uitgegaan van de situatie dat nog geen bufferbassin is aangelegd, volgt daaruit dat voor schadevergoeding wegens waardedaling geen plaats is indien dat bassin inmiddels is gerealiseerd. Bij akte zal de gemeente Schinnen zich over de stand van zaken kunnen uitlaten. Dat bij eventuele kopers nog vrees aanwezig zal blijven ook na aanleg van bedoeld bassin (CvR, sub 23) moge juist zijn, maar is niet relevant. Een dergelijke zuiver subjectieve vreesachtigheid zonder objectieve redenen kan geen grondslag bieden voor de hier bedoelde vordering.

Terzake van de post wegens fysieke opstalschade ad f 12.500,- overweegt de rechtbank dat [eiser] heeft gesteld dat hem voor opstalschade door AMEV een bedrag van f 5.895,- is uitgekeerd. De rechtbank zal [eiser] in de gelegenheid stellen bij akte gemotiveerd aan te geven hoe de geclaimde opstalschade zich verhoudt tot de van AMEV ontvangen uitkering.

3.7 In afwachting van de door partijen ingevolge het onder 3.4, 3.5 en 3.6 overwogene te nemen aktes wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

4. Uitspraak

De rechtbank te Maastricht:

stelt partijen in de gelegenheid zich bij akte uit te laten over:

[eiser]:

a) de feitelijke toedracht van de twee gevallen van rioolwateroverlast die op 14 juli 1997

hebben plaatsgevonden, gelet op het onder 3.4 sub 1) overwogene;

b) hoe de geclaimde opstalschade van f 12.500,- zich verhoudt tot de van AMEV ontvan-

gen uitkering ad f 5.895,-;

de gemeente Schinnen:

in welke mate het basisrioleringsplan 1996 thans is uitgevoerd, met name of het onder 3.6 bedoelde bufferbassin inmiddels is gerealiseerd;

[eiser] en de gemeente Schinnen:

aantal en persoon van de te benoemen deskundige(n), de aan hem/hen te stellen vragen alsmede de volgens hen maximaal acceptabele hoogte van het voorschot, zoals onder 3.5 is bedoeld;

verwijst de zaak naar de rolzitting van 12 september 2002 voor akte aan de zijde van [eiser] en de gemeente Schinnen, peremptoir;

houdt iedere verdere beslissing aan;

staat partijen ingevolge het bepaalde in artikel 337, lid 2, Rv, toe om van dit vonnis in hoger beroep te gaan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Bergmans, vice-president, en ter openbare terechtzitting uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

MC