Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2002:AE6758

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
09-07-2002
Datum publicatie
23-08-2002
Zaaknummer
AWB 2001/858 WAO Z
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2004:AR7641
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Duiden van functies met toeslagen voor afwijkende arbeidstijden.

Verweerder heeft eiseresses uitkering ingaande 21 februari 2001 ingetrokken, aangezien zij niet langer althans minder dan 15% arbeidsongeschikt is.

Rechtbank: De onderdelen f en g van art. 9 Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten betreffen functies met toeslagen voor afwijkende arbeidstijden. Dergelijke functies worden alleen in aanmerking genomen indien deze toeslagen zijn meegenomen bij de vaststelling van het maatman(vrouw)inkomen. In onderdeel f is de uitzondering op deze regel opgenomen. De redactie van dit onderdeel, zoals dit nog luidde in het Schattingsbesluit WAO, WAZ en Wajong, stamde nog uit de tijd dat geschat kon worden op slechts één functie (thans geldt het vereiste dat ten minste drie functies kunnen worden geduid). Dit onderdeel bepaalde dan ook dat functies met toeslagen voor afwijkende arbeidstijden in aanmerking konden worden genomen indien uitsluitend arbeid kon worden verricht in afwijkende arbeidstijden. Een letterlijke interpretatie daarvan brengt evenwel mee dat functies met afwijkende toeslagen wél mogen worden geduid wanneer er geen functies met normale arbeidstijden kunnen worden geselecteerd, maar niet wanneer er één of twee (minder dan drie) dagfuncties worden geselecteerd. De redactie van onderdeel g is om die reden aangepast.

De rechtbank stelt vast dat eiseres vóór het intreden van haar arbeidsongeschiktheid géén arbeid heeft verricht met afwijkende arbeidstijden en dat bij het bepalen van de resterende verdiencapaciteit dan ook géén functies met toeslagen voor afwijkende arbeidstijden mogen worden voorgehouden, wanneer één of meer maar niet een toereikend aantal functies met normale arbeidstijden geselecteerd kunnen worden. De geselecteerde Fb-code’s 3318, 5897 en 4911 zijn functies in wisselende diensten en de geselecteerde Fb-code’s 7965 en 3804 zijn functies in dagdienst.

Nu aan de onderhavige schatting mede twee functies ten grondslag kunnen worden gelegd die géén wisselende diensten kennen, volgt uit het bepaalde in art. 9.f dat de thans drie geselecteerde (en overgebleven) functies met wisselende diensten niet aan de schatting ten grondslag hadden mogen worden gelegd. Omdat thans twee functies resteren, komt het onderhavige besluit, wegens strijd met het bepaalde in art. 9.a Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, voor vernietiging in aanmerking.

Uitspraak in hoger beroep vernietigd; LJN AR7641.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Reg.nr: AWB 2001 / 858 WAO Z

UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in het geding tussen

A te B, eiseres,

en

Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen -GAK Heerlen-, gevestigd te Amsterdam, verweerder.

Datum bestreden besluit: 6 juni 2001.

Kenmerk: B&B 247.063.20 1557.67.902.

Behandeling ter zitting: 2 juli 2002.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 6 juni 2001 heeft verweerder een door eiseres ingediend bezwaarschrift van 14 februari 2001 tegen een door verweerder genomen besluit van 26 januari 2001 inzake de toepassing van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), ongegrond verklaard.

Tegen eerstgenoemd besluit heeft mr. R.C. Breuls, advocaat te Geleen, namens eiseres beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift (met een bijlage) zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiseres gezonden.

Desgevraagd heeft verweerder bij brieven van 25 april 2002 (met bijlagen) respectievelijk 14 mei 2002 de rechtbank nadere inlichtingen verstrekt. Afschrift hiervan is aan de gemachtigde van eiseres gezonden.

Bij faxbericht van 14 mei 2002 verzoekt de gemachtigde van eiseres -zakelijk weergegeven- om vergoeding van de gemaakte kosten in bezwaar. Afschrift hiervan is aan verweerder toegezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 2 juli 2002 waar eiseres bij gemachtigde mw. mr.F.E.H.M. van Aken en verweerder bij gemachtigde mw.mr. C. Arets-Zeptner zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN.

