Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2002:AE7305

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
13-08-2002
Datum publicatie
06-09-2002
Zaaknummer
AWB 01 / 1198 t/m 01 / 1203 AW I GIF
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2005:AS8562
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rechtspositie medisch specialisten.

De aanstelling wordt gewijzigd met betrekking tot de inschaling, het aantal werkuren, het verrichten van roosterdiensten tot de 60-jarige leeftijd, salaris-stijgingen, de toekenning van een toelage wegens verzwarende omstandigheden (TVO), de toeken-ning van een garantietoelage, het aantal vakantiedagen en ADV-dagen, het aantal verlofdagen ten behoeve van studie, bij- en nascholing, bezoek van congressen en symposia, accreditatie en te declareren studiekosten. Tevens worden eisers verzocht om opgave van nevenwerkzaamheden of neven-betrekkingen, waaromtrent door verweerder beslist zal worden of en zo ja onder welke omstandig-heden deze kunnen worden voortgezet dan wel dienen te worden beëindigd.

Uitspraak vernietigd door Centrale raad van Beroep; LJN AS8562.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Reg.nrs: AWB 01 / 1198 t/m 01 / 1203 AW I GIF

UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in de gedingen tussen

dr. [naam/woonplaats eiser 1], eiser 1,

dr. [naam/woonplaats eiser 2], eiser 2,

dr. [naam/woonplaats eiser 3], eiser 3,

drs. [naam/woonplaats eiser 4], eiser 4,

prof.dr. [naam/woonplaats eiser 5], eiser 5 en

dr. [naam/woonplaats eiser 6], eiser 6,

en

de Raad van Bestuur van het Academisch Ziekenhuis Maastricht, gevestigd te Maastricht, verweerder.

Datum bestreden besluiten: 1 augustus 2001.

Kenmerk: B 01.2.951, B 01.2.952, B 01.2.953, B 01.2.954, B 01.2.1050 en B 01.2.1051.

Behandeling ter zitting: 13 maart 2002.

I. PROCESVERLOOP.

Bij de in de aanhef van deze uitspraak genoemde, grotendeels gelijkluidende, besluiten van 1 augustus 2001 heeft verweerder, namens deze mr. S.W.M.J. Kuijer, lid Raad van Bestuur, beslist op de grotendeels gelijke bezwaren van eisers tegen de besluiten van 17 augustus 2000.

Tegen deze besluiten is namens eisers bij grotendeels gelijkluidende beroepschriften van 6 september 2001 beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn aan de gemachtigde van eisers gezonden.

De hierna zijdens partijen ingezonden stukken zijn door de rechtbank steeds aan de wederpartij gezonden.

De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de rechtbank op 13 maart 2002.

De eisers [1, 4 en 5] zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde mr. E.M. van Ardenne-Stachiw. De andere eisers zijn niet verschenen, maar hebben zich door mr. van Ardenne-Stachiw laten vertegenwoordigen.

Namens verweerder zijn verschenen mr. Ch.M.E.M. Paulussen, advocaat te Maastricht, en H. van den Booren.

De rechtbank heeft daarop bij beschikking van 11 juni 2002 het onderzoek heropend en verweerder bij brief van dezelfde datum een aantal vragen gesteld. Verweerder heeft deze vragen beantwoord bij brief van 28 juni 2002, waarop namens eisers bij brief van 9 juli 2002 is gereageerd. Daarna hebben partijen nogmaals op elkaars standpunten gereageerd.

Vervolgens hebben partijen desgevraagd afgezien van een nadere behandeling ter zitting.

II. OVERWEGINGEN.

II.1. Eisers waren op 1 juni 1999 in dienst van verweerder en werkzaam als [beroep] bij de afdeling [naam] van het Academisch ziekenhuis Maastricht (azM). Eisers 1, 2, 3, 4 en 6 in de functie van medisch specialist en eiser 5 bovendien als hoofd medische afdeling. Eiser 4 was tot 1 januari 2001 werkzaam bij verweerder.

II.2. Verweerder heeft, met inachtneming van het bepaalde in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW), het Besluit decentralisatie arbeidsvoorwaarden academische ziekenhuizen (Stb. 1995, 395) en het Rechtspositiereglement academische ziekenhuizen (RRAZ), eisers bij brieven van 7 december 1999 op de hoogte gesteld van het voornemen tot wijziging van de arbeidsvoorwaarden van eisers, welke voorlopig door verweerder zijn geëffectueerd. Verweerder heeft eiser 6 bij brief van 28 maart 2000 een, na overleg, gewijzigd voornemen gezonden.

De voornemens houden - kort samengevat - in dat de aanstelling wordt gewijzigd met betrekking tot de inschaling, het aantal werkuren, het verrichten van roosterdiensten tot de 60-jarige leeftijd, salaris-stijgingen, de toekenning van een toelage wegens verzwarende omstandigheden (TVO), de toeken-ning van een garantietoelage, het aantal vakantiedagen en ADV-dagen, het aantal verlofdagen ten behoeve van studie, bij- en nascholing, bezoek van congressen en symposia, accreditatie en te decla-reren studiekosten. Tevens worden eisers verzocht om opgave van nevenwerkzaamheden of neven-betrekkingen, waaromtrent door verweerder beslist zal worden of en zo ja onder welke omstandig-heden deze kunnen worden voortgezet dan wel dienen te worden beëindigd.

