Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2002:AE6534

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
22-07-2002
Datum publicatie
23-08-2002
Zaaknummer
AWB 01/309 BELEI Z
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huursubsidievangnet houdt een Koppelingswet-conform beleid in.

Toekenning bijzondere bijdrage in de huurlasten van 01 juli 1999 tot 01 oktober 1999 o.g.v. de Vangnetregeling Huursubsidie. In geschil is de vraag of verweerder het huishouden van eiser terecht als eenpersoonshuishouden heeft aangemerkt. Eiser woont samen met zijn echtgenote en haar dochter, beiden afkomstig uit Letland. Eiser, zijn echtgenote en haar dochter vallen niet onder de werking van art. 10 Huursubsidiewet. Echtgenote en dochter verblijven op grond van art. 1b onder 3 Vreemdelingenwet rechtmatig in Nederland. Naar het oordeel van de rechtbank is de indeling categorie eenpersoonshuishouden correct. De vraag aangaande de gerechtvaardigde doelen en het gerechtvaardigde middel van de Koppelingswet is door de CRvB eerder positief beantwoord. Er is onder meer overwogen dat de met de Koppelingswet nagestreefde beleidsdoelstellingen in beginsel een rechtvaardigingsgrond opleveren voor een onderscheid naar nationaliteit en voorts dat die wet een geschikt, genuanceerd en proportioneel middel vormt om de beoogde doelstellingen te verwezenlijken. Deze overwegingen, die op grond van art. 26 IVBPR zijn gewezen, zijn in casu analoog van toepassing. Uit de brief van de staatssecretaris van VROM van 12 juli 1999 inzake wijziging van de Huursubsidiewet in verband met de Koppelingswet blijkt dat de consequentie van de Huursubsidiewet - dat aanvragers met rechtmatig in Nederland verblijvende medebewoners worden uitgesloten van huursubsidie - strikter is dan door de Koppelingswet is beoogd en daarmee ongewenst is. In de brief wordt aangegeven dat, in afwachting van wetswijziging, genoemde aanvragers niet van huursubsidie zullen worden uitgesloten, zolang zij ook aan de overige vereisten voor het verkrijgen ervan voldoen. Het huishouden van dergelijke aanvragers wordt behandeld als eenpersoonshuishouden. Het beleid dat in deze brief wordt geformuleerd houdt een begunstigende afwijking in van de Huursubsidiewet.

In casu is van schending van enig beginsel of artikel geen sprake, reeds omdat in het doel van de Koppelingswet in casu voldoende rechtvaardigingsgronden kunnen worden gevonden voor het gemaakte onderscheid naar nationaliteit en verblijfsstatus. Dit doel betreft enerzijds het voorkomen dat illegale vreemdelingen feitelijk hun wederrechtelijk verblijf in Nederland kunnen voortzetten doordat zij verstrekkingen en uitkeringen kunnen krijgen zonder dat een verblijfspositietoets wordt aangelegd, en anderzijds het voorkomen dat illegalen en nog niet toegelatenen een schijn van volkomen legaliteit kunnen krijgen.

Het huursubsidievangnet houdt aldus een Koppelingswetconform beleid in, waardoor eiser, die op grond van de Huursubsidiewet geen recht op huursubsidie had, alsnog huursubsidie ontvangt. Dat het huishouden van eiser door verweerder voor de huursubsidievangnetregeling als eenpersoonshuishouden wordt aangemerkt is niet in strijd met het recht.

Beroep ongegrond.

het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Heerlen, verweerder.

mr. M.C.A.E. van Binnebeke

IVBPR 26

Huursubsidiewet <,0> 10, 26a, 27.4

Vreemdelingenwet 1b, 1

Koppelingswet

Besluit vangnetregeling huursubsidie (Stb. 1998, 321)

brief Staatssecretaris VROM van 12 juli 1999, kenmerk HIS 99179823

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Reg.nr: AWB 01/309 BELEI Z

UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in het geding tussen

A te B,eiser,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Heerlen, gevestigd te Heerlen, verweerder.

Datum bestreden besluit: 23 januari 2001.

Kenmerk: 0121-990855-B-AS.

Behandeling ter zitting: woensdag 22 mei 2002.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 23 januari 2001 heeft verweerder een namens eiser ingediend bezwaarschrift van 15 december 1999 tegen een door verweerder genomen besluit van 19 november 1999 ongegrond verklaard.

