Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2002:AE7083

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
09-08-2002
Datum publicatie
10-09-2002
Zaaknummer
AWB 00/706 WAO EV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art. 13.1 Algemene Dagloonregelen WAO in strijd met Wet op het Ouderschapsverlof.

Eiseres is een WAO-uitkering toegekend, waarbij het dagloon in verband met de periode van ouderschapsverlof is berekend naar een 24-urige werkweek. Eiseres is van oordeel dat de uitkering naar een 32-urige werkweek moet worden berekend.

Rechtbank: Art. 13.1 ADR vermeldt onder meer dat bij de berekening van het dagloon de normale werktijd wordt gesteld op de werktijd in de door werknemer en werkgever overeengekomen verlofperiode.

In casu kan geen toepassing worden gegeven aan dit artikel. De rechtbank verwijst hiervoor naar onderdeel 5.3 uit de circulaire van de SVR van 2 april 1991, welke ziet op de gevolgen van de Wet op het Ouderschapsverlof. “Gezien het algemene uitgangspunt, dat ouderschapsverlof geen blijvend vertragend effect mag hebben op de WAO-uitkering, dient het dagloon WAO altijd te worden vastgesteld alsof voor betrokkene geen ouderschapsverlofregeling heeft gegolden. Op grond van art. 3 Dagloonregelen WAO geldt in het algemeen een referteperiode van 52 weken gelegen voor de ZW-dag. Over die periode wordt berekend het loon dat de uitkeringsgerechtigde gemiddeld heeft genoten over dagen waarop hij gedurende ten minste de voor hem normale werktijd in zijn beroep werkzaam was.

Zoals hiervoor al aangegeven dient een regeling inzake ouderschapsverlof te worden beschouwd als een regeling tot toepassing van een kortere dan de normale werktijd, als bedoeld in art. 4, tweede lid, Dagloonregels IWS, resp. art. 3, tweede lid, Dagloonregelen ZW. In de Dagloonregelen WAO ontbreekt een vergelijkbare bepaling, zodat de referteperiode niet wordt verplaatst naar de periode vóór de toepassing van de regeling inzake ouderschapsverlof. Uit de opvatting dat een regeling inzake ouderschapsverlof dient te worden beschouwd als een regeling tot toepassing van een kortere dan de normale werktijd, volgt evenwel dat de desbetreffende periode buiten beschouwing dient te blijven bij de dagloonberekening op grond van art. 3 Dagloonregelen WAO. Ook hier vindt geen evenredige verlaging plaats (art. 14, eerste lid, onderdeel a Dagloonregelen WAO)”.

De rechtbank oordeelt dat onverkorte toepassing van art. 13.1 ADR zou leiden tot een situatie, welke, gezien de hierboven vermelde circulaire, in strijd is met de aard en strekking van de Wet op het Ouderschapsverlof. Naar het oordeel van de rechtbank dient dit artikel dan ook buiten toepassing te worden gelaten, hetgeen betekent dat verweerder bij de vaststelling van de hoogte van het WAO-dagloon in de periode van 29 maart tot 14 april 2000 ten onrechte is uitgegaan van een 24-urige werkweek.

Beroep gegrond.

De Raad van bestuur van het UWV, verweerder.

mr. H.J.O. Martens

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Reg. nr: AWB 00/706 WAO EV

UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in het geding tussen

A te B, eiseres

en

De Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, als rechtsopvolger van het Bestuur van het Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen -GAK Nederland BV Maastricht-, gevestigd te Amsterdam, verweerder.

Datum bestreden besluit: 9 mei 2000 en 8 april 2002

Kenmerk:AO018.013.10

I ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Per 1 januari 2002 zijn in werking getreden de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wsuwi) en de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (IWsuwi), Stb. 2001/682. Op grond van artikel 9, eerste lid, van laatstgenoemde wet gaan de publiekrechtelijke rechten en verplichtingen van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) en de uitvoeringsinstellingen per die datum over op het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). Het tweede lid van voormeld artikel bepaalt dat een door het Lisv genomen besluit geldt als een besluit van het UWV. Ingevolge de artikelen 11 en 12 van diezelfde wet treedt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de onderhavige procedure als verwerende partij in de plaats van (het bestuur van) het Lisv respectievelijk de uitvoeringsinstellingen.

In deze uitspraak wordt onder verweerder tevens verstaan: Uitvoeringsinstituut werknemers- verzekeringen (UWV).

