Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2002:AE6783

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
09-07-2002
Datum publicatie
22-08-2002
Zaaknummer
AWB 01/654 ZW I
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Adoptie in het kader van de ZW niet gelijk te stellen aan zwangerschap; geen anticipatie op de Wet arbeid en zorg.

Afwijzing aanvraag om ZW-uitkering omdat de ZW geen regeling bevat voor het toekennen van een uitkering wegens adoptieverlof. Adoptie kan volgens verweerder in dezen niet gelijkgesteld worden met zwangerschap en bevalling. Ter ondersteuning van dit standpunt is gewezen op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15 juni 1994 (RSV 1994/249).

Het geding spitst zich toe op de vraag of verweerder, ondanks het ontbreken van een wettelijke grondslag, aan eiseres een uitkering ingevolge de ZW dient te verstrekken wegens adoptieverlof. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend.

Het recht op adoptieverlof en op een uitkering in verband met adoptie is thans wettelijk vastgelegd in de Wet arbeid en zorg, in werking getreden op 1 december 2001. De Invoeringswet arbeid en zorg bevat geen bepalingen op grond waarvan aan eiseres met terugwerkende kracht een uitkering ingevolge deze wet toegekend kan worden. Voorts blijkt uit de wetsgeschiedenis (zie TK, handelingen 2000-2001, nr. 56, p. 4117) dat het uitdrukkelijk niet de bedoeling van de wetgever was om vóór de inwerkingtreding van de Wet arbeid en zorg een regeling inzake verlof en uitkering bij adoptie te treffen. Gelet op deze overwegingen is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit terecht niet heeft geanticipeerd op de destijds nog niet in werking getreden Wet arbeid en zorg.

Omtrent het namens eiseres aangevoerde beroep op het gelijkheidsbeginsel overweegt de rechtbank dat er inderdaad zowel bij adoptief als bij biologisch ouderschap sprake kan zijn van een gewennings-periode. Deze overeenkomst leidt de rechtbank echter niet tot de conclusie dat adoptief ouderschap voor de toepassing van de ZW gelijkgesteld dient te worden met biologisch ouderschap. Onder verwijzing naar eerdervermelde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep overweegt de rechtbank hieromtrent dat de wetgever met de ZW een regeling heeft getroffen voor de fysiologische gevolgen van de zwangerschap en de bevalling.

Deze gevolgen ontbreken bij adoptief ouderschap zodat een verschil in behandeling tussen adoptief ouderschap en biologisch ouderschap is te rechtvaardigen.

Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

mr. M.C.A.E. van Binnebeke

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Reg.nr: AWB 01/654 ZW I

UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in het geding tussen

A te B, eiseres,

en

Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, als rechtsopvolger van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv), -GAK Maastricht-, gevestigd te Amsterdam, verweerder.

Datum bestreden besluit: 10 april 2001.

Kenmerk: ZW586.039/040.10.

Behandeling ter zitting: 28 juni 2002.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Eiseres heeft op 12 oktober 2000 een aanvraag ingediend bij verweerder om in aanmerking te komen voor ziekengeld in het kader van de Ziektewet.

Op 31 december 2000 is namens eiseres een bezwaarschrift ingediend in verband met het niet tijdig nemen van een besluit op deze aanvraag.

Bij besluit van 5 maart 2001 heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 10 april 2001 heeft verweerder het namens eiseres ingediend bezwaarschrift voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond en voor het overige ongegrond verklaard.

Tegen laatstgenoemd besluit is namens eiseres beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken zijn in kopie aan de gemachtigde van eiseres gezonden, evenals het door verweerder ingediende verweerschrift.

Het beroep is behandeld ter zitting van deze rechtbank op 28 juni 2002, alwaar namens eiseres haar echtgenoot, mr. A, als gemachtigde is verschenen.

Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. T. Kuipers.

II. OVERWEGINGEN.

Per 1 januari 2002 zijn in werking getreden de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wsuwi) en de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (IWsuwi), Stb. 2001/682. Op grond van artikel 9, eerste lid, van laatstgenoemde wet gaan de publiekrechtelijke rechten en verplichtingen van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) en de uitvoeringsinstellingen per die datum over op het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). Het tweede lid van voormeld artikel bepaalt dat een door het Lisv genomen besluit geldt als een besluit van het UWV. Ingevolge de artikelen 11 en 12 van diezelfde wet treedt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de onderhavige procedure als verwerende partij in de plaats van (het bestuur van) het Lisv respectievelijk de uitvoeringsinstellingen.

Eiseres heeft op 12 oktober 2000 bij verweerder een aanvraag ingediend, strekkende tot toekenning van een uitkering ingevolge de Ziektewet wegens zwangerschapsverlof in verband met de adoptie van een buitenlands kind op 27 november 2000.

Bij schrijven van 31 december 2000 is namens eiseres bezwaar gemaakt wegens het uitblijven van een beslissing op deze aanvraag.

