Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2002:AE7412

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
18-07-2002
Datum publicatie
10-09-2002
Zaaknummer
67788 - HA ZA 01-730
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Vonnis : 18 juli 2002

Zaaknummer : 67788 / HA ZA 01-730

De rechtbank Maastricht, enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van:

de rechtspersoon naar het recht van België

SOCIETE MUTUELLE DES ADMINISTRATIONS PUBLIQUES,

gevestigd te Luik,

eiseres,

procureur mr. H.A.J. Stollenwerck;

tegen:

1. [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

gedaagde sub 1,

procureur mr. R.W.E.J. Luijten;

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagde sub 2,

procureur mr. R.H.M. Wagemans.

1. Het verloop van de procedure

Eiseres, hierna te noemen "SMAP", heeft bij naar de exploten van dagvaarding van 17 juli 2001 verwijzende conclusie van eis gesteld en geconcludeerd voor eis overeenkomstig de inhoud van die dagvaarding. Bij conclusie van eis zijn producties overgelegd. Gedaagden, hierna te noemen "[gedaagde sub 1]" en "[gedaagde sub 2]", hebben daarna ieder een conclusie van antwoord genomen, [gedaagde sub 1] onder het overleggen van producties.

Op de voet van artikel 141a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (oud) is een comparitie na antwoord gelast. Bij brief van 13 december 2001 zijn door SMAP stukken overgelegd ten behoeve van de comparitie. Door [gedaagde sub 1] is ter comparitie een pleitnotitie overgelegd. Van het verhandelde ter comparitie is proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt.

Ten slotte is vonnis bepaald op het rechtbankdossier. De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

De rechter ten overstaan van wie de comparitie na antwoord heeft plaatsgevonden maakt niet langer deel uit van de sector civiel van deze rechtbank en is om die reden niet in staat aan deze uitspraak mee te werken.

2. Het geschil

2.1 Op 2 september 2000 is door [be[benadeelde partij], wonende te [woonplaats], België, aangifte gedaan bij de politie van Saint-Nicolas, België, van een op die datum gepleegde diefstal van onder meer zijn in de garage bij zijn woning geparkeerde auto, merk BMW, type 320D, kleur grijs, kenteken JTT308, chassisnummer WBAAL71080CA52915;

2.2 De auto was onder andere tegen het risico van diefstal verzekerd bij SMAP. SMAP heeft [benadeelde partij] in verband met de diefstal van de auto uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst een bedrag van Bef 1.086.006 (€ 26.921,39) uitgekeerd;

2.3 De op 25 oktober 2000 door [benadeelde partij] ten behoeve van SMAP getekende "quittance vol" luidt onder meer als volgt:

"En outre, le soussigné ([benadeelde partij], rechtbank) subroge la Société Mutuelle des Administrations Publiques (SMAP, rechtbank) dans tous ses droits et actions contre tous tiers responsables, y compris tous assureurs, à concurrence des sommes reçues.

Si le véhicule volé est retrouvé, le soussigné s'engage à en informer immédiatement par écrit la Société Mutuelle des Administrations Publiques, le véhicule restant la propriété du soussigné qui s'engage a le vendre sous la direction, la surveillance et au profit de la Société Mutuelle des Administrations Publiques, et à lui en verser le prix de la vente."

2.4 Op 15 juli 2001 heeft [gedaagde sub 2], die te [woonplaats] handelt in gebruikte auto's, [gedaagde sub 1] een auto verkocht en geleverd die voldoet aan de sub 2.1 genoemde kenmerken, met dien verstande dat het (Belgische) kenteken FBG-173 was en het chassisnummer WBAAL71040KG36332. [gedaagde sub 1] heeft [gedaagde sub 2] de koopsom van f 42.000,- contant voldaan.