Bij besluit van 7 januari 2000 heeft verweerder eiseres met ingang van 10 juni 1999 een uitkering op grond van de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, waarbij het dagloon is berekend naar een 24-urige werkweek.

Eiseres heeft hiertegen een bezwaarschrift, gedateerd 7 februari 2000 ingediend.

Het bezwaarschrift heeft geleid tot een beslissing op bezwaar, gedateerd 9 mei 2000, inhoudende ongegrondverklaring.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij schrijven van 9 juni 2000 beroep ingesteld bij de rechtbank.

Het beroep is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank op 1 maart 2002, alwaar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door haar raadsman mr. L. Bovenkamp.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de heer S. Maas.

Bij beschikking ex artikel 8:68 van de Awb, gegeven op 8 maart 2002, heeft de rechtbank besloten tot heropening van het onderzoek.

Het onderzoek is voortgezet op 15 maart 2002 alwaar ter zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door haar raadsman voornoemd.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde voornoemd.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst.

Bij besluit van 8 april 2002 heeft verweerder, in aansluiting op zijn beslissing op bezwaar d.d 9 mei 2000, eiseres medegedeeld dat haar dagloon per 14 april 2002 zal worden gewijzigd en zal worden berekend naar een 32-urige werkweek.

In reactie op dit besluit heeft eiseres de rechtbank bij schrijven van 16 mei 2002 verzocht het geschil te beperken tot de periode van 29 maart 2000 tot 14 april 2000.

Het onderzoek ter zitting is door de enkelvoudige kamer van de rechtbank hervat op 2 augustus 2002, alwaar eiseres -met bericht- niet is verschenen.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mevr. mr. T. Kuijpers.

II BEOORDELING

Eiseres werkte per 1 januari 1997 voor 32 uur per week bij haar werkgever X BV te B. Van 18 mei 1998 tot 14 juni 1998 was eiseres ten gevolge van haar zwangerschap arbeidsongeschikt. Op 9 juli 1998 werd eiseres wederom ziek en is haar zwangerschapsverlof ingegaan, welk verlof tot 13 april 1999 heeft geduurd.

Na deze datum heeft eiseres het werk weer hervat, maar vervolgens is zij weer uitgevallen vanwege klachten veroorzaakt door haar bevalling.

Uit het onderzoek van de verzekeringsarts M. de Rooy van 29 oktober 1999 is gebleken dat eiseres naar het inzicht van deze verzekeringsarts ten tijde van haar hervatting niet volledig arbeidsgeschikt was en derhalve na de bevalling doorlopend ziek is geweest ten gevolge van de bevalling.

Eiseres heeft vervolgens een WAO-uitkering aangevraagd, welke haar door verweerder bij besluit van 7 januari 2000 is toegekend met ingang van 10 juni 1999.

Deze WAO-uitkering is berekend naar een WAO-dagloon van f 75,95. Hierbij is verweerder uitgegaan van een salaris van f 1454,96 bruto per maand, gebaseerd op werkweek van 24 uur, aangezien de ingangsdatum van de uitkering volgens verweerder ligt in een tussen eiseres en haar werkgever overeengekomen periode van ouderschapsverlof. Verweerder stelt dat gelet op artikel 13, eerste lid, van de Algemene Dagloonregelen WAO (ADR), in dat geval dient te worden uitgegaan van het aantal uren dat eiseres overeenkomstig deze verlofregeling, te weten 24 per week, werkzaam zou zijn.

Hiertegen heeft eiseres een bezwaarschrift, gedateerd 7 februari 2000, ingediend. Zij stelt dat verweerder bij de vaststelling van haar dagloon ten onrechte is uitgegaan van een werkweek van 24 uur in plaats van een werkweek van 32 uur. Eiseres stelt primair dat zij geen ouderschapsverlof heeft genoten en subsidiair dat ouderschapsverlof in elk geval geen invloed kan hebben op de hoogte van haar dagloon.

Verweerder heeft het bezwaarschrift bij besluit van 9 mei 2000 ongegrond verklaard. Verweerder voert hiertoe aan dat volgens hem uit de houding en gedrag van eiseres blijkt dat het wel degelijk de bedoeling is geweest dat eiseres per 14 april 1999 ouderschapsverlof zou gaan genieten. Ter onderbouwing hiervan wijst verweerder onder meer naar hetgeen eiseres hieromtrent gedurende de hoorzitting heeft opgemerkt, te weten dat zij met haar werkgever was overeengekomen dat zij vanaf 1 april 1999 ouderschapsverlof zou gaan genieten voor de duur van één jaar en naar de door eiseres blijkens haar salarisstroken opgelopen “salarisbreuk” per april 1999.

