Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2002:AE4944

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
28-06-2002
Datum publicatie
05-07-2002
Zaaknummer
75260
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK TE MAASTRICHT

Zaaknummer: 75260 / KG ZA 02-199

Datum uitspraak: 28 juni 2002

VONNIS IN HET KORT GEDING VAN:

1. De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres sub 1],

gevestigd en kantoor houdende te Roermond,

2. [eiser sub 2],

wonende te Roermond,

eisers bij exploot van dagvaarding in kort geding d.d. 28 mei 2002,

procureur: mr. P.P.M.I. Paulussen,

advocaat: mr. H.J.J.M. van der Bruggen, kantoor houdende te Roermond,

tegen:

1. De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 1],

gevestigd en kantoor houdende te Maastricht,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te Grathem, gemeente Heythuysen,

3. [gedaagde sub 3],

wonende te Roermond,

gedaagden,

procureur: mr. J.L.J.E. Koster

1. Het verloop van de procedure

1.1 Eisers (waar afzonderlijk bedoeld te noemen [eiseres sub 1] en [eiser sub 2]) hebben gedaagden (waar afzonderlijk bedoeld aangeduid als [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3]) gedagvaard in kort geding.

1.2 Ten dienende dage (17 juni 2002) hebben eisers gesteld en gevorderd overeenkomstig de -aan een wijziging van eis aangepaste- inhoud van de dagvaarding. Ter zitting hebben zij hun vordering, onder verwijzing naar op voorhand ingezonden producties, aan de hand van pleitaantekeningen nader doen toelichten.

1.3 Gedaagden, die ook producties hebben ingezonden, hebben aan de hand van pleitaantekeningen verweer doen voeren. Ter zitting hebben zij nog een productie overgelegd.

1.4 Partijen hebben daarop op elkaars stellingen gereageerd.

1.5 Ten slotte hebben zij om vonnis verzocht. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1 De privaatrechtelijke rechtspersoon [eiseres sub 1] is opgericht op 16 maart 1998. [Eiseres sub 1], wier aandeelhouders voornamelijk in Midden-Limburg gelegen gemeenten zijn, is een ontwikkelingsmaatschappij die zich -zeer kort gezegd- ten doel stelt het stimuleren van economische activiteit in met name het voormelde gebied. [Eiseres sub 1] wordt gefinancierd uit publieke middelen. Het verwerven en vervreemden van registergoederen maakt van haar bezigheden deel uit.

2.2 [Eiser sub 2] is sedert de oprichting directeur van [eiseres sub 1].

2.3 [Gedaagde sub 1] geeft het gelijknamige dagblad uit dat in de provincie Limburg in een oplage van ongeveer 170.000 exemplaren verschijnt.

2.4 [Gedaagde sub 2] is bestuurder van [gedaagde sub 1] en hoofdredacteur van het dagblad.

2.5 [Gedaagde sub 3] is als journalist bij [gedaagde sub 1] in dienst.

2.6 Op 10 april 2002 heeft er voor de bestuursrechter te Roermond een openbare mondelinge behandeling plaatsgevonden van een door een zekere mevrouw [betrokkene A] te Ittervoort ingesteld beroep tegen een haar door [eiseres sub 1] in november 2001 verleend strafontslag (zij was als "financieel controller" bij [eiseres sub 1] in dienst).

2.7 Tijdens die behandeling heeft [betrokkene A] een groot aantal aantijgingen aan het adres van directeur [eiser sub 2], die eerder de aanleiding hadden gevormd voor haar ontslag, herhaald. Een van deze aantijgingen behelsde de (in [betrokkene A]'s optiek: dubieuze) gang van zaken bij de aankoop door [eiseres sub 1] van een voormalig fabrieksgebouw met terrein en daarop gelegen woning te Posterholt in 1998.

2.8 [Gedaagde sub 3] is bij de behandeling op 10 april 2002 als journalist aanwezig geweest.

2.9 [Betrokkene A] heeft haar ontslagdossier aan [gedaagde sub 3] ter beschikking gesteld.

2.10 Vanaf 11 april 2002 tot eind mei is van de hand van [gedaagde sub 3] in Dagblad [gedaagde sub 1] een elftal artikelen, [eiseres sub 1] betreffende, verschenen.