Tegen eerstgenoemd besluit is namens eiser beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken zijn in kopie aan de gemachtigde van eiser gezonden, evenals het door verweerder ingediende verweerschrift.

Het beroep is behandeld ter zitting van deze rechtbank op 22 mei 2002, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. S. Coenen, advocaat te Maastricht, ter vervanging van eisers gemachtigde mr. M.E.Th. Hogervorst. Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. A.J.M. Smeets

II. OVERWEGINGEN.

Eiser heeft op 19 augustus 1999 bij verweerder een aanvraag ingediend, strekkende tot toekenning van een bijzondere bijdrage in de huurlasten ingevolge de Vangnetregeling Huursubsidie (hierna: de Vangnetregeling).

Bij besluit van 19 november 1999 heeft verweerder besloten eiser op grond van de Vangnetregeling een bijdrage van ƒ 237,-- toe te kennen van 1 juli 1999 tot 1 oktober 1999.

Bij brief van 15 december 1999 is namens eiser tegen dat besluit bezwaar gemaakt bij verweerder. Gesteld is dat de bijdrage te laag is, dat eiser ten onrechte is aangemerkt als alleenstaande en dat hij moet worden beschouwd als alleenkostwinner van een gezin.

Op de hoorzitting van 6 januari 2000 hebben eiser en zijn gemachtigde een nadere toelichting op het bezwaar gegeven.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift van eiser ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag verweerders standpunt dat de bijdrage correct is vastgesteld, kort gezegd, omdat de echtgenote van eiser en haar dochter in juli 1999 zonder toelating tot verblijf in Nederland verbleven. Om die reden worden zijn niet als medebewoners in de zin van de Huursubsidiewet erkend en is bij de toekenning van de bijdrage uitgegaan van een eenpersoonshuishouden.

Eiser kan zich met voormeld standpunt van verweerder niet verenigen. Daartoe is in beroep aange-voerd dat het niet juist is dat verweerder zijn huishouden heeft aangemerkt als eenpersoonshuishou-den. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese gemeenschappen van 4 mei 1999, AB 1999/393, volgt dat bij onderscheid op basis van een verblijfstitel sprake is van direct onderscheid op basis van nationaliteit. Dit arrest moet, zo stelt eiser, in zijn geval analoog worden toegepast, omdat er geen zwaarwichtige redenen zijn direct onderscheid op basis van nationaliteit te maken. Het is onvol-doende dat in dit verband enkel wordt verwezen naar het belang van een restrictief vreemdelingen-beleid.

Eiser beroept zich op schending van het in artikel 8 EVRM en artikel 17 IVBPR neergelegde recht op eerbiediging van het privé, familie- en gezinsleven en de woning, het in artikel 14 EVRM in relatie tot artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM neergelegde recht op bescherming van het eigendom, alsmede het in artikel 25 van de Universele verklaring van de rechten van de mens neergelegde recht op een redelijk levensniveau en op sociale voorzieningen.

Voorts wijst eiser erop dat zijn vrouw en haar dochter al ruim een jaar op grond van een verblijfs-vergunning in Nederland hebben verbleven, zodat zij zich onderscheiden van illegale vreemdelingen. Een strikte wetstoepassing leidt tot een onredelijk resultaat, temeer eiser voor zijn vrouw en haar dochter moet zorgen, hetgeen hem nu vrijwel onmogelijk wordt gemaakt.

De rechtbank dient in dit geding te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel. De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

Het wettelijk kader in deze zaak is als volgt.

Artikel 10 van de Huursubsidiewet, zoals dat voor het subsidiejaar 1 juli 1999/1 juli 2000 luidde:

1. Huursubsidie wordt slechts toegekend, als de huurder, alsmede degenen die op de peildatum medebewoner van de woning zijn:

a. de Nederlandse nationaliteit bezitten of op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander worden behandeld, of

b. vreemdeling zijn en:

1°. rechtmatig verblijf houden, of

2°. na rechtmatig verblijf te hebben gehouden, tijdig toelating in aansluiting op dat verblijf hebben aangevraagd, dan wel bezwaar hebben gemaakt of beroep hebben ingesteld tegen de intrekking van de toelating, totdat op die aanvraag, dat bezwaar of dat beroep is beslist.

