Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2002:AE6272

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
29-01-2002
Datum publicatie
07-08-2002
Zaaknummer
AWB 99/909 ZFW Z
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE MAASTRICHT

Reg.nr.: AWB 99/909 ZFW Z

UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in het geding tussen

[eiseres] te [woonplaats], eiseres,

en

Stichting Centrale Zorgverzekeraars Groep Ziekenfonds -Afdeling Juridische Zaken-, gevestigd te Tilburg, verweerder.

Datum bestreden besluit: 27 mei 1999.

Kenmerk: relatienummer : 025750805 16-07-1952.

Behandeling ter zitting: vrijdag 14 december 2001.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 27 mei 1999 heeft verweerder een namens eiseres ingediend bezwaarschrift van 1 mei 1998 tegen een door verweerder genomen besluit van 28 april 1998 waarbij verzoek om vergoeding van in Duitsland gemaakt kosten ter zake van behandeling van een nier- en blaasprobleem, ongegrond verklaard.

Tegen eerstgenoemd besluit is namens eiseres beroep ingesteld op 7 juli 1999 door mr. N.M.I. Peters-Bastiaans, advocaat te Heerlen. Bij brief van 7 september 1999 zijn de gronden waarop het beroep berust ingediend.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op 17 september 1999 ingezonden stukken zijn in kopie aan gemachtigde van eiseres gezonden, evenals het door verweerder ingediende verweerschrift.

De behandeling van de zaak is in afwachting van het arrest van het Europees Hof van Justitie in de zaak C-157/99 uitgesteld. Genoemd Hof heeft op 12 juli 2001 uitspraak gedaan.

Bij brief van 2 augustus 2001 heeft verweerder op het genoemde arrest gereageerd.

Het beroep is behandeld ter zitting van deze rechtbank op 14 december 2001, alwaar eiseres en haar gemachtigde, noch verweerder zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN.

De rechtbank dient in dit geding te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of verweerder terecht heeft besloten de nota die eiseres heeft ingediend ter vergoeding van de hulp die zij van de te Leverkussen gevestigde uroloog dr. G. Radely ontving ten bedrage van DM 817,69 (€ 418,08) niet voor vergoeding in aanmerking te laten komen.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Niet in geding is dat de behandeling die eiseres bij een niet gecontracteerde arts onderging van eenvoudige medische aard is. Evenmin wordt betwist dat voorafgaand aan de behandeling geen toestemming is gevraagd.

Het Europees Hof van Justitie verklaart in zijn arrest (arrest van 12 juli 2001 in zaak C-157/99) voor recht:

“De artikelen 59 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 49 EG) en 60 EG-Verdrag (thans artikel 50 EG) verzetten zich niet tegen een wettelijke regeling van een lidstaat als in de hoofdgedingen aan de orde is, die voor de vergoeding van een in een ziekenhuis in een andere lidstaat verleende zorg als voorwaarde stelt, dat het ziekenfonds waarbij de verzekerde is ingeschreven vooraf toestemming verleent, en die de verlening van die toestemming afhankelijk stelt van twee voorwaarden, in de eerste plaats dat de behandeling als “in de kring der beroepsgenoten gebruikelijk” kan worden aangemerkt, welk criterium eveneens geldt wanneer moet worden bepaald of een behandeling in een ziekenhuis op nationaal grondgebied voor vergoeding in aanmerking komt, en in de tweede plaats dat de behandeling voor geneeskundige verzorging van de verzekerde noodzakelijk is, mits evenwel

- het vereiste van de “gebruikelijkheid” van de behandeling aldus wordt uitgelegd, dat de toestemming niet uit dien hoofde kan worden geweigerd wanneer blijkt dat de betrokken behandeling door de internationale medische wetenschap voldoende is beproefd en deugdelijk is bevonden, en

- de toestemming slechts uit hoofde van het ontbreken van medische noodaak kan worden geweigerd, wanneer bij een instelling waarmee het ziekenfonds van de verzekerde een overeenkomst heeft gesloten, tijdig een identieke of voor de patiënt even doeltreffende behandeling kan worden verkregen.”

De rechtbank is van oordeel dat aangezien de medisch specialistische hulp die door uroloog dr. G. Radely aan eiseres is verleend vergelijkbaar is met medisch specialistische hulp zoals die in Nederland in een ziekenhuis verleend wordt, het bovendgenoemde arrest van het europees Hof van Justitie van toepassing is.

De rechtbank kan zich zonder meer verenigen met het oordeel van verweerder dat de betreffende behandeling van eiseres door de niet gecontracteerde arts dr. G. Radely – dat wil zeggen een identieke of even doeltreffende behandeling – tijdig in Nederland bij een gecontrateerde instelling kon worden verkregen. Een medische noodzaak voor de behandeling door de niet-gecontracteerde zorgverlener ontbrak en de toestemming is daarom in overeenstemming met genoemd arrest terecht geweigerd.

Ook overigens is de rechtbank niet gebleken dat door verweerder is gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel, zodat het beroep van eiser voor ongegrond moet worden gehouden.

Op grond van het bepaalde in art. 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING.

De arrondissementsrechtbank te Maastricht:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. H.J.O. Martens in tegenwoordigheid van mr. E.J.H.G. van Binnebeke als griffier en in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2002 door mr. Martens voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. E. van Binnebeke w.g. Martens

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Verzonden op: 10 januari 2002

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de President van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.