Partijen hebben vervolgens gecorrespondeerd naar aanleiding van verweerders voornemens.

Bij inhoudelijk gelijkluidende brieven van 17 augustus 2000 heeft verweerder eisers 1 tot en met 5 meegedeeld dat de voornemens van 7 december 1999 worden omgezet in definitieve besluiten, met terugwerkende kracht tot 1 juni 1999. Eiser 6 is eenzelfde mededeling gedaan onder verwijzing naar het voornemen d.d. 28 maart 2000. Voor eiser 5 is nog van belang het besluit van 3 februari 2000 inzake zijn bevordering per 1 februari 2000.

Tegen deze besluiten is namens eisers bezwaar gemaakt bij brieven van 22 en 25 september 2000. Eisers zijn gezamenlijk, in aanwezigheid van hun raadsvrouwe, op 19 maart 2001 over hun bezwaren gehoord door de landelijke LOAZ bezwarencommissie invoering honoreringsregeling academisch specialisten. Deze commissie heeft op 21 mei 2001 adviezen uitgebracht.

Bij grotendeels gelijkluidende besluiten van 1 augustus 2001 heeft verweerder conform het advies:

- de in het advies omschreven bezwaren 1, 2, 6, 9, 10, 12 en 13, welke corresponderen met eisers bezwaargronden 1, 2, 3, 4, 5, 6, 8 (deels), 9 en 10, niet-ontvankelijk verklaard voorzover deze zich richten tegen de honoreringsregeling als zodanig en tegen de besluiten met betrekking tot de herinschaling per 1 juni 1999, en voor het overige ongegrond verklaard,

- de besluiten van 17 augustus 2000, voorzover betrekking hebbend op de grondslag van de berekening van het referte-inkomen, herroepen,

- de in het advies omschreven bezwaren 3, 4, 5 en 7, welke corresponderen met eisers bezwaar-gronden 7, 11 en 8 (deels), ongegrond verklaard en

- de beslissing op het bezwaar ten aanzien van de vaststelling van het TVO-inkomen aangehouden in afwachting van de uitkomst van een nader omschreven onderzoek.

Eisers hebben zich ook met deze besluiten niet kunnen verenigen en hebben hiertegen beroep doen instellen. Er is een groot aantal grieven aangevoerd, die zich als volgt laten samenvatten:

- de Honoreringsregeling (het Onderhandelaarsakkoord)/het RRAZ is in strijd met hogere regelgeving en de Honoreringsregeling is ook onzorgvuldig voorbereid,

- de besluiten zelf zijn in strijd met hogere regelgeving,

- de besluiten stroken niet met de tekst van het RRAZ,

- de besluiten zijn in strijd met het opgewekt vertrouwen,

- de besluiten zijn in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel,

- de besluiten zijn in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

In concreto zijn bezwaren aangevoerd tegen:

- de invoering met terugwerkende kracht,

- de TVO,

- het ontstaan van pensioenschade door de pensioenknip,

- de ingehouden, maar niet afgedragen pensioenpremie over juni tot en met december 1999,

- de gehanteerde peildatum,

- het gehanteerde referte-inkomen,

- de schade voor eisers wegens al betaalde premies voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering.

II.4. De rechtbank dient in deze geschillen te beoordelen of verweerder de bestreden besluiten terecht en op goede gronden heeft genomen.

II.4.1. Naar het oordeel van de rechtbank dient allereerst beoordeeld te worden de stelling van eisers dat de bestreden besluiten niet in stand kunnen blijven, omdat verweerder de bepalingen van het Onderhandelaarsakkoord, die zijn vastgelegd in artikel 14a van het RRAZ, thans hoofdstuk 15 van de CAO Academische Ziekenhuizen (de CAO), ten onrechte heeft toegepast.

Eisers hebben gesteld dat de betreffende bepalingen in strijd zijn met hogere regelgeving, te weten

artikel 14 van de Grondwet, de artikelen 125 en 125g van de Ambtenarenwet, artikel 1 van het eerste Protocol van het EVRM, de Honoreringsregeling 1982, zoals neergelegd in artikel 82 van het RRAZ, en de Wet tot uitvoering van de EG Richtlijn betreffende informatie van de werknemer over zijn arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding. In dit verband is namens eisers uitgebreid de voor-geschiedenis van het recht op het voeren van de eigen vrije praktijk en het declaratierecht van de medisch specialisten uiteengezet en is betoogd dat verweerder niet eenzijdig het in de Honorerings-regeling 1982 vastgelegde declaratierecht kan intrekken. Bovendien is de totstandkoming van de toegepaste artikelen onzorgvuldig.

Verweerder heeft steeds gemotiveerd betoogd dat het standpunt van eisers niet houdbaar is.