2. In het geval, bedoeld in het eerste lid, onder b, aanhef en onder 2°, wordt huursubsidie bovendien slechts toegekend, als aan de huurder huursubsidie is of wordt toegekend voor:

a. het subsidietijdvak waarin hij voor het laatst rechtmatig verblijf hield, indien dat tijdvak eindigt op

30 juni 1999 of eerder, dan wel

b. het subsidietijdvak waarin hij en degenen die op de peildatum medebewoner van de woning zijn voor het laatst rechtmatig verblijf hielden, indien dat tijdvak eindigt na 30 juni 1999.

3. Onder rechtmatig verblijf wordt verstaan rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet.

In artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet is bepaald dat vreemdelingen in Nederland slechts rechtmatig verblijf genieten op grond van een besluit tot toelating alsmede op grond van toelating als gemeenschapsonderdaan tenzij deze onderdaan verblijf houdt in strijd met een beperking op grond van een regeling krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.

In hoofdstuk 4A van de Huursubsidiewet, getiteld Bijzondere bijdrage in de huurlasten, is in artikel 26a het volgende bepaald:

1. In dit hoofdstuk en de bepalingen die daarop berusten wordt verstaan onder:

a. actueel inkomen: het gezamenlijk inkomen van de huurder en de medebewoners, dat wordt berekend door het netto inkomen over de eerste kalendermaand van het desbetreffende bijdrage-tijdvak te herrekenen naar een gecorrigeerd verzamelinkomen over het peiljaar;

b. bijzondere bijdrage in de huurlasten: bijzondere bijdrage als bedoeld in artikel 26b;

c. bijdragetijdvak: het tijdvak waarvoor telkens een bijzondere bijdrage in de huurlasten kan worden toegekend.

2. Artikel 3, tweede, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de bepaling van het actueel inkomen.

3. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent de wijze waarop de herrekening plaatsvindt die is bedoeld in het eerste lid, onder a. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ook overigens regels worden gesteld omtrent de bepaling van het actueel inkomen.

4. Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het derde lid, laatste volzin, kun-nen regels worden gesteld omtrent het bij de bepaling van het actueel inkomen in bepaalde gevallen geheel of gedeeltelijk buiten beschouwing laten van medebewoners of inkomensbestanddelen.

Deze in artikel 27, vierde lid, van de Huursubsidiewet bedoelde nadere regels zijn neergelegd in het Besluit vangnetregeling huursubsidie (Stb. 1998, 321).

Voorts is in casu nog van belang de Regeling nadere regels over de wijze van berekening, bedoeld in artikel 26a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Huursubsidiewet.

Ook is van belang de brief van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 12 juli 1999, kenmerk HIS 99179823, betreffende de Koppelingswet en mede-bewonerschap aan het College van Burgemeester en Wethouders. De relevante passages worden hierna aangehaald:

In deze brief informeer ik u nader over de uitvoering van de wijziging van de Huursubsidiewet in verband met de Koppelingswet. Deze wijziging geldt per 1 juli 1999. …

Bij MG 99-13 van 10 juni 1999 (in paragraaf 2.2.1) en in het schrijven “Vragen en antwoorden over huursubsidie d.d. 17 juni 1999 (onder 12) is aangekondigd dat de wijziging van de Huur-subsidiewet op dit punt nader tegen het licht zou worden gehouden.

Reden voor deze heroverweging is dat bij strikte toepassing van de wet per 1 juli 1999 een groter aantal huishoudens huursubsidie zou worden onthouden dan de bedoeling is.

De situatie is thans als volgt.

Indien huurder en medebewoners niet onder de werking van artikel 10 van de Huursubsidie-wet vallen, wordt het huishouden huursubsidie onthouden. De huidige tekst van artikel 10 van de Huursubsidiewet (zoals deze geldt per 1 juli 1999) sluit echter een categorie mede-bewoners uit, die weliswaar niet de status heeft als bedoeld in artikel 1b, onder 1, van de Vreemdelingenwet, maar wel een andere legale status (bijvoorbeeld VVTV-er, asielzoeker). Het gaat om de groepen vreemdelingen, als bedoeld in artikel 1b, onder 2, 3, 4, en 5 van de Vreemdelingenwet. Volgens de Vreemdelingenwet zijn vreemdelingen met een permanente èn een tijdelijke verblijfsstatus rechtmatig in Nederland. De formulering van de Huursubsidie-wet heeft derhalve tot gevolg dat zowel groepen aanvragers met illegaal verblijvende en niet-rechtmatige medebewoners als groepen aanvragers met een rechtmatig in Nederland verblij-vende medebewoner worden uitgesloten van huursubsidie.

