Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2002:AE5849

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
08-07-2002
Datum publicatie
26-07-2002
Zaaknummer
AWB 02/986 WRO VV KLR
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2002/4601

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Reg.nr: AWB 02 / 986 WRO VV KLR

UITSPRAAK van de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen:

Stichting Ondernemend Grasbroek, Musschemig, Schandelen, gevestigd te Heerlen, verzoekster,

en

het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Heerlen, verweerder.

Toepassing van artikel 8:81 van de Awb wordt verzocht ten aanzien van het besluit van verweerder van 26 juni 2002.

Kenmerk: S21295.

Behandeling ter zitting: 5 juli 2002.

I. Procesverloop.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 26 juni 2002 (ook op deze datum bekendgemaakt) heeft verweerder, onder gelijktijdige verlening van een vrijstelling als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), aan de dienst Welzijn, Werkgelegenheid en Sociale Zaken van zijn gemeente een bouwvergunning als bedoeld in artikel 45, eerste lid, onder d, van de Woningwet verleend voor het plaatsen van een tijdelijke kombi-unit accommodatie op het perceel kadastraal bekend gemeente Heerlen, sectie R, nummer 2447, plaatselijk gelegen aan de Kloosterweg 25 te Heerlen. Zowel de vrijstelling als de bouwvergunning zijn verleend voor een periode tot 1 januari 2003.

Tegen dit besluit is namens verzoekster bij schrijven van 2 juli 2002 een bezwaarschrift ingevolge de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediend bij verweerder. Bij schrijven van gelijke datum heeft de gemachtigde van verzoekster zich tevens gewend tot de voorzieningenrechter van deze rechtbank met het verzoek ter zake een voorlopige voorziening, als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb, te treffen.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:83 van de Awb ingezonden stukken zijn in afschrift aan de gemachtigde van verzoekster gezonden. De inhoud van de gedingstukken wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de voorzieningenrechter op 5 juli 2002, alwaar voor verzoekster is verschenen haar gemachtigde mr. F.J.P. Baur, advocaat te Landgraaf, vergezeld van [naam], voorzitter van de stichting.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mw. R. de Wit, wethouder verslavingszorg, mr. P. Vanderheyden, drs. M. Hissel en mw. mr. P. Winkels, allen ambtenaren der gemeente.

II. Overwegingen.

In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voorzover de toetsing aan het in dit artikel neergelegde criterium mee brengt dat een beoordeling van het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend in die procedure.

De voorzieningenrechter ziet geen beletselen verzoekster in haar verzoek ex artikel 8:81 van de Awb te ontvangen. Voorzover ter zitting van de zijde van verweerder is gesteld dat verzoekster ter zake van het thans in geding zijnde besluit niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb is aan te merken, overweegt de voorzieningenrechter dat niet valt uit te sluiten dat de effecten van (het gebruik van) het litigieuze bouwwerk (ook) in de zogenaamde GMS-buurt merkbaar zullen zijn, weshalve verzoekster, gelet op haar statutaire doelstelling, als belanghebbende kan worden aangemerkt.

Gelet alleen al op de omstandigheid dat de vergunninghouder voornemens is op korte termijn een aanvang met de bouwwerkzaamheden te (doen) maken, acht de voorzieningenrechter voorts de onverwijlde spoed in genoegzame mate aangetoond.

Tot het treffen van een voorlopige voorziening zal in het algemeen slechts aanleiding bestaan indien op grond van de beschikbare gegevens moet worden geoordeeld dat zonder die voorziening het voor verzoekster uit het bestreden besluit voortkomend nadeel onevenredig is in verhouding tot het met dat besluit te dienen belang. Nu de voorzieningenrechter aan de zijde van verzoekster een spoedeisend belang aanwezig acht en derhalve niet reeds op voorhand kan worden geconcludeerd dat zij zonder enig nadeel de beslissing op bezwaar kan afwachten, is het antwoord op de vraag of sprake is van enig nadeel dat behoort te worden voorkomen door het treffen van een voorlopige voorziening in belangrijke mate mede afhankelijk van een voorlopig oordeel omtrent de vraag of het bestreden besluit als zodanig in een eventuele hoofdzaak zal kunnen worden gehandhaafd.

Dienaangaande wordt overwogen als volgt.

Door middel van een aanvraagformulier bouwvergunning, gedateerd op 23 mei 2002 en blijkbaar ook op deze datum door verweerder ontvangen, heeft (de projectleider van) de Dienst W.W.S. van de gemeente Heerlen verweerder verzocht een bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van een tijdelijke kombi-unit accommodatie op het perceel kadastraal bekend gemeente Heerlen, sectie R, nummer 2447, plaatselijk gelegen aan de Kloosterweg 25 te Heerlen, teneinde ter plaatse tot 1 januari 2003 noodopvang te bieden aan verslaafden (nachtopvang).