Alvorens de standpunten van partijen te beoordelen, merkt de rechtbank eerst, gezien de onderliggen-de dossiers en gelet op het verhandelde ter zitting, het volgende op.

De rechtspositie van medisch specialisten werkzaam in een academisch ziekenhuis, zoals eisers, wordt beheerst door de WHW en niet door de Ambtenarenwet, en is nader geregeld in voorheen het RRAZ en sinds 1 januari 2001 de CAO.

Niet in geschil is dat het Onderhandelaarsakkoord honorering medisch specialisten (het Onderhande-laarsakkoord) op eisers van toepassing is. Dit akkoord is vervolgens vastgelegd in het RRAZ en daarop in de CAO.

Per 1 januari 1996 is het tot dan toe ook op de medisch specialisten van toepassing zijnde RRAZ als algemene maatregel van bestuur ingetrokken. Krachtens het Besluit decentralisatie arbeidsvoorwaar-denvorming academische ziekenhuizen (Stb. 1995, 395) zijn de academische ziekenhuizen namelijk vanaf 31 december 1995 zelf bevoegd tot het vaststellen van de arbeidsvoorwaarden.

Sedert 1 januari 1996 worden inhoud en wijzigingen van het, in aangepaste vorm gehandhaafde, RRAZ overeengekomen in een overleg tussen de Vereniging academische ziekenhuizen (VAZ) als werkgeversorganisatie enerzijds en de vakcentrales anderzijds. Dit overleg vindt plaats binnen het Landelijk overleg academische ziekenhuizen (LOAZ).

De raden van bestuur van de onderscheiden academische ziekenhuizen hebben de bevoegdheid tot overleg over wijziging van het RRAZ aan de VAZ gemandateerd en hebben zich gebonden daarover genomen besluiten uit te voeren. De aldus in het LOAZ gemaakte afspraken betreffende het RRAZ/de CAO worden door de raden van bestuur zowel op collectief als op individueel niveau in een rechts-positioneel besluit vastgelegd.

Niet in geschil is dat de vakverenigingen van de medisch specialisten gelieerd zijn aan vakcentrales die deelnemen aan het LOAZ .

Op 7 april 1999 is binnen het LOAZ het Onderhandelaarsakkoord tot stand gekomen waarin regelingen zijn vastgelegd over de bezoldiging, de werktijden, het afschaffen van de eigen praktijk, aan nevenwerkzaamheden te stellen voorwaarden, toelagen en een overgangsregeling. Dit akkoord is gesloten onder voorbehoud dat de zogenaamde SCIR-inkomsten per 1 juni 1999 aan de academische ziekenhuizen toekomen en niet langer aan de medisch specialisten. Per deze datum vervallen dan tevens de vergunningen voor het voeren van eigen praktijken en het declaratierecht.

Een en ander is vastgelegd in hoofdstuk 14a van het RRAZ (thans: hoofdstuk 15 van de CAO), in werking getreden per 1 juni 1999, waarmee een einde kwam aan de, als tijdelijk bedoelde, Honore-ringsregeling 1981 en het declaratierecht van de medisch specialisten in de academische ziekenhui-zen. Met ingang van 1 juni 1999 is het besluit inzake de rechtspositie van academisch specialisten in dienst van het azM (wijziging RRAZ) vastgesteld door verweerder.

Gelet op hetgeen zojuist is overwogen met betrekking tot het Onderhandelaarsakkoord, verwerpt de rechtbank de stelling van eisers dat het Onderhandelaarsakkoord hen individueel niet kan binden, omdat zij het niet eens zijn met dit akkoord.

Met betrekking tot het zogeheten declaratierecht van medisch specialisten merkt de rechtbank het volgende op.

Ter voldoening aan de door de Minister van Onderwijs en Wetenschappen op 31 december 1981 vastgestelde Honoreringsregeling voor medische specialisten werkzaam in academische ziekenhui-zen (Honoreringsregeling) is op 19 december 1985 de Stichting Centrale Inning Academisch Zieken-huis Maastricht (Stichting SCIR) opgericht. Deze stichting diende, voorzover hier van belang, ervoor te zorgen dat regelingen voor de verdeling van de extra inkomsten uit de behandelingen van de niet-ziekenfondspatiënten tot stand komen, en diende tevens zorg te dragen voor het beheer en de verde-ling van die inkomsten aan de deelnemers. Eisers waren als medisch specialisten op 1 juni 1999 allen in het genot van een dergelijke uitkering krachtens de SCIR-regeling.