Per 1 januari 2002 zijn in werking getreden de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wsuwi) en de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (IWsuwi), Stb. 2001/682. Op grond van artikel 9, eerste lid, van laatstgenoemde wet gaan de publiekrechtelijke rechten en verplichtingen van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) en de uitvoeringsinstellingen per die datum over op het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). Het tweede lid van voormeld artikel bepaalt dat een door het Lisv genomen besluit geldt als een besluit van het UWV. Ingevolge de artikelen 11 en 12 van diezelfde wet treedt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de onderhavige procedure als verwerende partij in de plaats van (het bestuur van) het Lisv respectievelijk de uitvoeringsinstellingen.

In deze uitspraak wordt onder verweerder tevens verstaan: Uitvoeringsinstituut werknemers- verzekeringen (UWV-GAK).

Voorgeschiedenis

Eiseres is voorheen werkzaam geweest als meewerkend echtgenote van een zelfstandige bij de exploitatie van een horecabedrijf.

Eiseres heeft tot 6 september 1999 uitkering ontvangen ingevolge de WAO naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij besluit van 6 juli 1999 heeft verweerder deze uitkering met ingang van 6 september 1999 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres met ingang van deze datum minder bedraagt dan 15%. Tegen dat besluit is namens eiseres op 19 juli 1999 een bezwaarschrift ingediend en bij beslissing op bezwaar van 10 november 1999 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen de beslissing op bezwaar is namens eiseres toentertijd bij deze rechtbank beroep ingesteld, AWB 1999/1754 WAO. Bij uitspraak van deze rechtbank d.d. 10 januari 2001 is het beroep van eiseres ongegrond verklaard. Door partijen is geen hoger beroep ingesteld, zodat deze uitspraak in rechte onaantastbaar is geworden.

Onderhavige zaak

Uit de gedingstukken blijkt dat eiseres zich met ingang van 17 december 1999 vanuit de WW heeft ziek gemeld.

De verzekeringsarts mw. K. Corten heeft op basis van eigen onderzoek van eiseres en mede op basis van ontvangen schriftelijke informatie uit de behandelende sector van eiseres, in haar rapportage algemeen van 30 oktober 2000 aangegeven welke medische beperkingen eiseres zou ondervinden bij het verrichten van werkzaamheden.

Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige C.H.P.J. Franssen op 5 december 2000 aan eiseres meegedeeld dat deze met inachtneming van vermelde beperkingen, nog in staat wordt geacht een aantal werkzaamheden te verrichten. Eiseres zijn functies en reserve functies genoemd welke naar het oordeel van verweerder als algemeen geaccepteerde arbeid kunnen worden aangemerkt. Met het verrichten van die werkzaamheden zou eiseres geen verlies aan verdienvermogen hebben van. Bij brief van 20 december 2000 is eiseres hierover schriftelijk geïnformeerd.

Bij besluit van 26 januari 2001 heeft verweerder aan eiseres met ingang van 14 januari 2000 een uitkering ingevolge de WAO toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Een en ander op basis van -onder meer- artikel 43a van de WAO.

Bij besluit van eveneens 26 januari 2001 heeft verweerder met ingang van 21 februari 2001 voormelde uitkering ingetrokken, onder de overweging, dat eiseres vanaf die datum niet langer, althans minder dan 15% arbeidsongeschikt was in de zin van die wetgeving.

Tegen dit intrekkingsbesluit besluit is namens eiseres bij brief van 14 februari 2001 (met bijlagen) bezwaar aangetekend.

Eiseres is in de gelegenheid gesteld om op 20 april 2001 op het bezwaarschrift te worden gehoord. Van het horen is een verslag opgemaakt, dat zich bij de gedingstukken bevindt.

Naar aanleiding van de gehouden hoorzitting heeft de bezwaarverzekeringsarts mw. J. Jonker in haar rapportage algemeen van 20 april 2001 ten aanzien van eiseres gerapporteerd en onder meer aangegeven:

“Behoudens één van de functies telefoniste, die met hoge tijdsdruk, vind ik alle functies geschikt voor belanghebbende.”.

Bij het thans bestreden besluit van 6 juni 2001 heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.

Blijkens het gestelde in het beroepschrift van 29 juni 2001 (met bijlagen) kan eiseres zich niet verenigen met het standpunt van verweerder.

In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of het bestreden besluit in rechte kan worden gehandhaafd.

Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.

In het onderhavige geval is op eiseres van toepassing het arbeidsongeschiktheidscriterium, zoals dat als gevolg van de Wet TBA per 1 augustus 1993 is komen te luiden.

Voorts is van toepassing de op 26 juli 2000 in werking getreden Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) als bedoeld in artikel 18, achtste en tiende lid, van de WAO, artikel 2, zevende en negende lid, van de Waz, en artikel 2, achtste en tiende lid, van de Wajong (Staatsblad 2000 / 307), verder te noemen het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten).