Gelet hierop meent verweerder dat hij terecht geconcludeerd heeft dat de ingangsdatum van de WAO-uitkering in een tussen eiseres en haar werkgever overeengekomen periode van verlof lag. Rekening houdend met het bepaalde in artikel 13, eerste lid, van de ADR, is volgens verweerder dan ook op goede gronden uitgegaan van een werkweek van 24 uur, waarbij het dagloon is vastgesteld op f 75,95. Hierbij beschouwt verweerder artikel 13 van de ADR als een specialisatie ten opzichte van artikel 3 van de ADR.

Eiseres heeft zich niet met dit besluit kunnen verenigen en heeft hiertegen een beroepschrift, gedateerd 26 juni 2000, ingediend. Hierin stelt eiseres onder meer dat zij bij aangetekend schrijven van 8 november 1999 aan haar werkgever heeft medegedeeld dat zij zich op het standpunt stelt dat niet gesteld kan worden dat zij per 14 april 1999 ouderschapsverlof heeft opgenomen.

Verder stelt eiseres dat artikel 7:644, vijfde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) voorschrijft dat voor de totstandkoming van ouderschapsverlof een schriftelijke melding van de werknemer is vereist. Eiseres stelt dat deze ontbreekt, op grond waarvan volgens haar in casu niet gesproken kan worden van ouderschapsverlof. Van een overeengekomen periode van verlof is volgens eiseres dan ook geen sprake, zodat haar WAO dagloon berekend dient te worden naar een werkweek van 32 uur.

Subsidiair stelt eiseres dat bij de invoering van de Wet op het Ouderschapsverlof als uitgangspunt is genomen dat ouderschapsverlof geen verlagend effect mag hebben op de WAO-uitkering. Reden waarom het dagloon vastgesteld dient te worden alsof voor eiseres geen ouderschapsverlof heeft gegolden. Meer subsidiair voert eiseres nog aan dat het als een feit van algemene bekendheid geacht kan worden dat door vrouwen meer gebruik wordt gemaakt van de door de Wet op het Ouderschapsverlof geboden mogelijkheid om verlof op te nemen. Volgens eiseres berust de verlaging van de WAO-uitkering in haar situatie niet op redelijke en objectieve gronden. Eiseres stelt dan ook dat er sprake is van een indirect onderscheid naar geslacht, hetgeen strijdig is met artikel 4 van de EEG-richtlijn 79/7 en artikel 26 van het IVBPR.

In zijn verweerschrift blijft verweerder wat betreft de volgens hem totstandgekomen ouderschapsverlofregeling bij het hierover in zijn beslissing op bezwaar vermelde.

Verder merkt hij op dat nu niet de gehele verlofperiode in de referteperiode van artikel 3 van de ADR ligt (van 18 mei 1997 tot en met 18 mei 1998), de specifieke situatie van artikel 13 van de ADR van toepassing is. Tot slot stelt verweerder dat eiseres op geen enkele wijze heeft aangetoond dat de vrouw meestal gebruik maakt van de mogelijkheid tot het opnemen van ouderschapsverlof.

Op verzoek van de rechtbank heeft verweerder vervolgens stukken overgelegd, waaruit blijkt over welke periode eiseres een Ziektewet-uitkering en een WAO-uitkering heeft ontvangen, waarbij de hoogte van de ontvangen uitkeringen is vermeld.

Verder heeft verweerder op 8 april 2002 een besluit genomen, waarin hij eiseres mededeelt dat onder toepassing van artikel 13, tweede lid van de ADR, haar dagloon per 14 april 2000 zal worden gewijzigd, omdat volgens verweerder de overeengekomen periode van ouderschapsverlof is geëindigd op deze datum.

In reactie hierop stelt eiseres dat uit door verweerder overgelegde stukken blijkt dat eiseres over de periode van 9 juli 1998 tot en met 29 maart 2000 100% uitkering ingevolge de Ziektewet berekend naar een 32-urige werkweek heeft ontvangen. Verder blijkt uit deze stukken dat verweerder vóór 29 maart 2000 de WAO-uitkering heeft aangevuld tot 100% en berekend naar een 32-urige werkweek.