2.11 Van deze reeks maakt deel uit een artikel getiteld "Aankoop loods heeft [eiseres sub 1] veel problemen bezorgd", dat op 27 april 2002 op pagina 3 van de editie Roermond en Midden-Limburg is geplaatst. Om dat artikel, dat handelt over de gang van zaken bij de aankoop van het voormalig fabrieksterrein te Posterholt en dat zich voor een belangrijk deel baseert op informatie van [betrokkene A] en een andere ontslagen controller, [betrokkene B], gaat het in deze zaak. De tekst van het artikel is hieronder integraal afgedrukt.

"AANKOOP LOODS HEEFT [eiseres sub 1] VEEL PROBLEMEN BEZORGD

De Midden-Limburgse industriebank [eiseres sub 1] kocht in 1998 een voormalige textielfabriek in Posterholt. Een vreemd besluit, vinden de voormalige controllers van [eiseres sub 1] [betrokkene A] en [betrokkene B].

Door [gedaagde sub 3]

ROERMOND. Waarom kocht [eiseres sub 1]-directeur [eiser sub 2] in 1998 een oude fabriek buiten het werkgebied van de industriebank? En waarom moest de verkoop van die fabriek een jaar later plotseling met grote spoed geannuleerd worden, nadat een directeur van het kopende bedrijf was vermoord? Het zijn vragen die [betrokkene A] en [betrokkene B] nog altijd bezighouden.

De kwestie kwam onlangs aan het licht tijdens een rechtszaak die [betrokkene A] tegen [eiseres sub 1] had aangespannen. De Ittervoortse diende vijftig klachten over [eiser sub 2] in. Die zou regels binnen [eiseres sub 1] met voeten treden door op eigen houtje beslissingen te nemen. In het dossier over de zaak haalt [betrokkene A] de textielfabriek aan de Heinsbergerweg in Posterholt aan als voorbeeld.

Het verhaal over de fabriek begint op 10 september 1998. Uit stukken van [eiseres sub 1] blijkt dat de raad van commissarissen aan [eiser sub 2] en commissaris [betrokkene D] vraagt om naar de fabriek te gaan kijken. [Betrokkene D] kan zich dat nog goed herinneren. "De gemeente Ambt Montfort stond op het punt lid te worden van [eiseres sub 1]. Het fabrieksterrein zou de bestemming wonen en werken krijgen. Dat gaf voor ons de doorslag om het pand te kopen." De fabriek is dan nog eigendom van het Engelse bedrijf [betrokkene J]. Volgens, eigenaar [betrokkene G] en zijn toenmalige Nederlandse directeur [betrokkene H] staat het pand al maanden te koop. Maar in plaats van [eiseres sub 1] meldt zich eind oktober, anderhalve maand nadat [eiser sub 2] en [betrokkene D] op pad zijn gestuurd, de Echter zakenman [betrokkene C]. Die koopt de loods op 12 november voor 735.000 gulden. Van een ander koopt hij voor twee ton het ernaast gelegen huis. Twee weken later verkoopt hij het geheel met 365.000 gulden winst, voor 1,3 miljoen gulden, door aan [eiseres sub 1]. De koopakte wordt namens [eiseres sub 1] ondertekend door [eiser sub 2].

Waarom koopt [eiseres sub 1] het pand via [betrokkene C]? In de koopakte staat dat de koop eind 1996, twee jaar voor de oprichting van [eiseres sub 1], al onderhands is gesloten. [Betrokkene G] en [betrokkene H] reageren daar desgevraagd verbaasd op. Ze zeggen niets van zo'n overeenkomst te weten. "Er zijn destijds veel makelaars en aannemers komen kijken", herinnert [betrokkene H] zich. "Geen van hen bracht een bod hoger dan vijf ton uit. [Betrokkene C] had ik nog nooit eerder gezien toen hij zich als koper meldde en de naam [eiseres sub 1] heb ik maanden later pas voor het eerst gehoord."