Eiseres en haar gemachtigde zijn naar aanleiding van het bezwaar gehoord op 5 maart 2001. Bij die gelegenheid is aan eiseres en haar gemachtigde het besluit van 5 maart 2001, inhoudende de afwijzing van haar aanvraag, overhandigd. Aangezien met dit besluit niet aan de bezwaren van eiseres is tegemoetgekomen, heeft verweerder opgemerkt dat het bezwaarschrift wordt geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 5 maart 2001.

Bij het thans bestreden besluit van 10 april 2001 heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat het namens haar ingediende bezwaarschrift, voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op haar aanvraag van 12 oktober 2000 gegrond is.

Verweerder heeft het bezwaarschrift, voor zover gericht tegen de afwijzing van de aanvraag van een uitkering ingevolge de ZW, ongegrond verklaard.

Eiseres kan zich met de afwijzing van een uitkering ingevolge de ZW niet verenigen. Daartoe is in beroep, kort samengevat, benadrukt dat adoptie voor de toepassing van de ZW gelijkgesteld dient te worden met zwangerschap en bevalling.

De rechtbank dient in dit geding te beoordelen of verweerder terecht en op goede gronden heeft besloten om aan eiseres geen uitkering ingevolge de ZW toe te kennen. De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

Verweerder heeft geweigerd eiseres voor een uitkering ingevolge de ZW in aanmerking te laten komen omdat de ZW geen regeling bevat voor het toekennen van een uitkering wegens adoptieverlof. Adoptie kan volgens verweerder in dezen niet gelijkgesteld worden met zwangerschap en bevalling. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder ter ondersteuning van dit standpunt gewezen op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15 juni 1994 (RSV 1994/249).

Namens eiseres is daartegen ingebracht dat een uitkering wegens zwangerschap en bevalling ingevolge de ZW niet alleen is gebaseerd op een medische component maar ook op een gewenningscomponent. Betoogd is dat bij adoptie in ieder geval ook sprake is van een gewenningscomponent, zodat eiseres op grond van het gelijkheidsbeginsel recht heeft op een uitkering ingevolge de ZW. De door verweerder aangehaalde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep dient in dezen niet (meer) gevolgd te worden. De gemachtigde van eiseres heeft in dit verband onder meer gewezen op de maatschappelijke ontwikkelingen omtrent adoptie sedert die uitspraak en de ten tijde van de bestreden beslissing in voorbereiding zijnde Wet arbeid en zorg. Verweerder had, vooruitlopend op deze inmiddels in werking getreden wet, de aanvraag van eiseres dienen te honoreren op grond van de aanvullende werking van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

De rechtbank constateert dat tussen partijen niet in geschil is dat de ZW geen regeling bevat voor het toekennen van een uitkering wegens adoptieverlof. Het geding spitst zich derhalve toe op de vraag of verweerder, ondanks het ontbreken van een wettelijke grondslag, aan eiseres een uitkering ingevolge de ZW dient te verstrekken wegens adoptieverlof. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

Het recht op adoptieverlof en op een uitkering in verband met adoptie is thans wettelijk vastgelegd in de Wet arbeid en zorg, in werking getreden op 1 december 2001. De Invoeringswet arbeid en zorg bevat geen bepalingen op grond waarvan aan eiseres met terugwerkende kracht een uitkering ingevolge deze wet toegekend kan worden. Voorts blijkt uit de wetsgeschiedenis (zie TK, handelingen 2000-2001, nr. 56, p. 4117) dat het uitdrukkelijk niet de bedoeling van de wetgever was om vóór de inwerkingtreding van de Wet arbeid en zorg een regeling inzake verlof en uitkering bij adoptie te treffen. Gelet op deze overwegingen is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit terecht niet heeft geanticipeerd op de destijds nog niet in werking getreden Wet arbeid en zorg.

Omtrent het namens eiseres aangevoerde beroep op het gelijkheidsbeginsel overweegt de rechtbank dat er inderdaad zowel bij adoptief als bij biologisch ouderschap sprake kan zijn van een gewennings-periode. Deze overeenkomst leidt de rechtbank echter niet tot de conclusie dat adoptief ouderschap voor de toepassing van de ZW gelijkgesteld dient te worden met biologisch ouderschap. Onder verwijzing naar eerdervermelde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep overweegt de rechtbank hieromtrent dat de wetgever met de ZW een regeling heeft getroffen voor de fysiologische gevolgen van de zwangerschap en de bevalling. Deze gevolgen ontbreken bij adoptief ouderschap zodat een verschil in behandeling tussen adoptief ouderschap en biologisch ouderschap is te rechtvaardigen.

Ook overigens is de rechtbank niet gebleken dat het bestreden besluit in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel, zodat het beroep van eiseres voor ongegrond moet worden gehouden.

Op grond van het bepaalde in artikel 8:70 van de Awb wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING.

De rechtbank Maastricht:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. M.C.A.E. van Binnebeke in tegenwoordigheid van mr. R.J.G. Welters

als griffier en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2002 door mr. Van Binnebeke voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. R. Welters w.g. M.C. van Binnebeke

Voor eensluidend afschrift,

De wnd. griffier,

Verzonden: 9 juli 2002

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.