Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2002:AE5642

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
10-07-2002
Datum publicatie
23-07-2002
Zaaknummer
75257 / JE RK 02-592
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2003, 36
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Maastricht, Kinderrechter.

VERLENGING MACHTIGING TOT UITHUISPLAATSING

zaaknr.: 75257 / JE RK 02-592

zaaknr.: 75261 / JE RK 02-594

zaaknr.: 75259 / JE RK 02-593

Datum uitspraak: 10 juli 2002

BESCHIKKING

van de Kinderrechter in bovenvermelde Rechtbank, gegeven in de zaak met betrekking tot de ondertoezichtstaande minderjarige:

[S.] [X.], geboren te [H.] op 9 januari 19[XX],

[R.] [X.], geboren te [H.] op 24 februari 19[XY],

[D.] [X.], geboren te [H.] op 20 oktober 19[YZ]

kinderen van:

[M.] [X.],

en

[G.M.],

wonende te 6431 XT [H.], [W-straat]

1. Het verloop van de procedure:

In het belang van de verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarige heeft de Kinderrechter bij beschikking van 20 maart 2002 machtiging verleend tot plaatsing van voornoemde minderjarige in een voorziening voor verzorging en opvoeding met ingang van 19 maart 2002 tot en met 6 juli 2002.

De Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg heeft op 31 mei 2002 verzocht een machtiging tot verlenging van de termijn van de uithuisplaatsing te verlenen in het belang van de verzorging en de opvoeding voor voornoemde minderjarige.

Daarbij is overgelegd het hulpverleningsplan en een verslag van het verloop van de ondertoezicht-stelling.

Op 4 juli 2002 heeft de Kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

De Kinderrechter heeft bij beschikking van 10 juli 2002 de ondertoezichtstelling met ingang van 6 juli 2002 verlengd voor de tijd van een jaar.

2. Beoordeling:

Op grond van de verkregen informatie van de zijde van de gezinsvoogdij-instelling is de Kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de termijn van machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen, niet tegenstaande het feit dat de gezinsvoogdij-instelling haar bevoegdheid tot het geven van een schriftelijke aanwijzing aan de moeder respectievelijk de beide oudste kinderen tot medewerking aan verblijf en behandeling door de Stichting Gastenhof niet heeft gebruikt en de kinderen thans ten huize van de moeder verblijven.

De kinderrechter overweegt daaromtrent:

1. De kinderen [X.] hebben alle drie reeds lang een ondertoezichtstelling, nader OTS te noemen, en zijn met een machtiging van de kinderrechter door de gezinsvoogdij-instelling in de Stichting Gastenhof geplaatst omdat zij als licht verstandelijk gehandicapten alleen dáár geplaatst konden worden. De Stichting heeft in de regio immers een monopoliepositie en verblijf thuis is niet verantwoord.

2. De moeder heeft het oudste kind na moederdag eigenmachtig uit Gastenhof thuis gehouden en heeft niet ingestemd met de verdere behandeling van de beide jongste kinderen.

De gezinsvoogd heeft ter zitting meegedeeld dat Gastenhof met een beroep op de AWBZ de kinderen heeft laten gaan, casu quo niet heeft laten terugbrengen.

3. De kinderrechter constateert dat het beroep op de ABWZ c.q. de gezondheidswetgeving van de Stichting Gastenhof onterecht is.

4. De Stichting veronachtzaamt aldus een plaatsingsbeschikking van de gezinsvoogdij-instelling gebaseerd op een door de kinderrechter daartoe verstrekte machtiging tot uithuisplaatsing ex artikel 262 van boek een van het Burgerliijk Wetboek;

5. Ware de redenatie van de Stichting Gastenhof juist dan zou daarmee, voor deze kinderen - en voor andere minderjarigen die zich in een vergelijkbare positie bevinden - elke grond, ook de wettelijke, aan gedwongen opvoedingssteun van de ondertoezichtstelling en de daarbij behorende behan-delingen komen te ontvallen indien de met gezag beklede ouder c.q. de minderjarige van 12 jaar of ouder niet (meer) met internaatsverblijf zou instemmen.