Niet in geding is dat het bouwplan is strijd is met het ter plaatse vigerende bestemmingsplan "Zeswegen O.N. I", hetgeen impliceert dat de voor de uitvoering van het bouwplan vereiste bouwvergunning slechts kan worden verleend nadat een vrijstelling als bedoeld in de artikelen 15, 17 of 19 van de WRO is verleend. In het onderhavige geval heeft verweerder, gelet op artikel 46, derde lid, van de Woningwet, de aanvraag om een bouwvergunning tevens aangemerkt als een verzoek om vrijstelling ex artikel 17 van de WRO.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WRO, voorzover in dezen van belang, kunnen burgemeester en wethouders met het oog op een voor een bepaalde termijn voorgenomen afwijking van een bestemmingsplan voor die termijn vrijstelling verlenen van dat plan. De termijn kan, ook na mogelijke verlenging, ten hoogste vijf jaren belopen. In aansluiting hierop is in artikel 19 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (Bro 1985) bepaald dat een vrijstelling als bedoeld in artikel 17 van de WRO slechts wordt verleend, indien aannemelijk is, dat het beoogde bouwwerk, werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheid dan wel gebruik niet langer dan vijf jaren in stand zal blijven respectievelijk voortduren.

Uit de tekst van artikel 17, eerste lid, van de WRO en de toelichting daarop blijkt dat de daarin gegeven vrijstellingsmogelijkheid -welke het mogelijk maakt om zonder tussenkomst van gedeputeerde staten van een geldend bestemmingsplan af te wijken- slechts kan worden gebruikt in gevallen waarin het gaat om een duidelijk als tijdelijk bedoelde afwijking van dat bestemmingsplan. De voorwaarde dat de voorgenomen afwijking een duidelijk tijdelijk karakter dient te hebben is bij de totstandkoming van artikel 17 van de WRO nog eens onderstreept, zulks onder meer met de opmerking dat voorkomen moet worden dat dit karakter inhoudsloos wordt en dat deze vrijstellings-mogelijkheid in de praktijk onder het mom van tijdelijkheid gehanteerd zal worden om op eenvoudige wijze onder de beperkingen van het geldende plan uit te komen. Gelet hierop is de voorzieningen-rechter van oordeel dat, teneinde overeenkomstig het bepaalde in artikel 19 van het Bro 1985 te kunnen aannemen dat het gebruik niet langer dan vijf jaar zal duren, concrete, objectieve gegevens voorhanden moeten zijn die daarvoor aanknopingspunten bieden.

Onbestreden is dat er in Heerlen een grote behoefte bestaat aan een opvangvoorziening voor verslaafden als thans in geding, mede gelet op de overlast die deze thans (ook) 's nachts op straat veroorzaken. Dit impliceert dat ook na 31 december 2002 de behoefte aan een dergelijke opvangvoorziening voor verslaafden zal blijven bestaan. Van de zijde van verweerder is evenwel ter zitting terecht opgemerkt dat deze structurele behoefte aan opvangvoorzieningen onverlet laat dat thans (slechts) de tijdelijkheid van de litigieuze opvangvoorziening op de locatie aan de Kloosterweg in geding is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is in dat kader door verweerder in afdoende mate aangetoond dat de afwijking van het bestemmingsplan een (zeer) tijdelijk karakter heeft. Zowel de instandhouding van het op te richten bouwwerk, als het voorziene, van het bestemmingsplan afwijkende gebruik hiervan is afgestemd op, althans hangt samen met de instandhouding en het gebruik van de ter plaatse reeds bestaande dagopvangvoorziening voor verslaafden, welke per 1 januari 2003 zal worden gesloten. Dat (ook) de nachtopvang ter plaatse alsdan daadwerkelijk zal worden beƫindigd kan -onder meer- worden afgeleid uit de huurovereenkomst die met de leverancier van de te plaatsen units is gesloten, de opdrachtverstrekking aan de beoogde exploitant van de nachtopvang (het Leger des Heils) en de ter zake opgestelde startnotitie waarin de doelgroep, de uitgangspunten en de werkwijze van de opvangvoorziening zijn beschreven. De voorzieningenrechter acht op basis van deze stukken voldoende concrete en objectieve criteria aanwezig die garanderen dat de in het bestreden besluit vastgelegde termijn niet zal worden overschreden.

Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat in hetgeen van de zijde van verzoekster is aangevoerd geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening kan worden gevonden, waarbij nog wordt overwogen dat niet is gebleken dat er gebreken kleven aan de totstandkoming van het bestreden besluit. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat het bestreden besluit in de (eventuele) hoofdzaak zou dienen te worden vernietigd. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat het vooralsnog onwaarschijnlijk is te achten dat dit besluit in de (eventuele) hoofdzaak de rechterlijke toets niet zal kunnen doorstaan. Derhalve is er, gegeven de belangen van partijen, geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening; het daartoe strekkende verzoek dient dan ook te worden afgewezen.

Mitsdien wordt beslist als aangegeven in rubriek III.

III. Beslissing.

De voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. J.N.F. Sleddens in tegenwoordigheid van mr. R.M.M. Kleijkers als griffier en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2002 door mr. Sleddens voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. R. Kleijkers w.g. J. Sleddens

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 26 juli 2002.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.