In de toelichting op de Honoreringsregeling onder 3 (bijlage 1 van dossiernummer 2 van verweerder) is uiteengezet dat de medisch specialisten uiteindelijk uitsluitend op basis van een (herziene) ambte-lijke aanstelling bij het academisch ziekenhuis patiëntenzorg verrichten en dat de vrije praktijkvoering in het academisch ziekenhuis of elders vanaf het moment van realisering van die (herziene) ambtelijke aanstelling niet langer mogelijk is. Uit deze toelichting volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de medisch specialisten rekening dienden te houden met een wijziging van hun ambtelijke aanstelling en afschaffing van de vrije praktijkvoering. De rechtbank leidt uit artikel 161 van het RRAZ, in werking getreden op 24 juli 1993, eveneens die tijdelijkheid van het mogen voeren van een vrije praktijk en het daarbij behorende declaratierecht af. Uit het eerste lid van dit artikel volgt namelijk dat binnen twee jaar hieromtrent moet worden beslist door de raad van bestuur, terwijl in het tweede lid is bepaald dat de verleende vergunningen voor het voeren van de vrije praktijk tot dat moment van kracht blijven.

De rechtbank stelt voorts vast dat vervolgens tot afschaffing van de vrije praktijkvoering en het herzien van de ambtelijke aanstelling van medisch specialisten is overgegaan na overeenstemming op dit punt tussen de deelnemende partijen aan het LOAZ. Voor zover eisers hebben betoogd dat aldus gehandeld is in strijd met enig beginsel, verwerpt de rechtbank deze stelling, gelet op hetgeen hier-boven is overwogen. Dat het voeren van de vrije praktijk tijdelijk zou zijn, was van meet af aan duide-lijk. Na 24 juli 1993 was bovendien helder dat tot afschaffing ervan op redelijke termijn zou worden overgegaan. Niet juist is de stelling van eisers dat het bestaan van de in 1995 gesloten raamovereen-komst Modernisering curatieve zorg academisch ziekenhuis Maastricht daaraan in de weg zou staan. Die overeenkomst regelt immers niet de rechtspositie van medisch specialisten.

De stelling van eisers dat in casu sprake is van schending van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM verwerpt de rechtbank eveneens. Voorzover er al sprake is van eigendom in de zin van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, staat naar het oordeel van de rechtbank voorop dat er geen sprake is van een inmenging die in strijd is met het bepaalde in dit artikel, omdat van begin af aan duidelijk was dat dit declaratierecht eindig zou zijn. In de terminologie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is de regelgeving in kwestie namelijk sufficiently accessible, precise and foreseeable.

II.4.2. Eisers hebben voorts een groot aantal argumenten aangevoerd tegen de inhoud van de beslui-ten. Hierover merkt de rechtbank eerst dit op. Het gesloten Onderhandelaarsakkoord, neergelegd in het RRAZ en de CAO, bevat een groot aantal - overeengekomen - bepalingen betreffende de rechts-positie van medisch specialisten in dienst van een academisch ziekenhuis, zoals eisers. Het is aan verweerder om deze bepalingen correct toe te passen en aan de rechtbank om te toetsen of verweer-der dat ook heeft gedaan.

Gelet op de grieven gaat het daarbij om de TVO, pensioenschade, ingehouden maar niet afgedragen pensioenpremie, het referte-inkomen, schade door al betaalde verzekeringspremies en de peildatum en de invoering van een en ander met terugwerkende kracht.

De peildatum en de invoering met terugwerkende kracht.

In het Onderhandelaarsakkoord is vastgelegd dat de ingangsdatum voor de overeengekomen honore-ringsregeling 1 juni 1999 is.

Namens eisers is aangevoerd dat verweerder in dit licht bezien ten onrechte is uitgegaan van een omschaling per 31 mei 1999.

Verweerder stelt zich, in navolging van de Commissie, op het standpunt dat overgangsregeling c.2. van het Onderhandelaarsakkoord zo moet worden uitgelegd dat de nieuwe inschaling per 1 juni 1999 gebaseerd is op - kort samengevat - het ambtelijk inkomen en de inkomsten uit particuliere honoraria op de laatste dag voor de inwerkingtreding van de honoreringsregeling. De artikelen 109.5 van het RRAZ en 15.3.4 van de CAO moeten worden gelezen als een uitwerking van deze overgangsregeling c.2. van het Onderhandelaarsakkoord. De in deze twee artikelen gebezigde datum 1 juni 1999 moet als een kennelijke misslag worden beschouwd en gelezen als 31 mei 1999. Ook bij de toepassing van de ƒ 1.000,-- regel als bedoeld in c.3.3. van het Onderhandelaarsakkoord (=109.6, vijfde lid, van het RRAZ en 15.3.5., vijfde lid van de CAO) moet uit worden gegaan van het "oude" salaris op 31 mei 1999, waarbij geen rekening dient te worden gehouden met de verhoging van 3% per 1 juni 1999.

De rechtbank stemt in met verweerders standpunt in dezen, waarbij essentieel is dat in het Onderhan-delaarsakkoord 1 juni 1999 is bepaald als de datum van wijziging. Uit deze datum vloeit logischerwijze voort dat de later genomen besluiten omtrent de rechtsposities van eisers met terugwerkende kracht tot 1 juni 1999 zijn genomen. De rechtbank verwerpt daarom de grief van eisers hieromtrent.

De rechtbank merkt in dit verband op dat de stelling van eisers dat het vertrouwensbeginsel is geschonden omdat het Onderhandelaarsakkoord een inkomensgarantie inhield, evenmin opgaat.