[Betrokkene H] herinnert zich dat ook iemand van makelaarskantoor [betrokkene D] uit Echt naar de loods heeft gekeken. Oud-commissaris [betrokkene D], die bij dat kantoor werkt, ontkent dat hij dat is geweest. "Misschien was het mijn broer. Ik weet er niks van. Ik ken dat bedrijf [betrokkene G] niet. Wij hebben vanuit [eiseres sub 1] alleen gesproken met [betrokkene C]. Dat [eiseres sub 1] zich 365.000 gulden had kunnen besparen door rechtstreeks contact te zoeken met [betrokkene G] vind ik een conclusie van niks. In de makelaardij wordt wel vaker verdiend aan een transactie." [Betrokkene D] zegt niets te weten over de onderhandse overeenkomst uit 1996, waar in de koopakte naar wordt verwezen. "Die bestaat niet. Dat is gewoon onmogelijk." [Betrokkene C] zegt daar ook niets van te weten.

Uit een brief van [eiser sub 2], gedateerd op 6 november 1998, blijkt dat [eiseres sub 1] al voor de koop van de textielfabriek met achtbaanbouwer [betrokkene K] uit Vlodrop onderhandelt over de bouw van een testbaan op het fabrieksterrein. Maar [betrokkene K] haakt begin 1999 af. Er gaat nog meer mis. De grond rond de loods blijkt volgens de gemeente Ambt Montfort zwaar vervuild. De raad van Ambt Montfort stelt het besluit over deelname aan [eiseres sub 1] uit. En er zijn problemen met het bestemmingsplan. Dat moet aangepast worden om de combinatie wonen-werken mogelijk te maken. [Eiseres sub 1] zit met een zwaar vervuild terrein in de maag dat buiten haar werkgebied ligt en zeer moeilijk te verkopen blijkt te zijn. Toch meldt zich eind 1999 een nieuwe kandidaat-koper: [betrokkene L] uit Maarheeze, een maatschap van de Roermondse projectontwikkelaar [betrokkene M] en [betrokkene F] uit Geldrop. [Betrokkene L] biedt 1,75 miljoen gulden. Het bedrijf wil het terrein saneren, de textielfabriek slopen en een woon-werkcomplex bouwen. Het bestemmingsplan is echter nog altijd niet gewijzigd. [Eiser sub 2] belooft [betrokkene L] in een brief van december 1999 de gemeente Ambt Montfort te verzoeken "de voor rekening en risico van [betrokkene L] komende procedures in gang te zetten."

Maar eind maart 2000 wordt [betrokkene F] vermoord. Later wordt hij in de media afgeschilderd als een drugsbaron en een topcrimineel. Volgens voormalig controller [betrokkene A] belt projectontwikkelaar [betrokkene M] meteen na de dood van [betrokkene F] naar [eiseres sub 1] met de mededeling dat hij onmiddellijk van de koop af wil. Flink geschrokken van de moord laat [betrokkene M] de maatschap met [betrokkene L] ontbinden, zo bevestigt hij nu. Verder wil hij niets over de zaak kwijt. [Eiser sub 2] bericht de directie van [betrokkene L] op 4 april dat de overeenkomst is ontbonden, omdat de datum waarop de fabriek geleverd had moeten worden, is verlopen.

Waarom [eiser sub 2] die brief schrijft, is voor [betrokkene A] en [betrokkene B] een raadsel, zo blijkt uit dossierstukken. Het gevolg is dat [eiseres sub 1] opnieuw zit opgezadeld met een fabriek waar de industriebank vooralsnog niets mee kan. Advocaat M. Schoonhoven van [eiseres sub 1] interpreteert de opmerkingen van het duo als een "suggestie dat [eiser sub 2] betrokken is geweest bij moord". In zijn ogen een "vileine" poging om de directeur in diskrediet te brengen.

[Eiser sub 2] wil voordat de rechter uitspraak heeft gedaan niet op vragen ingaan. Volgens persofficier G. Bos van het parket in Den Bosch is de naam [betrokkene L] niet opgedoken in het onderzoek naar de moord op [betrokkene F]. Een onderzoek overigens dat muurvast zit."

2.12 Eisers achten deze publicatie jegens hen onrechtmatig. Zij voeren daartoe aan dat het artikel ernstige beschuldigingen aan hun adres bevat, die niet gestaafd worden. Gedaagden maken zich in hun ogen schuldig aan onjuiste berichtgeving, deels opzettelijk voor een deel voortkomend uit onvoldoende bronnenonderzoek. Ook hadden zij terughoudender moeten zijn nu zij kennelijk putten uit het dossier van de ontslagen [betrokkene A] en ook genoemde [betrokkene B] bron is geweest. Bovendien is alvorens tot publicatie over te gaan het beginsel van hoor en wederhoor niet in acht genomen. Eisers stellen door het plaatsen van het artikel in hun eer en goede naam te zijn aangetast.