Gelet op het besluit van verweerder van 8 april 2002, waarin deze mededeelt dat per 14 april 2000 de WAO-uitkering berekend dient te worden naar 32 uur, betekent dit volgens eiseres dat slechts over de periode van 29 maart 2000 tot 14 april 2000 de WAO-uitkering niet is berekend naar een 32-urige werkweek.

Wat betreft de door verweerder gestelde overeengekomen periode van ouderschapsverlof van 1 jaar stelt eiseres primair dat in het geheel geen ouderschapsverlof is overeengekomen en subsidiair dat ingevolge artikel 7:644, zesde lid, van het BW ouderschapsverlof wordt opgenomen gedurende een aaneengesloten periode van 6 maanden. Deze periode wordt volgens eiseres in het besluit van 8 april 2002 met 6 maanden overschreden, zodat de ingangsdatum (14 april 2000) van verhoging van de uitkering onjuist is.

Gelet op bovenstaande verzoekt eiseres de rechtbank het geschil te beperken tot de periode van 29 maart 2000 tot 14 april 2000. Zij verzoekt de rechtbank zich uit te spreken over een verhoging van de WAO-uitkering gedurende deze periode en over het renteverlies dat zij vanaf 29 maart 2000 heeft geleden.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Verweerder stelt dat zijn besluit van 8 april 2002 is genomen " in aansluiting op de beslissing op bezwaar van 9 mei 2000". Als te hanteren rechtsmiddel vermeldt verweerder de mogelijkheid van bezwaar. Dit impliceert dat verweerder zijn beslissing beschouwt als een primair besluit en niet als een beslissing op bezwaar, in welke visie aan de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb geen toepassing kan worden gegeven.

In haar reactie op het op 8 april 2002 genomen besluit, verzoekt eiseres echter haar beroep mede geacht te zijn gericht tegen dit nieuwe besluit, onder toepassing van artikel 6:19 van de Awb.

De rechtbank overweegt dat het besluit van 8 april 2002 om redenen van doelmatigheid beschouwd dient te worden als een wijziging van het besluit van 9 mei 2000, met dien verstande dat verweerder in het nieuwe besluit gevolgen verbindt aan de afloop van de door hem gestelde periode van ouderschapsverlof. Nu verweerder wederom gebruik maakt van zijn bevoegdheid om de hoogte van het WAO dagloon te bepalen, daarbij dezelfde feitelijke grondslag hanteert en binnen de grondslag en reikwijdte van het besluit van 9 mei 2000 blijft, is de rechtbank van oordeel dat aan de voorwaarden voor de toepasselijkheid van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb is voldaan. Het door verweerder nieuw ingenomen standpunt wordt geacht in zijn geheel in het besluit van 8 april 2002 te zijn neergelegd, zodat de rechtbank uitgaat van een impliciete intrekking van het besluit van 9 mei 2000.

Gelet op het bepaalde in de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb, merkt de rechtbank hierbij op dat, hoewel niet gezegd kan worden dat verweerder niet bevoegd was het besluit van 9 mei 2000 in te trekken, een vernietiging van het besluit op zijn plaats zal worden geacht, indien de onjuistheid of onrechtmatigheid van het ingetrokken besluit zal worden vastgesteld en eiseres bij deze vaststelling belang heeft.

Nu eiseres in haar schrijven van 16 mei 2002 heeft medegedeeld dat zij na het besluit van 8 april 2002 slechts (financieel) belang heeft over de periode van 29 maart 2000 tot 14 april 2000, zal de rechtbank zich dan ook slechts over deze periode uitspreken.

Gelet op bovenstaande zal de rechtbank beoordelen of verweerder in de periode van 29 maart 2000 tot 14 april 2000 bij de berekening van de hoogte van het WAO-dagloon terecht is uitgegaan van een 24-urige werkweek.

Artikel 7:644, eerste lid, van BW bepaalt, voor zover van belang, dat de werknemer die als ouder in familierechtelijke betrekking staat tot een kind, onderscheidenlijk de werknemer die blijkens verklaringen uit de gemeentelijke basisadministratie op hetzelfde adres woont als een kind en duurzaam de verzorging en opvoeding van dat kind als eigen kind op zich heeft genomen, recht heeft op verlof zonder behoud van loon.