Het standpunt van verweerder hierin is dat het Onderhandelaarsakkoord inderdaad een inkomens-garantie inhoudt, maar in die zin dat het inkomen van de betrokken specialisten er niet op achteruit zou gaan. Daarom wordt het inkomen zoals dat op 31 mei 1999 bestond als uitgangspunt genomen en wordt een toelage op het hogere ambtelijke inkomen verstrekt over een periode van in beginsel vijf jaar. Toekomstige inkomensontwikkelingen zijn echter niet gegarandeerd. Dit volgt uit het feit dat er geen afspraken zijn gemaakt om de garantietoelage te indexeren.

De rechtbank onderschrijft dit standpunt van verweerder en merkt voorts nog het volgende op - ter nadere precisering van datgene dat gegarandeerd is middels het Onderhandelaarsakkoord. Uit de paragrafen c.1. en c.2. van dit akkoord volgt dat gegarandeerd wordt het ambtelijk inkomen, zoals dat bestond op 31 mei 1999, en het gemiddelde van de inkomsten uit particuliere honoraria in de referte-periode 1996/1997/1998. In twee gevallen geeft het Onderhandelaarsakkoord uitzonderingen op de berekening over de referteperiode. Bovendien is onder c.1. van het Onderhandelaarsakkoord vast-gelegd dat voor de omrekening van de inkomsten uit de particuliere honoraria naar een maandelijks ambtelijk inkomen de werkgeverslasten (16,75%) en een reservering van 8% in verband met de uitbetaling van de vakantieuitkering in mindering worden gebracht. Het bruto jaarinkomen dat aldus is berekend vormt de basis voor de omrekening naar het nieuwe ambtelijk inkomen.

In Overgangsregeling c.2. is voorts een overgangsregeling getroffen voor een periode van vijf jaar voor diegenen van wie dit, op basis van c.1. berekende, bruto jaarinkomen bij de inwerkingtreding van de honoreringsregeling hoger is dan het maximum-inkomen dat hij kan genieten op basis van de voor hem geldende nieuwe schaal en de hem eventueel toegekende TVO of toelage 24-uursdiensten.

De toepassing van de jaren 1996, 1997 en 1998 als refertejaren voor eisers 1 tot en met 5 en de periode januari 1999 tot en met mei 1999 als referteperiode voor eiser 6 is naar het oordeel van de rechtbank in overeenstemming met het bepaalde in het Onderhandelaarsakkoord en vormt, zo begrijpt de rechtbank, overigens ook geen geschilpunt tussen partijen. De rechtbank verwijst ten aanzien van eiser 6 nog naar diens brief d.d. 25 november 1999 aan verweerder, waarin hij meedeelt in te stemmen met deze referteperiode.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de hier bedoelde bepalingen omtrent de bereke-ning van het te hanteren bruto jaarinkomen correct uitgelegd en toegepast. De stelling van eisers dat dit tot een zodanig onredelijke uitkomst voor eisers leidt dat verweerder tot compensatie had moeten overgaan, zal de rechtbank beoordelen na behandeling van de grieven met betrekking tot het referte-inkomen, de TVO, pensioenschade, niet afgedragen pensioenpremies en schade door al betaalde verzekeringspremies.

Het referte-inkomen.

In dit verband is namens eisers gesteld dat de referte-inkomens van eisers niet juist zijn berekend. Deze stelling houdt, zo begrijpt de rechtbank, in dat verweerder niet juist heeft berekend de inkomsten uit particuliere honoraria in de refertejaren 1996, 1997 en 1998 c.q. de referteperiode in 1999. Daar-toe is - kort samengevat - aangevoerd dat:

- onder inkomsten uit particuliere honoraria niet alleen de zogenaamde SCIR-gelden vallen, maar ook de GOZ gelden, de gelden ter verkorting van de wachtlijsten en de totale inkomsten met betrekking tot particulier verzekerden die de afdeling [naam] in de referteperiode heeft gegene-reerd,

- de kasstelselnacalculaties op basis van de Raamovereenkomst ten onrechte niet zijn meegewo-gen,

- de nabetaling van SCIR-gelden over 1996 en 1997 ten onrechte niet is meegewogen,

- de aftrek 4,5% administratiekosten en de aftrek van betalingen aan derden niet volgen uit artikel 109.5 van het RRAZ,

- niet 16,75% werkgeverslasten en 8% in verband met vakantie-uitkering moeten worden afgetrok-ken, maar respectievelijk 14,3% en 7,1%,

- de reiskostenvergoeding van eiser 4 en eiser 5, die ten laste van de particuliere honoraria werden gebracht, ten onrechte niet zijn meegewogen,

- ten onrechte een TVO van 5% in plaats van 10% is toegekend.