Deze consequentie van de Huursubsidiewet is strikter dan door de Koppelingswet is beoogd en daarmee ongewenst.

Ik heb gekozen voor de volgende oplossing van deze ongewenste situatie.

De bedoeling van de Koppelingswet en van de Huursubsidiewet is dat alleen groepen aanvragers met illegaal verblijvende en niet-rechtmatige medebewoners van huursubsidie worden uitgesloten. Zeer binnenkort zal een wetswijziging van de Huursubsidiewet voor het subsidiejaar 1 juli 2000 - 1 juli 2001 in deze trant worden voorbereid.

In afwachting van de wetswijziging dienen aanvragers met een rechtmatig in Nederland ver-blijvende medebewoner zonder permanente verblijfsstatus in het tijdvak dat begint met 1 juli 1999 niet van huursubsidie te worden uitgesloten, uiteraard indien zij ook aan alle overige vereisten voor het verkrijgen van huursubsidie voldoen. Zoals hierboven aangegeven betreft deze gunstige wijziging de groepen vreemdelingen, als bedoeld in artikel 1b, onder 2, 3, 4, en 5 van de Vreemdelingenwet. Het betreft hier voorwaardelijk toegelaten vreemdelingen en asielzoekers in procedure die vanuit opvangcentra bij familie, kennissen en gastgezinnen zijn ondergebracht. Daarnaast zijn er veel aanvragers van huursubsidie die medebewoners in huis hebben die in procedure zijn voor een verblijfsstatus. Te denken valt hier onder meer aan de volgende medebewoners: pleegkinderen, gezinsherenigers en personen die om gezondheids-redenen uitstel van vertrek hebben gekregen.

Deze medebewoners kunnen in het kader van de huursubsidie voor wat betreft het inkomen en het vermogen buiten beschouwing worden gelaten. Daartoe dient (onder verwijzing naar deze brief) op het aanvraagformulier te worden aangegeven dat op het subsidie-adres ook een medebewoner/medebewoners woont/wonen als bedoeld in artikel 1b, onder 2, 3, 4, en 5 van de Vreemdelingenwet. Het huishouden van een aanvrager die de woning alleen bewoont met een medebewoner(s) die valt/vallen onder deze categorie wordt als een eenpersoons-huishouden behandeld.

Dit beleid -dat een voor de ontvangers van huursubsidie begunstigende afwijking van de Huursubsidiewet inhoudt- geldt voor de afhandeling van huursubsidieaanvragen met ingang van 1 juli 1999. …

De rechtbank stelt vast dat door eiser niet is betwist dat een bijdrage van ƒ 79,- per maand in het betreffende jaar, gesteld dat zijn huishouden als eenpersoonshuishouden moet worden aangemerkt, juist is.

Niet in geschil is dat de echtgenote van eiser en haar dochter, die afkomstig zijn uit Letland, op het moment van de aanvraag beiden niet beschikten over een rechtsgeldig besluit tot toelating op grond van de Vreemdelingenwet. Op 6 juli 1999 hebben de echtgenote en de dochter een verblijfsvergun-ning aangevraagd. Eerder beschikten zij over een verblijfsvergunning van 9 februari 1996 tot 9 februa-ri 1997.

Het staat voorts vast dat eiser en zijn echtgenote en haar dochter in de periode in geding niet onder de werking van artikel 10 van de Huursubsidiewet vallen, dat de echtgenote en haar dochter als medebewoners van eiser worden beschouwd en dat beiden op grond van artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vreemdelingenwet rechtmatig in Nederland verblijven.

Naar het oordeel van de rechtbank draait het geschil in essentie om de vraag of verweerder het huishouden van eiser terecht als eenpersoonshuishouden heeft aangemerkt.

Eiser stelt zich op het standpunt dat het niet juist is zijn huishouden als eenpersoonshuishouden aan te merken. Hij beroept zich op analoge toepassing van het arrest Sürül van het Europees Hof van Justitie (EuHvJ, C-262/96, 4 mei 1999, AB 1999, nr. 393) en hij beroept zich op het discriminatie-verbod dat onder meer is neergelegd in artikel 14 EVRM j° artikel 1 Eerste Protocol EVRM, op het recht op ‘family life’ ex artikel 8 EVRM en artikel17 IVBPR, alsmede op artikel 25 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens.