Artikel 7:44, vijfde lid, van het BW bepaalt dat de werknemer het voornemen om verlof op te nemen ten minste twee maanden voor het tijdstip van ingang van het verlof schriftelijk aan de werkgever meldt onder opgave van de periode, het aantal uren verlof per week en de spreiding daarvan over de week. De tijdstippen van ingang en einde van het verlof kunnen afhankelijk worden gesteld van de datum van de bevalling, van het einde van het bevallingsverlof of van de aanvang van de verzorging.

Artikel 3 van de ADR luidt als volgt:

1. Voor de vaststelling van het dagloon wordt berekend het loon, dat de uitkeringsgerechtigde in het jaar, aan het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid onmiddellijk voorafgaande, in zijn beroep gemiddeld heeft genoten over in dat jaar gelegen dagen, waarop hij gedurende ten minste de voor hem normale werktijd in dat beroep werkzaam was, met dien verstande, dat bij deze berekening:

a. een evenredig deel van de vakantietoeslag, alsmede een evenredig deel van een uitkering, die het karakter heeft van een 13e maandloon of eindejaarsuitkering, wordt aangemerkt als loon, dat over bedoelde dagen is genoten;

b. buiten aanmerking blijven de in dat jaar gelegen dagen, waarop hij tengevolge van arbeidsongeschiktheid niet tegen zijn normale loon werkzaam was, benevens het over die dagen genoten loon;

c. buiten aanmerking blijft hetgeen hij heeft genoten in de vorm van uitkeringen, als bedoeld in artikel 1, derde lid, onder d, welke tot het normale regelmatig verstrekte loon behoren;

d. het aantal dagen werken in een kalender- of loonweek wordt geacht niet meer dan 5 te bedragen.

2. Voor de vaststelling van de periode van een jaar, bedoeld in het eerste lid, wordt onbetaald verlof tot een maximum van 18 maanden niet in aanmerking genomen.

Artikel 13, eerste lid, van de ADR luidt als volgt:

Het dagloon van de uitkeringsgerechtigde van wie de dag van ingang van de arbeidsongeschiktheidsuitkering ligt in een tussen hem en zijn werkgever overeengekomen periode van verlof, waarbij wel een dienstbetrekking aanwezig is, wordt vastgesteld met toepassing van de artikelen 1 tot en met 12. Bij deze berekening wordt de normale werktijd gesteld op de werktijd in die verlofperiode.

De rechtbank merkt allereerst op dat verweerder uit mocht gaan van de totstandkoming van een overeenkomst tot het opnemen van ouderschapsverlof. Evenals verweerder is de rechtbank van mening dat uit de houding en gedrag van zowel eiseres als van haar werkgever blijkt dat het de bedoeling was dat eiseres per 14 april 1999 ouderschapsverlof zou gaan genieten. De rechtbank kan zich dan ook verenigen met hetgeen verweerder hierover in zijn brief van 15 oktober 2001 heeft gesteld.

Wat betreft het niet voldoen aan de eis van schriftelijke melding, overweegt de rechtbank dat hieraan geen specifieke sanctie verbonden is en dat uit de parlementaire geschiedenis slechts valt op te maken dat de schriftelijkheid verband houdt met de aan de melding verbonden gevolgen en is opgenomen met het oog op het goed functioneren van de arbeidsorganisatie. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de eis van schriftelijkheid veeleer als bewijsvoorschrift dient te worden gezien en niet als constitutief vereiste voor het ontstaan van de aanspraak op ouderschapsverlof.

De rechtbank overweegt verder dat, hoewel gezien bovenstaande vaststelling sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de ADR, in onderhavig geval geen toepassing kan worden gegeven aan dit artikel. Hiertoe verwijst de rechtbank naar onderdeel 5.3 uit de circulaire van de SVR van 2 april 1991, welke ziet op de gevolgen van de Wet op het ouderschapsverlof.

“Gezien het algemene uitgangspunt, dat ouderschapsverlof geen blijvend vertragend effect mag hebben op de WAO-uitkering, dient het dagloon WAO altijd te worden vastgesteld alsof voor betrokkene geen ouderschapsverlofregeling heeft gegolden. Op grond van artikel 3 Dagloonregelen WAO geldt in het algemeen een referteperiode van 52 weken gelegen voor de ZW-dag. Over die periode wordt berekend het loon dat de uitkeringsgerechtigde gemiddeld heeft genoten over dagen waarop hij gedurende ten minste de voor hem normale werktijd in zijn beroep werkzaam was.