2.5 Op 19 januari 2001 heeft [gedaagde sub 1] de door hem gekochte auto ter keuring aangeboden bij het keuringsstation van de RDW te Venlo. Naar aanleiding van een melding van dit keuringsstation dat de auto mogelijk gestolen was, heeft de Politie Limburg-Noord de auto in beslag genomen. Op 6 februari werd door de politie een technisch onderzoek ingesteld naar de identiteit van de inbeslaggenomen auto. Het daarvan opgemaakt proces-verbaal luidt onder meer aldus:

"Bij dit merk en type dient het voortuigindentificatienummer (VIN) op de linker veerpoot te zijn aangebracht door middel van een inslag. Op deze plaats trof ik tussen twee BMW-tekens het volgende nummer aan:

WBAAL71040KG36332

Dit nummer is niet door de fabrikant aangebracht. Na verwijdering van een laag lak en een laagje plamuur werden door mij schuursporen aangetroffen. Van het nummer werd vervolgens een afvorming gemaakt met S.200. Vervolgens werd hier een etsbehandeling toegepast met de daartoe bestemde chemische werkzame stoffen. Tijdens deze behandeling kwam het fabrieksorgineel aangebracht VIN leesbaar op. Dit VIN luidt:

WBAAL71080CA52915."

2.6 Bij beschikking van 29 mei 2001 heeft de rechtbank Roermond naar aanleiding van een door [gedaagde sub 1] ingediend klaagschrift de bewaarder van de inbeslaggenomen auto gelast deze aan [gedaagde sub 1] terug te geven.

2.7 SMAP stelt dat zij door de schadeloosstelling van haar verzekerde [benadeelde partij] is getreden in de rechten en rechtsvorderingen van laatstgenoemde tegen de aansprakelijke derden. Zij stelt dat de auto thans in het bezit is van [gedaagde sub 1] en dat zij gerechtigd is deze van hem terug te vorderen, nu de terugvordering plaatsvindt binnen drie jaar na de diefstal en [gedaagde sub 1] niet heeft aangetoond dat hij de auto als consument en te goeder trouw heeft gekocht bij een garagebedrijf, en [gedaagde sub 1] bovendien niet heeft voldaan aan zijn verplichting ex artikel 3:87 van het Burgerlijk Wetboek (BW). SMAP stelt voorts kosten te hebben gemaakt om [gedaagde sub 1] buiten rechte tot afgifte van de auto te bewegen. Ten slotte acht zij [gedaagde sub 1] aansprakelijk voor de waardevermindering van de auto.

Voor het geval [gedaagde sub 1] wel bescherming zou toekomen in de zin van artikel 3:86 lid 3 sub a. BW, stelt SMAP dat [gedaagde sub 2] ongerechtvaardigd is verrijkt tot de door hem van [gedaagde sub 1] ontvangen koopsom van f 42.000,- en gehouden is SMAP dit bedrag te betalen.

2.8 SMAP heeft op grond van het vorenstaande gevorderd dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

a) [gedaagde sub 1] zal veroordelen tot afgifte aan SMAp van het voertuig, merk BMW 320 D, kleur grijs met het huidig dag-kenteken S-54-42 en VIN-nummer WBAAL71080CA52915, en wel binnen 5 dagen na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis, op verbeurte van een dwangsom van f 500,- per dag die [gedaagde sub 1] daarmee in gebreke blijft en voorts tot voldoening van de waardevermindering van deze auto tussen heden (de dag der dagvaarding) en de datum van teruggave, welke schade behoort te worden opgemaakt bij staat en vereffend als volgens de wet, met vermeerdering van verschuldigde wettelijke rente vanaf heden (de dag der dagvaarding) en met veroordeling van [gedaagde sub 1] in de buitengerechtelijke kosten van SMAP tot een bedrag van f 500,-;

b) voor het geval dat in deze procedure vast zou komen te staan dat [gedaagde sub 1] als consument beschermd is, [gedaagde sub 2] zal veroordelen tegen bewijs van kwijting wegens ongerechtvaardigde verrijking aan SMAP te betalen het bedrag van f 42.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 januari 2001, te berekenen tot de dag der algehele voldoening;

c) [gedaagde sub 1] primair en [gedaagde sub 2] subsidiair zal veroordelen in de kosten van deze procedure.

2.9 De vordering wordt door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] weersproken, waartoe wordt verwezen naar de conclusies van antwoord en het proces-verbaal van comparitie.