Verweerder stelt zich - kort samengevat - op het standpunt dat de gemiddelde inkomsten uit particu-liere honoraria in de referteperiode zijn berekend op basis van de door de accountant van eisers aangeleverde cijfers met betrekking tot de honorering in de refertejaren en de in 1999 gedane extra uitkering, waardoor in 1996 en 1997 het maximale bedrag dat vanuit de particuliere honoraria als inkomen kon worden uitgekeerd op basis van de reglementen van de Stichting SCIR is genoten. Op basis van de gegevens van de accountant zijn de inkomsten uit particuliere honoraria herberekend en is het bedrag van de garantietoelage verhoogd. De cijferoverzichten zijn gehecht aan de beslissingen op bezwaar.

Verweerder heeft betoogd dat nu de overzichten van de accountant van eiser de basis van de (her-) berekening vormen het in mindering brengen van administratiekosten en betalingen aan derden niet meer aan de orde is. Voorts staat, zo stelt verweerder, vast dat het azM inhoudingsplichtig is voor de inkomstenbelasting en de premieheffing.

Naar het oordeel van de rechtbank dient de omvang van het referte-inkomen te worden bepaald aan de hand van wat daaromtrent in het Onderhandelaarsakkoord is neergelegd. In paragraaf c.1. van dit akkoord is in de eerste volzin bepaald dat het bedrag dat de medisch specialist aan inkomsten uit particuliere honoraria gemiddeld genoten heeft in de referteperiode relevant is. Naar het oordeel van de rechtbank moet onder deze genoten inkomsten uit particuliere honoraria worden verstaan hetgeen daadwerkelijk aan inkomsten op basis van de SCIR-regeling in de betreffende periode is ontvangen. Dat zijn ook de inkomsten die de accountant van eisers, zo begrijpt de rechtbank, in zijn rapport heeft verwerkt. Hieruit volgt voorts logischerwijs dat andere gelden, zoals door eisers gesteld, de aftrek van 4,5% administratiekosten en de aftrek van betalingen aan derden daarvan als niet daadwerkelijk genoten geen deel uit kunnen maken. Evenmin is derhalve juist de stelling dat hantering van kasstelselnacalculaties op basis van de Raamovereenkomst ten onrechte niet is meegewogen. Eerder is reeds overwogen dat die Raamovereenkomst niet relevant is ten aanzien van de rechtspositie van eisers.

In de bestreden besluiten heeft verweerder uiteengezet dat de in 1999 over de refertejaren gedane nabetalingen betrokken zijn bij de berekening van het referte-inkomen. Eisers hebben steeds gesteld dat dit niet is gebeurd. Zij hebben echter naar het oordeel van de rechtbank niet daadwerkelijk onderbouwd, bijvoorbeeld middels inzage in hun salarisafschriften over 1999, dat het door de accountant berekende gemiddelde onjuist zou zijn. De rechtbank verwerpt dan ook deze stelling van eisers.

Zoals al is overwogen, vormt het Onderhandelaarsakkoord de basis voor de berekening van het referte-inkomen. Hierin is in paragraaf c.1. bepaald dat bij de berekening afgetrokken moeten worden 16,75% werkgeverslasten en 8% in verband met vakantie-uitkering. De rechtbank verwerpt derhalve de stelling van eisers dat die percentages respectievelijk 14,3% en 7,1% behoren te zijn.

Eisers hebben met betrekking tot het referte-inkomen verder nog gesteld dat het feitelijk niet toeken-nen van de TVO in strijd komt met doel en strekking van de Honoreringsregeling en dat de TVO vanaf 1 juni 1999 naast het nieuwe ambtelijk inkomen en de garantietoelage moet worden betaald.

Deze stellingen verwerpt de rechtbank als onjuist. Niet juist is dat de TVO feitelijk niet is toegekend. Immers, de TVO is opgenomen in de kolom "nieuwe situatie" van de "Gegevens op jaarbasis" van de bij de bestreden besluiten gevoegde overzichten van het oude en het nieuwe inkomen (genummerd A1-3 in de dossiers van de rechtbank).

Voorts is de stelling van eisers dat de TVO vanaf 1 juni 1999 naast het nieuwe ambtelijk inkomen en de garantietoelage moet worden betaald, strijdig met het bepaalde in paragraaf c.2. van het Onder-handelaarsakkoord met betrekking tot de overgangsregeling. Hierin is namelijk bepaald dat deze regeling van toepassing is als, kort gezegd, het bruto jaarinkomen hoger is dan het maximum-inkomen van de nieuwe schaal en de toelage.

De reiskostenvergoeding.

Eisers 4 en 5 hebben voorts nog betoogd dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de aan hen uitbetaalde reiskostenvergoeding.

Verweerder heeft uiteengezet dat de reiskostenvergoeding woon/werkverkeer ten laste van de SCIR-gelden kwam en dat deze vergoeding per 1 juni 1999 is afgeschaft. Dit laatste is de medisch specialis-ten medegedeeld bij brief van 11 juni 1999. Deze vergoeding is aan eiser 4 in de hele referteperiode uitbetaald en aan eiser 5 in 1998.