2.13 Op 14 mei 2002 hebben gedaagden het gewraakte artikel op een onderdeel gerectificeerd. Die rectificatie is naar het oordeel van eisers evenwel deels onjuist en bovendien onbegrijpelijk. Het publiceren van de rectificatie achten zij om die reden eveneens onrechtmatig.

2.14 Na daartoe vruchteloos te hebben gesommeerd hebben eisers, na wijziging van hun eis, gevorderd bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad en op alle dagen en uren gedaagden hoofdelijk te veroordelen:

I. tot het onmiddellijk staken van iedere publicatie op basis van de door gedaagden onrechtmatig verkregen interne documentatie van [eiseres sub 1], althans tot het onjuist citeren, anders dan letterlijk en volledig, uit deze onrechtmatig verkregen documentatie, zijnde alle documentatie door gedaagden verkregen van de gewezen werkneemster van [eiseres sub 1], mevrouw [betrokkene A];

II. om in de provinciale editie van Dagblad [gedaagde sub 1] van de zaterdag volgende op de uitspraak in deze de navolgende rectificatie te plaatsen op de voorpagina, althans op pagina 3, de pagina met het regionieuws voor Roermond en Midden-Limburg, van gelijke opmaak als het gewraakte artikel, met als koptitel:

"RECTIFICATIE WEGENS ONRECHTMATIGE PUBLICATIE VAN DAGBLAD DE LIMBURGER JEGENS [eiseres sub 1]",

waarbij het artikel op dezelfde plaats op de voorpagina, althans pagina 3 van de editie wordt geplaatst als het gewraakte artikel van 27 april 2002, met de volgende inhoud:

"RECTIFICATIE WEGENS ONRECHTMATIGE PUBLICATIE VAN DAGBLAD DE LIMBURGER JEGENS [eiseres sub 1]

De voorzieningenrechter van de rechtbank te Maastricht heeft bij kort geding vonnis d.d... mei 2002 ons veroordeeld de navolgende rectificatie te plaatsen naar aanleiding van een eerdere onrechtmatige publicatie van onze hand.

In onze editie van 27 april 2002 hebben wij op pagina 3 een publicatie geplaatst van de hand van [gedaagde sub 3]. Deze publicatie handelt over de aankoop door de besloten vennootschap [eiseres sub 1] te Roermond van een fabrieksgebouw met industrieterrein en een woning aan de Heinsbergerweg te Posterholt. Wij hebben in die publicatie bericht over een vergadering van de Raad van Commissarissen van [eiseres sub 1] van 10 september 1998 waarin besloten zou zijn tot aankoop. In die vergadering is echter in het geheel niet over aankoop van bedoeld fabrieksgebouw met industrieterrein en een woning gesproken. Ook hebben wij bericht over een opdracht die door de Raad van Commissarissen van [eiseres sub 1] verstrekt zou zijn aan de directeur [eiser sub 2] en de toenmalige commissaris [betrokkene D] van [eiseres sub 1] om naar de fabriek te gaan kijken. Een dergelijke opdracht is nimmer verstrekt, niet op 10 september 1998 en evenmin op enige datum nadien. Wij hebben ook nagelaten om bij het ons bekende aanspreekpunt binnen de directie van [eiseres sub 1] informatie te vragen over een onduidelijkheid die was opgenomen in de transportakte van 30 november 1998. Die onduidelijkheid had betrekking op een verschrijving waarbij het moment van aankoop ten onrechte in 1996 was geplaatst terwijl dit 4 november 1998 diende te zijn. Met dit tijdsverschil hebben wij ten onrechte de indruk gewekt dat een verkooptransactie heeft plaatsgevonden tegen een prijs die na een akkoord over de transactie nog eens met NLG 365.000,- ten nadele van [eiseres sub 1] is verhoogd.