Tevens is van toepassing het Besluit uurloonschatting 1999 van 11 februari 1999, Staatscourant 1999,40. Dit besluit is in werking getreden op 1 april 1999.

Vooropgesteld moet worden dat eerst dan sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO, zoals die wet per 1 augustus 1993 is komen te luiden, indien de belanghebbende, kort gezegd, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk buiten staat is met algemeen geaccepteerde arbeid te verdienen wat gezonde personen met gelijke opleiding en ervaring gewoonlijk verdienen. Bedoelde personen worden in de praktijk aangeduid met het begrip "maatman" respectievelijk "maatvrouw".

Bij de beantwoording van de vraag of iemand arbeidsongeschikt is in de zin van die wetgeving, en zo ja in welke mate, zijn dus in het bijzonder de volgende factoren van belang:

-of de betrokkene medische beperkingen heeft;

-of en in hoeverre betrokkene als gevolg daarvan buiten staat is met algemeen geaccepteerde arbeid een inkomen te verwerven.

Voorts dient in het oog te worden gehouden dat voorwaarde voor het recht op uitkering is dat het verlies aan verdienvermogen in vergelijking met de maatman of maatvrouw ten minste 15% bedraagt voor de WAO.

Ten aanzien van de medische component.

Op grond van de beschikbare medische gegevens, namelijk de bevindingen van voormelde verzekeringsartsen, bezien in samenhang met de overige in het dossier aanwezige medische gedingstukken, waaronder de in het dossier aanwezige schriftelijke informatie uit de behandelende sector van eiseres, moet worden vastgesteld dat ten aanzien van eiseres per 21 februari 2001 medische beperkingen zijn aan te gegeven.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn in de voorhanden medische gegevens voldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de medische beperkingen van eiseres op de datum in het geding op een juiste wijze zijn vastgesteld. De rechtbank acht onvoldoende termen aanwezig om tot het oordeel te komen dat verweerder niet alle relevante feiten en omstandigheden met betrekking tot de gezondheidstoestand van eiseres in aanmerking heeft genomen.

Ten aanzien van de arbeidskundige component.

In de gedingstukken, waarvan in het bijzonder de rapportage algemeen van 18 december 2000 van arbeidsdeskundige C. Franssen, is een aantal functies genoemd die eiseres naar het oordeel van verweerder, gelet op de voor haar geldende medische beperkingen, kan vervullen te weten:

fb-code functie functienummer arb.plts

1) 3318 informant 7211-0111-006 6 (*wisseldienst

kaartverkoper 7211-0111-008 3 (* “

9 f 21,43

2) 5897 parkeercontroleur 9041-0006-001 6 (* “

9553-0042-002 1 (* “

9953-0042-001 3 (* “

10 f 19,77

3) 4911 verkoopster kleding 6552-0071-001 10 (* “ f 18,27

4) 3802 telefoniste 9311-0275-007 4 (* “

9071-0034-002 1

9071-0034-003 1

9071-0018-001 1

9071-0018-002 1

8 f 17,20

reserve-functies

a) 7965 coupeuse 2272-0034-001 5

2272-0034-002 2

7 (dagdienst) f 15,80

b) 3804 telefoniste/receptioniste 8211-0079-002 8 (dagdienst) f 21,04

Gelet op de rapportage algemeen van 20 april 2001 van bezwaarverzekeringsarts mw. J. Jonker, waarvan in het bijzonder punt 5: Beschouwing, onderdeel 6, zijn alle geduide functies, behoudens één van de functies van telefonist, die met hoge tijdsdruk, geschikt voor eiseres. Het betreft in casu de functie telefoniste behorende bij Fb-code 3802 met functienummer 9311-0275-007. Aangezien deze functie als niet passend moet worden beschouwd, vanwege de aanmerkelijke tijdsdruk, en de overige geduide functies binnen deze Fb-code 3802 tezamen 4 arbeidsplaatsen vertegenwoordigen, mag deze Fb-code, gelet op vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) niet meer aan de schatting ten grondslag worden gelegd.