Zoals hiervoor al aangegeven dient een regeling inzake ouderschapsverlof te worden beschouwd als een regeling tot toepassing van een kortere dan de normale werktijd, als bedoeld in art. 4, tweede lid, Dagloonregels IWS, resp. art. 3, tweede lid, Dagloonregelen ZW. In de Dagloonregelen WAO ontbreekt een vergelijkbare bepaling, zodat de referteperiode niet wordt verplaatst naar de periode vóór de toepassing van de regeling inzake ouderschapsverlof. Uit de opvatting dat een regeling inzake ouderschapsverlof dient te worden beschouwd als een regeling tot toepassing van een kortere dan de normale werktijd, volgt evenwel dat de desbetreffende periode buiten beschouwing dient te blijven bij de dagloonberekening op grond van art. 3 Dagloonregelen WAO. Ook hier vindt geen evenredige verlaging plaats (art. 14, eerste lid, onderdeel a Dagloonregelen WAO)”.

De rechtbank oordeelt dat onverkorte toepassing van artikel 13, eerste lid, van de ADR zou leiden tot een situatie, welke, gezien de hierboven vermelde circulaire, in strijd is met de aard en strekking van de Wet op het Ouderschapsverlof. Naar het oordeel van de rechtbank dient dit artikel dan ook buiten toepassing te worden gelaten, hetgeen betekent dat verweerder bij de vaststelling van de hoogte van het WAO-dagloon in de periode van 29 maart tot 14 april 2000 ten onrechte is uitgegaan van een 24-urige werkweek.

Het beroep van eiseres, gericht tegen het besluit van 8 maart 2002 zal dan ook gegrond worden verklaard. Aan behandeling van de overige door eiseres opgeworpen grieven, komt de rechtbank niet meer toe.

De rechtbank overweegt verder dat met bovenstaande overweging tevens de onjuistheid van het ingetrokken besluit is vastgesteld. Mede gelet op het door eiseres ingediende verzoek tot schadevergoeding, dient naar het oordeel van de rechtbank het beroep van eiseres tegen het ingetrokken besluit gegrond te worden verklaard, waarbij de rechtbank vernietiging van het ingetrokken besluit van 9 mei 2000 op zijn plaats acht.

Gelet op bovenstaande vernietiging, acht de rechtbank termen aanwezig om verweerder overeenkomstig het bepaalde in artikel 8:73 van de Awb te veroordelen in de schade die eiseres heeft geleden, te weten de wettelijke rente tot aan de dag der algehele voldoening over het bedrag dat het verschil vormt tussen hetgeen eiseres als bruto WAO-uitkering toekomt en hetgeen haar is uitbetaald in de periode van 29 maart 2000 tot 14 april 2000.

De rechtbank acht eveneens termen aanwezig om verweerder overeenkomstig het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiseres in verband met de onderhavige procedure redelijkerwijs gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op de voet van de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op het in rubriek III vermelde bedrag, waarbij mede gelet op artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van voornoemd Besluit, voor de in aanmerking te brengen proceshandelingen van de gemachtigde van eiseres 2,5 punt is toegekend (voor het indienen van het beroepschrift en het meermaals verschijnen ter zitting) en het gewicht van de zaken is bepaald op gemiddeld (wegingsfactor 1).

Nu aan eiseres terzake van het beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient het bedrag van de kosten van het ingevolge art. 8:75, tweede lid van de Awb te worden betaald aan de griffier van deze rechtbank.

Op grond van het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8;73, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist.

III BESLISSING

De rechtbank Maastricht:

- verklaart het beroep tegen het besluit van 9 mei 2000 gegrond en vernietigt dit besluit;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres geleden schade, te weten de wettelijke rente tot aan de dag der algehele voldoening over het bedrag dat het verschil vormt tussen hetgeen eiseres als bruto WAO-uitkering toekomt en hetgeen haar is uitbetaald in de periode van 29 maart 2000 tot 14 april 2000;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 8 april 2002 gegrond en vernietigt dit besluit voor zover het ziet op de periode van 29 maart 2000 tot 14 april 2000;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift van eiseres met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 29,-- wordt vergoed door verweerder;

- veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiseres gerezen en begroot op € 805,--, te betalen door verweerder aan de griffier van de rechtbank te Maastricht.

Aldus gedaan door mr. H.J.O. Martens in tegenwoordigheid van mr. R.J.G. Welters als griffier en in het openbaar uitgesproken op 9 augustus 2002 door mr. Martens voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. Welters w.g. Martens

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Verzonden op: 9 augustus 2002

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de President van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.