Hoewel ons uit accountantsonderzoek bekend was dat bij genoemd fabrieksgebouw geen sprake was van zodanig zwaar vervuilde grond dat dit voor [eiseres sub 1] een onoverkomelijk probleem zou zijn, hebben wij ten onrechte gewag gemaakt van een bodemvervuiling en van problemen die [eiseres sub 1] dientengevolge zou hebben ondervonden. Voorts hebben wij in de gewraakte publicatie ten onrechte een link gelegd tussen de mogelijke verkoop aan een potentiële koper van [eiseres sub 1] en de moord op een persoon, betrokken bij die potentiële koper.

Op 14 mei 2002 hebben wij een niet door [eiseres sub 1] en de heer [eiser sub 2] goedgekeurde rectificatie in de rubriek "rechtgezet" geplaatst. Ook in de rectificatie hebben wij onjuiste informatie verstrekt. Wederom hebben wij daarbij in strijd met de waarheid beweerd dat de heren [eiser sub 2], directeur van [eiseres sub 1], en de heer [betrokkene D], destijds commissaris van [eiseres sub 1], -door ons aangeduid als "het duo"- op enig moment de opdracht zouden hebben gekregen van de Raad van Commissarissen van [eiseres sub 1] om naar de voormalige textielfabriek in Posterholt te gaan kijken. Een dergelijke opdracht is nimmer verstrekt.

Wij betreuren de door ons geplaatste publicatie op 27 april 2002 en de onjuiste rectificatie van 14 mei 2002. De voorzieningenrechter van de rechtbank te Maastricht heeft in het genoemde vonnis een verbod van herhaling van deze publicatie uitgesproken en aan de veroordelingen in deze een dwangsom van € 10.000,- verbonden. Bij dit vonnis werden wij tevens in de kosten van het geding veroordeeld.

Directie Dagblad [gedaagde sub 1]

Hoofdredacteur Dagblad [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2]

[gedaagde sub 3]"

althans zodanige rectificatie als de voorzieningenrechter in goede justitie in deze zaak zal vermenen te behoren in een door de voorzienigenrechter aan te wijzen editie van Dagblad [gedaagde sub 1];

III. tot betaling van een dwangsom van € 10.000,- per dag, te rekenen vanaf de dag van de uitspraak, althans vanaf de betekening van het vonnis voor iedere dag dat gedaagden, althans een van hen, in gebreke is of zal zijn en/of zal blijven aan de uit te spreken veroordeling te voldoen;

IV. tot betaling van de proceskosten in deze.

2.15 Gedaagden hebben gemotiveerd verweer gevoerd.

3. De beoordeling

3.1 De gevraagde voorzieningen brengen naar hun aard reeds een spoedeisend belang mee. Van eisers kan niet gevergd worden de uitkomst van een bodemprocedure te moeten afwachten. De voorzieningen zouden tegen die tijd hun werking grotendeels missen.

3.2 Het is sedert geruime tijd vaste rechtspraak dat wanneer de rechtmatigheid beoordeeld moet worden van een perspublicatie die misstanden aan de kaak wil stellen -naar (vooralsnog veronderstellenderwijs) wordt aangenomen is dàt door gedaagden beoogd- in beginsel twee tegenover elkaar staande maatschappelijke belangen moeten worden afgewogen:

"aan de ene kant het belang dat individuele burgers niet door publikaties in de pers worden blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen; aan de andere kant het belang dat niet, door gebrek aan bekendheid bij het grote publiek, misstanden die de samenleving raken kunnen blijven voortbestaan …"

(citaat verkort weergegeven, HR NJ 1984, 801).

Welk van deze belangen de doorslag behoort te geven, hangt af van alle in onderling verband te beschouwen omstandigheden van het concrete geval (aldus de Hoge Raad in genoemd arrest).

3.3 Tegen deze achtergrond is nu het navolgende van belang. Anders dan gedaagden ingang willen doen vinden, zijn eisers van oordeel -het volgt in feite al uit het petitum- dat de aankoop van het genoemde fabrieksterrein met aanhorigheden een volstrekt bona fide transactie was die simpelweg tot het werkterrein van [eiseres sub 1] behoorde.