Ten aanzien van artikel 25 Universele Verklaring

De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens is een internationaal juridisch niet bindend document en kan als zodanig in rechte niet worden ingeroepen. Daarnaast blijkt uit geen enkel internationaal document dat het in artikel 25 van deze Universele Verklaring omschreven recht als zodanig een internationaalrechtelijk dwingend karakter (ius cogens) heeft en zelfstandig zou kunnen worden ingeroepen.

Ten aanzien van het arrest Sürül

Het EuHvJ heeft in het arrest Sürül (EuHvJ, 4 mei 1999, C-262/96, AB 1999, nr. 393) in de context van artikel 3 Besluit 3/80 beslist dat bij direct onderscheid naar verblijfsstatus ook een directe discrimi-natie naar nationaliteit vaststaat. Van belang is dat in het recht van de Europese Unie bij indirecte discriminatie naar nationaliteit wel objectieve rechtvaardigingsgronden aangevoerd kunnen worden en bij directe discriminatie niet – dat is gewoon verboden. In de literatuur wordt aangegeven dat het arrest Sürül ook betekenis zou kunnen hebben voor het EVRM en het IVBPR. Er geldt bij deze verdragen echter niet dat bij directe discriminatie geen objectieve rechtvaardigingen mogen worden gegeven. Als het Europees Hof voor de rechten van de Mens (EHRM) de zienswijze van het EuHvJ zou volgen, dan moet er wel sprake zijn van zwaarwichtige redenen om dat directe onderscheid te maken (vgl. Gayguzus EHRM, 16 september 1996, nr. 39/1995/545/631, RSV 1997/234, waar het overigens om een uitkering, waartoe Gayguzus betalingen aan het betreffende fonds had verricht, ging en niet over een subsidie). Het EHRM heeft zich hier echter (nog) niet over uitgelaten.

Nog los van de vraag óf er sprake is van discriminatie naar nationaliteit, ziet de rechtbank geen aanleiding om het Sürül-arrest analoog toe te passen in het onderhavige geval. De feitelijke situatie waarin eiser zich bevindt noch de betrokken regelgeving kennen namelijk (vergelijkbare) Europees-rechtelijke aspecten.

Ten aanzien van artikel 14 EVRM j° artikel 1 Eerste Protocol EVRM

De rechtbank stelt voorop dat een bijdrage als de onderhavige, gelet op de jurisprudentie ter zake van artikel 1 Eerste Protocol, niet als possession in de zin van dit artikel wordt beschouwd. Voor zover eiser heeft gesteld dat dit wel het geval is, verwerpt de rechtbank deze stelling.

Ten aanzien van artikel 8 EVRM en artikel 17 IVBPR

Eiser beroept zich op artikel 8 EVRM en artikel 17 IVBPR en heeft daartoe gesteld, zo begrijpt de rechtbank, dat het hem vrijwel onmogelijk wordt gemaakt voor zijn vrouw en haar dochter te zorgen. Hij kan het als gevolg van de beslissing van verweerder financieel namelijk niet meer opbrengen.

De rechtbank stelt vast dat eiser zijn standpunt dat sprake is van strijd met artikel 8 EVRM en artikel 17 IVBPR enkel heeft geschraagd op de stelling dat hij in financiële zin vrijwel niet meer voor zijn vrouw en haar dochter kan zorgen. Die stelling is echter op geen enkele wijze nader onderbouwd, hetgeen tot gevolg heeft dat de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van dit argument.

Overigens

Eiser heeft tegen het bestreden besluit aangevoerd dat hij het niet eens is met de categorie, namelijk die van het eenpersoonshuishouden, waarin hij is ingedeeld. De rechtbank is van oordeel dat die indeling correct is en overweegt daartoe het volgende.