3. De beoordeling

ten aanzien van [gedaagde sub 1]

3.1 SMAP vordert van [gedaagde sub 1] in de eerste plaats de afgifte aan haar van de door hem van [gedaagde sub 2] gekochte auto. Deze vordering impliceert dat SMAP eigenares is van de auto, maar gesteld noch gebleken is dat dat het geval is. Het feit dat SMAP als verzekeraar is gesubrogeerd in de rechten van haar verzekerde [benadeelde partij] jegens derden, heeft, althans naar Nederlands recht, niet als gevolg gehad dat de eigendom van de auto op SMAP is overgegaan. Ook de aan de eigenaar toekomende revindicatie, die niet van het eigendomsrecht tot bescherming waarvan zij dient kan worden gescheiden, behoort niet tot de op SMAP als gesubrogeerde overgegane rechten. Partijen hebben geen aandacht besteed aan de vraag of een en ander (tevens) naar Belgisch recht dient te worden beoordeeld en wat daarvan de consequenties zouden zijn voor de rechten die SMAP met betrekking tot de auto kan doen gelden. Uit de hiervoor onder 2.3 deels aangehaalde quittance vol blijkt echter dat SMAP en [benadeelde partij] tot uitgangspunt hebben genomen en bedoeld hebben dat [benadeelde partij] eigenaar zou blijven van de gestolen auto. Mede gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat SMAP niet in de positie is de afgifte van de auto te vorderen.

3.2 Afgezien van het voorgaande stuit de vordering tot afgifte reeds af op de omstandigheid dat [gedaagde sub 1] de bescherming toekomt van een verkrijger te goeder trouw als bedoeld in artikel 3:86 BW. [gedaagde sub 1] heeft genoegzaam aangetoond dat hij de auto als consument heeft gekocht, terwijl voorts aannemelijk is geworden dat [gedaagde sub 2] zijn bedrijf maakt van het - vanuit zijn vaste bedrijfsruimte aan de [adres] te [woonplaats] - verhandelen van gebruikte auto's aan het publiek en dat hij bij de verkoop aan [gedaagde sub 1] van de litigieuze auto handelde in de normale uitoefening van dat bedrijf. Derhalve is sprake van de in het derde lid sub a. van genoemd artikel bedoelde uitzondering op de bevoegdheid van de eigenaar van een gestolen zaak deze als zijn eigendom op te eisen.

3.3 SMAP heeft nog gesteld dat [gedaagde sub 1] niet de bescherming van artikel 3:86 BW toekomt, aangezien hij niet heeft voldaan aan zijn wegwijsplicht ex artikel 3:87 BW. SMAP heeft echter nagelaten aan te geven wanneer en op welke wijze zij [gedaagde sub 1] heeft verzocht zijn verkoper aan te wijzen. Voorts blijkt uit de door SMAP overgelegde processen-verbaal van de politie dat [gedaagde sub 1] reeds bij zijn eerste verhoor [gedaagde sub 2] heeft aangewezen als zijn verkoper. Gelet daarop, alsmede gelet op de gemotiveerde betwisting door [gedaagde sub 1] dat hij niet aan zijn wegwijsplicht heeft voldaan, zal de rechtbank de stellingen van SMAP op dit punt als onvoldoende uitgewerkt en onderbouwd passeren.

3.4 Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde sub 1] niet gehouden is de auto aan SMAP af te geven. Voor de gevorderde veroordeling tot voldoening van de waardevermindering van de auto en tot betaling van buitengerechtelijke kosten bestaat derhalve evenmin grond.

3.5 De vorderingen van SMAP jegens [gedaagde sub 1] zullen gelet op het bovenstaande worden afgewezen. SMAP zal daarbij als in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

ten aanzien van [gedaagde sub 2]

3.6 SMAP vordert veroordeling van [gedaagde sub 2] tot betaling aan haar van een bedrag van f 42.000,-, zijnde het bedrag dat [gedaagde sub 1] [gedaagde sub 2] heeft betaald voor de auto. SMAP grondt deze vordering uitsluitend op ongerechtvaardigde verrijking en niet tevens op onrechtmatige daad. De vraag of [gedaagde sub 2] als te goeder trouw kan worden aangemerkt, behoeft derhalve geen beantwoording. In het hiernavolgende zal de rechtbank uitgaan van [gedaagde sub 2]' goede trouw.