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen over het begrip inkomsten in de zin van het Onderhandelaarsakkoord, is de rechtbank van oordeel dat de aan eiser 4 en 5 toegekende reiskostenvergoedingen ten laste van de SCIR-gelden gerekend moeten worden tot deze inkomsten en dat verweerder deze ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten bij de vaststelling van het referte-inkomen. Bepalend is immers het inkomen van eisers op 31 mei 1999. De rechtbank zal de besluiten van verweerder ten aanzien van eisers 4 en 5 op dit punt dan ook vernietigen.

De TVO.

In beroep hebben eisers hun stelling dat het percentage van de TVO 10 behoort te zijn gehandhaafd. Zij hebben aangevoerd dat in de brief van eiser 5 als Hoofd afdeling [naam] d.d. 29 november 2001 voorgerekend is dat uitgegaan moet worden van een gemiddeld aantal gewerkte uren tijdens de dienst op maandbasis van 16,99 uur. Voorts is er in de brief op gewezen dat in alle andere acade-mische afdelingen van Nederland een TVO van 10% wordt toegekend.

In de bestreden besluiten heeft verweerder overwogen het TVO-percentage niet vast te stellen op 10%, maar op 5%. Daartoe is overwogen dat de stelling van eisers dat het percentage op 10% moet worden gesteld niet middels een berekening is onderbouwd noch uit een dienstrooster blijkt. Mochten eisers die onderbouwing overleggen, dan zal verweerder, zo is gesteld, tot heroverweging overgaan.

De rechtbank merkt allereerst in dit verband op, gezien de bestreden besluiten en gelet op het verhan-delde ter zitting, dat verweerders besluit de beslissing op bezwaar ten aanzien van het TVO-percen-tage aan te houden in afwachting van nader cijfermateriaal zo moet worden begrepen dat het in primo ingenomen standpunt dat de TVO 5% bedraagt in bezwaar is gehandhaafd, maar dat dit percentage kan worden aangepast, wanneer de cijfers daarop duiden. De rechtbank stemt in met deze toelichting en merkt nog op dat eisers hierover in beroep niet hebben geklaagd.

De rechtbank stelt voorts vast dat eisers enkel stellen, onder verwijzing naar een door hen gehouden registratie naar aanleiding van een brief van verweerder d.d. 5 september 2001, dat zij na extrapolatie van de gegevens tot een maandelijks gemiddelde zijn gekomen. Een overzicht van de onderliggende gegevens is niet verstrekt. Niet onredelijk is dat verweerder onderbouwing middels een berekening of een dienstrooster vraagt, temeer niet nu het gaat om een niet onaanzienlijke toelage op het salaris. De stelling van eisers dat de bestreden besluiten ten aanzien van de TVO niet in stand kunnen blijven, verwerpt de rechtbank daarom.

Inkomensschade, waaronder pensioenschade.

Eisers stellen zich op het standpunt dat zij, kort gezegd, als gevolg van de besluiten van verweerder pensioenschade lijden door een pensioenknip. Die knip is al door het ABP geregistreerd en is niet meer ongedaan te maken. De bestreden besluiten zijn op dit punt niet deugdelijk gemotiveerd, omdat verweerder ongemotiveerd is afgeweken van het advies van de Commissie.

Verweerder stelt zich, kort samengevat, op het standpunt dat eisers niet hebben onderbouwd dat er sprake is van pensioenschade.

Ter zake van het pensioen is de rechtbank van oordeel dat niet gesproken kan worden van schade.

Immers, de opbouw van het pensioen van eisers is voor en na de wijziging van hun ambtelijk salaris per 1 juni 1999 alleen in die zin anders dat na 1 juni 1999 voor een deel nieuw pensioen wordt opgebouwd over het salaris dat meer is dan het salaris voor deze datum. Er is, ondanks de gestelde pensioenknip, dus sprake van een toename in de pensioenopbouw. Dat dit anders is, is de rechtbank niet gebleken. Van een ondeugdelijke motivering is daarom geen sprake. De rechtbank merkt in dit verband op dat verweerder, gelet op het bepaalde in artikel 3:50 van de Awb, niet gehouden is het advies van de Commissie over te nemen, als maar gemotiveerd wordt afgeweken. Dat heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank afdoende gedaan.

Namens eisers is voorts nog gesteld dat zij als ondernemers inkomensschade, waaronder fiscale schade en pensioenschade, hebben geleden. Ter staving van hun standpunt hebben zij een rapport van Wallast accountants & belastingadviseurs d.d. 2 november 2000 overgelegd.

Verweerder stelt zich, kort gezegd, op het standpunt dat eisers niet als ondernemer zijn aan te merken, omdat het azM inhoudsplichtig is voor de inkomstenbelasting en premieheffing over het gehele inkomen van eisers, ook dat uit de SCIR-gelden, op grond van lang geleden gemaakte afspraken met de fiscus en op grond van artikel 5.3 van de Uitvoeringsregels Stichting SCIR.

De rechtbank stelt vast dat eisers niet hebben betwist dat het azM inhoudsplichtig is over de inkomstenbelasting en premieheffing voor het gehele inkomen van eisers. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat eisers niet zijn aan te merken als zelfstandige ondernemers.