De essentie van de Koppelingswet (Wet van 26 maart 1998 tot wijziging van de Vreemdelingenwet en enige andere wetten teneinde de aanspraak van vreemdelingen jegens bestuursorganen op verstrek-kingen, voorzieningen, uitkeringen, ontheffingen en vergunningen te koppelen aan het rechtmatig verblijf van de vreemdeling in Nederland, Stb. 1998, 203, in werking getreden op 1 juli 1998) is dat de aanspraak die vreemdelingen kunnen maken op bepaalde voorzieningen, uitkeringen e.d., gekoppeld wordt aan de verblijfsrechtelijke status die zij bezitten. De Koppelingswet beoogt vreemdelingen zonder geldige verblijfstitel uit te sluiten van voorzieningen en uitkeringen die uit de collectieve middelen worden betaald, zodat onder meer de schijn van legaliteit voorkomen wordt. Op grond van jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep van 26 juni 2001 mag de Koppelingswet echter niet worden toegepast op vreemdelingen aan wie reeds voor 1 juli 1998 toestemming was verleend om hun procedure in Nederland af te wachten, en die reeds bijstand of kinderbijslag ontvingen. De door de Koppelingswet bedoeld te voorkomen gevolgen van niet-gelegaliseerd verblijf zijn in die gevallen immers al ingetreden.

De vraag aangaande de gerechtvaardigde doelen en het gerechtvaardigde middel van de Koppelings-wet is door de Centrale Raad van Beroep in positieve zin beantwoord in de bedoelde uitspraken. Er is onder meer overwogen dat de met de Koppelingswet nagestreefde beleidsdoelstellingen in beginsel een rechtvaardigingsgrond opleveren voor een onderscheid naar nationaliteit en voorts dat die wet een geschikt, genuanceerd en proportioneel middel vormt om de beoogde doelstellingen te verwezen-lijken.

De rechtbank is van oordeel dat deze overwegingen, die op grond van artikel 26 IVBPR zijn gewezen, in casu analoog van toepassing zijn, gezien de beperkingsgrond van artikel 1 Eerste Protocol EVRM. Voorts merkt de rechtbank op dat niet is gebleken dat bovenvermelde door de Centrale Raad van Beroep geformuleerde uitzondering in het geval van de echtgenote van eiser en haar dochter van toepassing is.

Uit de brief van 12 juli 1999 van de staatssecretaris van VROM inzake wijziging van de Huursubsidie-wet in verband met de Koppelingswet blijkt dat de consequentie van de Huursubsidiewet – dat aanvra-gers met rechtmatig in Nederland verblijvende medebewoners worden uitgesloten van huursubsidie – strikter is dan door de Koppelingswet is beoogd en daarmee ongewenst is. In afwachting van wetswij-ziging zullen genoemde aanvragers niet van huursubsidie worden uitgesloten, zolang zij ook aan de overige vereisten voor het verkrijgen ervan voldoen. Het huishouden van dergelijke aanvragers wordt behandelt als eenpersoonshuishouden. Het beleid dat in deze brief wordt geformuleerd houdt een begunstigende afwijking in van de Huursubsidiewet.

De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval van schending van enig beginsel of artikel geen sprake is, reeds omdat in het doel van de Koppelingswet in casu voldoende rechtvaardigings-gronden kunnen worden gevonden voor het gemaakte onderscheid naar nationaliteit en verblijfs-status. Dit doel betreft enerzijds het voorkomen dat illegale vreemdelingen feitelijk hun wederrechtelijk verblijf in Nederland kunnen voortzetten doordat zij verstrekkingen en uitkeringen kunnen krijgen zonder dat een verblijfspositietoets wordt aangelegd, en anderzijds het voorkomen dat illegalen en nog niet toegelatenen een schijn van volkomen legaliteit kunnen krijgen. Het huursubsidievangnet houdt aldus een Koppelingswetconform beleid in, waardoor eiser, die op grond van de Huursubsidie-wet geen recht op huursubsidie had, alsnog huursubsidie ontvangt.

Dat het huishouden van eiser door verweerder voor de huursubsidievangnetregeling als eenpersoons-huishouden wordt aangemerkt is naar het oordeel van de rechtbank niet in strijd met het recht.

Op grond van het bepaalde in artikel 8:70 van de Awb wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING.

De rechtbank Maastricht:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. M.C.A.E. van Binnebeke in tegenwoordigheid van mr. A.G.P.M. Zweipfenning

als griffier en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2002 door mr. Van Binnebeke voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. A. Zweipfenning w.g. M.C. van Binnebeke

Voor eensluidend afschrift,

de wnd. griffier,

Verzonden: 22 jul. 02

Voor belanghebbenden en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, postbus 20019, 2500 EA

’s-Gravenhage. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Indien hoger beroep is ingesteld kan ingevolge het bepaalde in artikel 39 van de Wet op de Raad van State juncto artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht de Voorzitter van de Afdeling bestuurs-rechtspraak op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.