Dit zou deze, bij uitstek moeilijk tot het objectief beoordelen van de eigen belangen in staat te achten, groep minderjarigen - en vaak ook hun ouders - van de bescherming beroven die de Nederlandse wetgeving in het Burgerlijk Wetboek boek 1 de artikelen 254 e.v., maar meer nog het Verdrag voor de Rechten van het Kind in met name artikel 23 biedt.

Bovendien geldt in casu de zeer vergaande dwingende strekking en plicht -ook voor de Stichting-

van artikel 3 van genoemd verdrag terzake waarvan op geen enkele wijze gebleken is dat de Stichting daaraan heeft voldaan.

Tenslotte zou het aan de kinderrechter conform de wettelijke regels verzoeken van een machtiging tot uithuisplaatsing in een AWBZ internaat een volstrekt zinloze tournure zijn. Dit kan nimmer de bedoeling van de wetgever zijn geweest.

De al genoemde monopoliepositie van de Stichting voor opname en behandeling van licht verstandelijk gehandicapten in de regio heeft speelt in déze zaak bovendien een belangrijke rol.

6. In een casus als de onderhavige geldt naar het oordeel van de kinderrechter het navolgende:

6.1 een rechterlijke beslissing tot OTS beperkt het ouderlijk gezag ter afwending van de bedreiging(en) van de belangen van betrokken kind;

6.2 dit omvat zeker de beslissingen met betrekking tot de voor kinderen noodzakelijke behandelingen en de plek waar zij die kunnen/moeten ondergaan;

6.3 derden, die van het bestaan van een OTS bij een minderjarige over wie zij een beslissing moeten nemen op de hoogte zijn, behoren met de voornoemde beperking van het ouderlijk gezag rekening te houden, zeker indien deze derden professionals zijn, zoals de Stichting Gastenhof;

6.4 de hiervoor genoemde beslissingen behoren door die derden dus genomen te worden -ook gelet op de voor hen geldende dwingende plicht tot het naleven van hetgeen is voorgeschre-ven in het verdrag voor de Rechten van het Kind artikel 3 eerste lid- met respectering van de rechterlijke beslissing tot ouderlijke gezagsbeperking als bedoeld sub 6.1;

6.5 deze rechterlijke beslissing beperkt voorts het beslissingsrecht van de minderjarige zélf;

6.6 dus zal de derde-professional die bij zijn beslissingen ook moeten nemen rekening houdend met deze laatste beslissingsbevoegdheidsbeperking;

6.7 dit "rekening houden" kan moeilijk anders dan door aan de beslissingen van de gezinsvoogd grote zwaarte toe te kennen en bij het niet navolgen daarvan zó te beslissen dat er ruimte ontstaat voor een beroep op de bevoegde rechter;

Dat noch de A.W.B.Z., noch het Burgerlijk Wetboek, een en ander expliciet vermelden, doet niet af aan het hiervoor overwogene. Kennelijk is de voorgaande redenatie voor de wetgever volstrekt vanzelfsprekend geweest.

De kinderrechter is voorts van oordeel dat Hij, zowel ten aanzien van de gezinsvoogdij-instelling als van de Stichting Gastenhof, nadrukkelijk moet vaststellen dat beide belang-hebbende zijn in de zin van artikel 798 eerste lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Dit laatste heeft tot gevolg dat beide instanties de bevoegdheid hebben tegen deze beschikking hoger beroep aan te tekenen als vermeld in fine van de tekst van deze beschikking.

In verband hiermee draagt de kinderrechter de griffier dan ook op de gezinsvoogdij-instelling en de Stichting Gastenhof per ommegaande van de inhoud van deze beschikking op de hoogte te stellen.

Aan deze plaatsing zijn kosten verbonden, in welke kosten de ouders dienen bij te dragen, konform het Besluit Justitiële Kinderbescherming en Vrijwillige Jeugdhulpverlening, tenzij op een andere wijze in de kosten wordt voorzien.

3. Beslissing:

Verlengt de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing van voornoemde minderjarige in een voorziening voor verzorging en opvoeding met ingang van 6 juli 2002 voor de tijd van een jaar.

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.T.M. Bröcker, Kinderrechter, en in het openbaar op 10 juli 2002 uitgesproken in tegenwoordigheid van E.H.C.M. Franssen-Peeters als Griffier.

hb

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een procureur (advocaat) - hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de Griffier) is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.