Uit artikel 9 van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten wordt aangehaald:

“Bij bepaling van hetgeen betrokkene nog met arbeid kan verdienen worden de volgende regels in acht genomen:

a. in aanmerking wordt genomen die algemeen geaccepteerde arbeid waarmee betrokkene per uur het meest kan verdienen. Deze arbeid wordt nader omschreven in de vorm van ten minste drie verschillende in Nederland uitgeoefende functies waarmee het hoogste inkomen per uur kan worden verworven. Deze functies vertegenwoordigen tezamen ten minste 30 arbeidsplaatsen

b. (…);

c. (…);

d. (…);

e. (…);

f. bij de toepassing van onderdeel a blijven functies met toeslagen voor afwijkende arbeidstijden buiten beschouwing, tenzij deze toeslagen wel zijn meegenomen bij het vaststellen van het maatmaninkomen;

g. onderdeel f blijft buiten toepassing, indien minder dan drie functies als bedoeld in onderdeel a in aanmerking kunnen worden genomen.”.

De rechtbank stelt vast dat de hierboven vermelde Fb-code’s 3318, 5897 en 4911 de onderhavige schatting niet meer kunnen dragen, nu het aantal arbeidsplaatsen van deze drie Fb-code’s 29 bedraagt, hetgeen gelet op artikel 9, aanhef, sub a, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschikheids- wetten, onvoldoende is. Het is de rechtbank evenwel niet ontgaan dat in casu ook reserve functies zijn voorgehouden, te weten Fb-code 7965 en 3804, welke naar het oordeel van verweerder eveneens passende functies zijn. Voorts is sprake in van functies in wisseldienst en functies in dagdienst, zoals hierboven per Fb-code is aangegeven.

Desgevraagd heeft verweerder in haar brief van 14 mei 2002 meegedeeld:

“Bij de functieselectie zijn, indien uitgegaan wordt van geen wisseldienst te weinig functies te selecteren. Er is derhalve overgegaan tot het selecteren van zowel functies in wisseldienst als functies zonder wisseldienst. Deze gecombineerde selectie vindt plaats conform het gestelde in het schattingsbesluit met betrekking tot de hoogst mogelijke loonwaarde. Dit betekent dat de fb-code met de hoogste loonwaarde, als resultaat van de vergelijking tussen enerzijds de medianeloonwaarde en anderzijds de eventueel van toepassing zijnde reductiefactor, als eerst gepresenteerd wordt en de fb-codes met lagere loonwaarde (als resultaat van…) als volgende gepresenteerd worden. Deze systematiek kan tot gevolg hebben dat, zoals in het onderhavige geval ook aan de orde is, een fb-code met een hogere medianeloonwaarde (en geen wisseldienst) op een lagere plaats komt dan een fb-code met een lagere medianeloonwaarde (met wisseldienst), waardoor deze bij de berekening van de resterende verdiencapaciteit geen rol speelt.”.

Dit betoog treft naar het oordeel van de rechtbank geen doel.

De onderdelen f en g (behorende bij artikel 9 van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten zoals hierboven weergegeven) betreffen functies met toeslagen voor afwijkende arbeidstijden. Dergelijke functies worden alleen in aanmerking genomen indien deze toeslagen zijn meegenomen bij de vaststelling van het maatman(vrouw)inkomen. In onderdeel f is de uitzondering op deze regel opgenomen. De redactie van dit onderdeel, zoals dit nog luidde in het Schattingsbesluit WAO, WAZ en Wajong, stamde nog uit de tijd dat geschat kon worden op slechts één functie (thans geldt het vereiste dat ten minste drie functies kunnen worden geduid). Dit onderdeel bepaalde dan ook dat functies met toeslagen voor afwijkende arbeidstijden in aanmerking konden worden genomen indien uitsluitend arbeid kon worden verricht in afwijkende arbeidstijden. Een letterlijke interpretatie daarvan brengt evenwel mee dat functies met afwijkende toeslagen wél mogen worden geduid wanneer er geen functies met normale arbeidstijden kunnen worden geselecteerd, maar niet wanneer er één of twee (minder dan drie) dagfuncties worden geselecteerd. De redactie van onderdeel g is om die reden aangepast.

De rechtbank stelt vast dat eiseres vóór het intreden van haar arbeidsongeschiktheid géén arbeid heeft verricht met afwijkende arbeidstijden en dat bij het bepalen van de resterende verdiencapaciteit dan ook géén functies met toeslagen voor afwijkende arbeidstijden mogen worden voorgehouden, wanneer één of meer maar niet een toereikend aantal functies met normale arbeidstijden geselecteerd kunnen worden. De geselecteerde Fb-code’s 3318, 5897 en 4911 zijn functies in wisselende diensten en de geselecteerde Fb-code’s 7965 en 3804 zijn functies in dagdienst.