3.4 De toedracht van de transactie was naar de mening van eisers samengevat als volgt.

3.5 De Echter zakenman [betrokkene C] heeft op 13 augustus en 20 september 1998 het fabrieksgebouw en de woning met ondergrond, die enigermate vervuiling kende, verworven. Vervolgens heeft hij getracht -[betrokkene C] handelt in onroerend goed- dit complex weer door te verkopen. Medio oktober 1998 is hij voor het eerst met [eiseres sub 1] in contact gekomen. Dat heeft op 4 november 1998 in een koopovereenkomst geresulteerd. Bij deze wederverkoop heeft [betrokkene C] fl. 365.000,- winst kunnen boeken. Op 12 november 1998 werd [betrokkene C] na levering zelf eigenaar en op 29 november 1998 heeft hij aan [eiseres sub 1] doorgeleverd. Aldus -zo stellen eisers- een volstrekt normale zakelijke transactie.

3.6 In hun optiek wordt in het gewraakte artikel echter uit een ander vaatje getapt. Zo betogen eisers dat de suggestieve wijze waarop zij door vermelding van een aantal feitelijke onjuistheden -die ook nog eens steunen op stukken die gedaagden onrechtmatig in hun bezit hebben gekregen- in diskrediet worden gebracht de grenzen van het toelaatbare ruimschoots overschrijdt.

3.7 Vooreerst verdient bespreking de door eisers betrokken stelling, dat [betrokkene A] vóór haar ontslag een aantal interne stukken van [eiseres sub 1] heeft gekopieerd -daarmee in strijd handelende met de op haar als ambtenaar rustende "rechtsplicht"- waarvan [gedaagde sub 3] op zijn beurt gebruik heeft gemaakt door voor zijn artikel uit het ontslagdossier van [betrokkene A], waarvan de betreffende stukken inmiddels onderdeel waren gaan uitmaken, te putten. Nu [gedaagde sub 3] van de herkomst van deze stukken niet onkundig kan zijn gebleven is deze handelwijze naar het oordeel van eisers onrechtmatig.

3.8 Gedaagden -in het bijzonder [gedaagde sub 3]- hebben bestreden aldus onrechtmatig te hebben gehandeld. Naar kan worden verstaan hebben zij met name willen betogen dat [gedaagde sub 3] er zich niet van bewust heeft hoeven zijn dat hem (mogelijk) op ontoelaatbare wijze verkregen stukken in handen werden gespeeld.

3.9 Voorshands kan de door eisers verdedigde opvatting niet worden gedeeld. Niet valt aanstonds in te zien dat [gedaagde sub 3] had moeten beseffen dat de betreffende informatie door [betrokkene A] op oneigenlijke wijze was verkregen. Of dat zo is hangt van tal van factoren af, waarop partijen in dit geding echter geen licht hebben doen schijnen. Zo heeft men bijvoorbeeld niet onthuld om welke stukken het gaat en is -om wellicht niet onbegrijpelijke redenen- niet aangegeven hoe [betrokkene A] dit naar [gedaagde sub 3] toe heeft ingekleed.

3.10 Aldus wordt toegekomen aan de bespreking van het artikel zelve.

3.11 De wetenschappelijk aandoende tekstanalyse waaraan eisers dit onderwerpen -zij nemen het fileermes ter hand- geeft vooreerst echter blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Nog daargelaten dat het ook hier veeleer aankomt op de strekking dan op de letter, kan van een perspublicatie in de regel nu eenmaal niet gevergd worden dat zij in al haar onderdelen volkomen juist is. Een stringentere opvatting zou al snel op gespannen voet komen te staan met het journalistieke belang om kwesties aan te snijden die een zekere actualiteitswaarde hebben, waarbij vaak enige spoed geboden is. Dat deze zaak een zekere actualiteitswaarde heeft is niet bestreden.

3.12 Waar het eisers nu om gaat is -met inachtneming van de zojuist gemaakte kanttekening- in de eerste plaats het volgende.

3.13 Met de aannames dat reeds ultimo 1996 tussen [eiseres sub 1] en [betrokkene C] een "onderhandse overeenkomst" met betrekking tot het fabrieksterrein zou zijn gesloten en [eiser sub 2] alsmede [eiseres sub 1]-commissaris [betrokkene D] op 10 september 1998 door de Raad van Commissarissen is gevraagd "om naar de fabriek te gaan kijken", doet het artikel het voorkomen alsof al geruime tijd vóórdat [betrokkene C] het complex kocht, [eiseres sub 1] daarbij (in meerdere of mindere mate) betrokken was. Dit roept vragen op omdat [eiseres sub 1] enkele weken ná de aankoop door [betrokkene C] het complex (alsnog) van deze heeft gekocht, bij welke transactie [eiseres sub 1] fl. 365.000,- meer heeft betaald dan [betrokkene C] voordien.