De rechtbank is voorts van oordeel dat het accountantsrapport van Wallast de stelling dat sprake is van diverse vormen van inkomensschade niet kan onderbouwen, nu dit rapport uit november 2000 uitgaat van andere bedragen dan verweerder in de bestreden besluiten van 1 augustus 2001.

Dat eisers door het verlies aan inkomsten uit de particuliere honoraria overigens pensioenschade hebben geleden is noch gesteld noch gebleken.

De premie ABP juni/december 1999.

Eisers stellen zich op het standpunt dat verweerder over de maanden juni 1999 tot en met december 1999 premie heeft ingehouden, maar die premie niet heeft afgedragen aan het ABP. Aldus heeft verweerder ten onrechte een financieel voordeel genoten. Die premie dient verweerder aan eisers te retourneren.

Verweerder heeft gemotiveerd bestreden dat van deze gang van zaken sprake is.

De rechtbank stelt vast dat eisers enkel hebben gesteld dat premie zou zijn ingehouden, maar niet afgedragen. Dat dit het geval is de rechtbank niet gebleken. Deze stelling van eisers wordt daarom verworpen.

De premies arbeidsongeschiktheidsverzekering en invaliditeitspensioen.

Namens eisers is gesteld dat eisers schade hebben geleden, omdat zij in 1999 onnodig premies hebben betaald voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering en invaliditeitspensioen.

Verweerder heeft betwist dat eisers niet in staat zijn geweest deze verzekering voor de inkomsten uit particuliere honoraria tijdig te beëindigen.

De rechtbank stelt vast dat eisers enkel hebben gesteld dat zij op dit punt schade hebben geleden zonder dit nader te onderbouwen. Aldus is onvoldoende aannemelijk geworden dat die schade is geleden. Deze grief verwerpt de rechtbank daarom.

II.4.3. Thans rest nog ter beoordeling de vraag of compensatie aangewezen is vanwege een voor eisers onredelijke uitkomst. De rechtbank is, onder verwijzing naar hetgeen hierboven reeds is overwogen, van oordeel dat er geen sprake is van een onredelijke uitkomst en beantwoordt deze vraag derhalve ontkennend.

II.4.4. Hetgeen overigens namens eisers tegen de bestreden besluiten is aangevoerd, is slechts gesteld en niet nader onderbouwd en behoeft om die reden geen nadere beoordeling.

II.4.5. Overigens is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

Het beroep van eisers 1, 2, 3 en 6 moet daarom voor ongegrond worden gehouden.

Het beroep van eisers 4 en 5 zal gegrond worden verklaard ter zake van de reiskostenvergoeding en voor het overige ongegrond.

Gelet op deze gegrondverklaring acht de rechtbank termen aanwezig verweerder te veroordelen in de kosten, die eisers 4 en 5 in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs hebben moeten maken. Het bedrag van de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand wordt daarbij vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

De rechtbank kent ter zake twee punten met elk een waarde van € 322,-- toe voor de indiening van het beroepschrift en de verschijning ter zitting en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1). Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 2 x € 322,-- x 1 = € 644,--.

Het bedrag van de reiskosten van eiser 4 en eiser 5 wegens het bijwonen van de zitting wordt over-eenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste lid, onder c van het Bpb en artikel 6, eerste lid, onder III, van het Besluit tarieven in strafzaken door de rechtbank vastgesteld op €9,15 voor eiser 4 en €6,45 voor eiser 5.

Op grond van de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING.

De rechtbank Maastricht:

1. verklaart de beroepen van eisers 1, 2, 3 en 6 ongegrond;

2. verklaart de beroepen van eisers 4 en 5 gegrond met betrekking tot de reiskostenvergoeding en vernietigt de bestreden besluiten inzoverre;

3. verklaart de beroepen van eisers 4 en 5 voor het overige ongegrond;

4. draagt het Academisch ziekenhuis Maastricht op met inachtneming van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen op de bezwaren van eisers 4 en 5 met betrekking tot de reiskostenvergoeding;

5. bepaalt dat aan eisers 4 en 5 het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van telkens € 102,10 wordt vergoed door het Academisch ziekenhuis Maastricht;

6. veroordeelt het Academisch ziekenhuis Maastricht in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eisers 4 en 5 begroot op telkens € 644,-- wegens de kosten van rechtsbijstand, te vergoeden door het Academisch ziekenhuis Maastricht aan eisers 4 en 5;

7. veroordeelt het Academisch ziekenhuis Maastricht in de reiskosten van eisers 4 en 5, aan de zijde van eiser 4 begroot op € 9,15 en aan de zijde van eiser 5 begroot op € 6,45, te vergoeden door het Academisch ziekenhuis Maastricht aan respectievelijk eiser 4 en eiser 5.

Aldus gedaan door mr. M.C.A.E. van Binnebeke in tegenwoordigheid van mr. R.A.B. Bollen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2002 door mr. Van Binnebeke voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. R. Bollen w.g. M.C. van Binnebeke

Voor eensluidend afschrift,

de wnd. griffier,

Verzonden: 13 augustus 2002

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.