Nu aan de onderhavige schatting mede twee functies ten grondslag kunnen worden gelegd die géén wisselende diensten kennen, volgt uit het bepaalde in artikel 9, aanhef en sub f dat de thans drie geselecteerde (en overgebleven) functies met wisselende diensten niet aan de schatting ten grondslag hadden mogen worden gelegd. Omdat thans twee functies resteren, komt het onderhavige besluit, wegens strijd met het bepaalde in artikel 9, aanhef en sub a van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, voor vernietiging in aanmerking.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het thans bestreden besluit op een niet toereikende feitelijke arbeidskundige grondslag berust en onvoldoende zorgvuldig is voorbereid c.q. gemotiveerd zoals vereist volgens artikel 7:12 van de Awb.

Het beroep van eiseres, gericht tegen het bestreden besluit van 6 juni 2001 wordt dan ook voor gegrond gehouden.

Wettelijke rente.

Met betrekking tot het namens eiseres gedane verzoek om verweerder te veroordelen tot schadevergoeding ex artikel 8:73 van de Awb is de rechtbank van oordeel dat dit verzoek niet kan worden gehonoreerd, omdat voorshands niet met zekerheid is te zeggen of de door verweerder te nemen nieuwe beslissing op bezwaar zal leiden tot een voor eiseres gunstiger resultaat.

Verweerder zal bij het te nemen nieuwe besluit op het bezwaarschrift, in geval dat hieruit een nabetaling van uitkering voortvloeit, tevens aandacht moeten besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om wettelijke rente vergoeden.

Proceskostenveroordeling.

Onder verwijzing naar het faxbericht van 14 mei 2002 van de gemachtigde van eiseres overweegt de rechtbank als volgt.

Bij wet van 24 januari 2002 en bij Besluit van 25 februari 2002 zijn -kort samengevat- wijzigingen aangebracht in de Awb met betrekking tot de kosten van bezwaar en administratief beroep (kosten bestuurlijke voorprocedures) Staatsblad 2002/55 respectievelijk wijziging aangebracht in het Besluit proceskosten bestuursrecht in verband met de vergoeding van kosten van bezwaar en administratief beroep, Staatsblad 2002/113. De inwerking hiervan geldt per 12 maart 2002.

Gelet op evenwel artikel III, zoals verwoord in de Wet van 24 januari 2002 blijft artikel 8:75 van de Awb, zoals dat luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, van toepassing indien het besluit waartegen bezwaar kan worden gemaakt of administratief beroep kan worden ingesteld voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is genomen.

In casu is het primaire besluit genomen op 26 januari 2001 zodat de rechtbank enkel termen aanwezig acht om verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. De laatste volzin van het eerste lid van artikel 8:75 van de Awb bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld over de kosten waarop een veroordeling uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop bij de uitspraak het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.

In het van toepassing zijnde Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) van 22 december 1993, Staatsblad 1993/763 en (laatstelijk) gewijzigd bij besluit van 14 september 2001, Staatsblad 2001/415, [iwtr 01 januari 2002 tot en met 11 maart 2002] zijn die vorenbedoelde nadere regels opgenomen.

Artikel 1 van dat besluit somt limitatief op welke kostenposten onder de kostenveroordeling kunnen worden gevat en in artikel 2 van dat besluit is geregeld op welke wijze het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.

Deze proceskostenveroordeling heeft betrekking op de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waarvan het bedrag wordt vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van het Bpb.

De rechtbank kent daarbij ter zake van de verrichte proceshandelingen 2 punten met een waarde van € 322,00 toe (voor de indiening van het beroepschrift 1 punt en voor het verschijnen ter zitting 1 punt) en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1).

Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 2 x € 322,00 x 1 = € 644,00.

Nu aan eiseres ter zake van het beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient het bedrag van de kosten ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden betaald aan de griffier van deze rechtbank.

Op grond van het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING.

De rechtbank Maastricht:

1. verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit van 6 juni 2001;

2. draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift van 14 februari 2001;

3. bepaalt dat aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 27,23 wordt vergoed door Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, gevestigd te Amsterdam;

4. veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiseres begroot op € 644,00, zijnde de kosten van rechtsbijstand, te vergoeden door voormelde rechtspersoon aan de griffier van de rechtbank Maastricht.

Aldus gedaan door mr. A.G.M. Jansberg in tegenwoordigheid van E.S.J.M. Naebers als griffier en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2002 door mr. Jansberg voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. ESJM Naebers w.g. AGM Jansberg

Voor eensluidend afschrift: De griffier,

Verzonden op: 9 juli 2002

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.