3.7 [gedaagde sub 2] heeft zich in de eerste plaats verweerd met een betwisting bij gebrek aan wetenschap dat i) de aan [benadeelde partij] ontstolen auto dezelfde auto is als de auto die hij aan [gedaagde sub 1] heeft verkocht, dat ii) de auto daadwerkelijk op 2 september 2000 is gestolen, dat iii) de auto op die datum bij SMAP was verzekerd en dat iv) SMAP haar verzekeringnemer schadeloos heeft gesteld door betaling van schadepenningen. Naar het oordeel van de rechtbank is met de door SMAP overgelegde stukken, in het bijzonder de processen-verbaal van de Nederlandse en Belgische politie, het hiervoor sub 2.5 bedoelde technisch onderzoek en voornoemde quittance vol, echter voldoende aannemelijk geworden dat de stellingen van SMAP op dit punt juist zijn. De betwisting van een en ander door [gedaagde sub 2] zal de rechtbank als onvoldoende gemotiveerd passeren, evenals het in algemene bewoordingen gestelde bewijsaanbod van [gedaagde sub 2].

3.8 Met SMAP is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde sub 2] door de verkoop van de aan [benadeelde partij] ontstolen auto ongerechtvaardigd is verrijkt. Daarbij is niet van belang dat [gedaagde sub 2], zoals hij stelt, de auto op basis van een inkoopovereenkomst tegen een normale prijs heeft gekocht en deze derhalve niet zonder rechtsgrond heeft verkregen. Waar het om gaat is dat [gedaagde sub 2] in de verhouding tot de eigenaar van de gestolen zaak ongerechtvaardigd is verrijkt. Indien [gedaagde sub 2] de auto niet aan [gedaagde sub 1] had verkocht, had [benadeelde partij] de auto immers onder [gedaagde sub 2] kunnen revindiceren, waartegen [gedaagde sub 2] zich ongeacht zijn goede trouw niet met succes had kunnen verweren. Door de verkoop aan [gedaagde sub 1], ten aanzien van wie hierboven reeds is overwogen dat deze geldt als een bescherming genietende consument, heeft [gedaagde sub 2] de op artikel 3:86 lid 3 BW gegronde opvordering van de auto onder zichzelf illusoir gemaakt. Het bedrag van zijn ongerechtvaardigde verrijking die daarvan het gevolg is, is te stellen op de door [gedaagde sub 2] van [gedaagde sub 1] ontvangen koopprijs van f 42.000,-.

3.9 Uit het voorgaande volgt dat [benadeelde partij] [gedaagde sub 2] zou kunnen aanspreken tot betaling van f 42.000,-. Aangezien SMAP is gesubrogeerd in de rechten van [benadeelde partij] jegens derden en de verarming van SMAP uitgaat boven de verrijking van [gedaagde sub 2], komt dit vorderingsrecht in volle omvang toe aan SMAP.

3.10 Gezien het voorgaande zal het van [gedaagde sub 2] gevorderde bedrag van € 19.058,77 (f 42.000,-) worden toegewezen. Dit geldt ook voor de vordering met betrekking tot de wettelijke rente, waartegen [gedaagde sub 2] geen verweer heeft gevoerd. [gedaagde sub 2] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding.

3.11 Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht kan, als met het voorgaande reeds behandeld dan wel niet ter zake dienend, buiten beschouwing blijven.

4. De uitspraak

De rechtbank:

veroordeelt [gedaagde sub 2] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan SMAP te betalen het bedrag van € 19.058,77 (f 42.000,-), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 januari 2001 tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde sub 2] in de kosten van het geding aan de zijde van SMAP gerezen, tot aan deze uitspraak begroot op € 75,89 aan kosten dagvaarding, € 363,02 aan griffierecht en € 999,20 voor salaris procureur;

verklaart de veroordelingen ten laste van [gedaagde sub 2] uitvoerbaar bij voorraad;

veroordeelt SMAP in de kosten van het geding aan de zijde van [gedaagde sub 1] gerezen, tot aan deze uitspraak begroot op € 363,02 aan griffierecht en € 780,50 voor salaris procureur;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. De Kort, rechter, en ter openbare terechtzitting van 18 juli 2002 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.