3.14 Welbeschouwd lijkt (het zich uit gemeenschapsgelden bedruipende) [eiseres sub 1] hier te worden verweten -in mindere mate geldt dit voor [eiser sub 2]- ofwel niet goed op haar winkel te passen ofwel -en in zoverre hinkt het artikel enigszins op twee gedachten- [betrokkene C] opzettelijk te hebben bevoordeeld.

3.15 Eisers hebben beide onder 3.13 gereleveerde aannames ontzenuwd. Aan de eerste ontvalt de bodem waar zij -gedaagden hebben dit onderkend- is gestoeld op een verschrijving door de notaris in de leveringsakte tussen [betrokkene C] en [eiseres sub 1]. Waar stond 4 november 1996 als datum van de koopovereenkomst had dat moeten zijn 4 november 1998. De tweede aanname berust -ook dit is in confesso- op een verkeerde lezing van de besluitenlijst van de Raad van Commissarissen van [eiseres sub 1] (productie 21 van eisers). De juiste datum moet zijn 8 december 1998.

3.16 Bij deze stand van zaken kan de suggestie dat [eiseres sub 1] reeds lange tijd voor de aankoop door [betrokkene C] met het complex bemoeienis had niet staande worden gehouden.

3.17 Toch kan dit oordeel niet tot het resultaat leiden dat eisers in deze zaak voor ogen staat. Nog daargelaten dat een onjuiste datum in een notariële akte voor risico komt van de (doen-) opsteller er-van en derden in beginsel op de juistheid daarvan mogen afgaan -tenzij dat a priori van iedere goede zin is gespeend, doch daarvan is niet gebleken- moet voorshands aangenomen worden dat de op 14 mei 2002 geplaatste rectificatie in voldoende mate aan eisers' bezwaar tegemoet komt. Immers trekt de zin "Het verhaal over de fabriek begint wat [eiseres sub 1] betreft niet op 10 september, zoals naar aanleiding van bovenstaande werd vermeld, maar op zijn vroegst begin november 1998 (..…)" er grotendeels de angel uit.

3.18 Waar het deze rectificatie betreft -thans moet een uitstapje volgen- hebben eisers het betoog ontvouwd dat deze zèlf ook weer onjuistheden bevat welke haar, gelet ook op haar voor het overige onbegrijpelijke inhoud, onrechtmatig doet zijn. Gedaagden hebben hierop gerespondeerd door dit gemotiveerd tegen te spreken.

3.19 Het lijkt hier te gaan om een tweetal elementen -het ene is dat anders dan in het artikel wordt vermeld aan [eiser sub 2] en [betrokkene D] überhaupt niet de opdracht zou zijn verstrekt om naar de fabriek te gaan kijken, het andere kan, ook na herlezing, niet aanstonds geheel worden doorgrond- waarvan bezwaarlijk aangenomen kan worden dat zij de zaak werkelijk raken. Indachtig het al onder 3.11 overwogene kan al daarom aan dit verwijt worden voorbijgegaan. Dat de rectificatie een onbegrijpelijke inhoud zou hebben, valt ook niet in te zien. Wellicht munt zij niet uit in helderheid, onbegrijpelijk is zij echter evenmin. Onrechtmatig is zij in ieder geval niet.

3.20 Dat eisers het resultaat waartoe dit alles leidt -de vrij bescheiden rectificatie kan worden gebillijkt- intussen maar weinig zal bekoren behoeft geen betoog. Toch lijkt die onvrede voor een deel onontkoombaar. Zo bezien is het de prijs die betaald moet worden voor een stelsel waarin persvrijheid een groot goed is. Is éénmaal tot publicatie overgegaan, dan rest (bijna) altijd scherven rapen.

3.21 Tot zover de zijsprong naar het door partijen gevoerde debat over de op 14 mei 2002 geplaatste rectificatie.

3.22 Na op de onjuiste suggestie van reeds enige tijd bestaande bemoeienis met het complex te hebben gewezen -dit punt is geëcarteerd- hebben eisers benadrukt dat waar het artikel rept van een "zwaar vervuild terrein", het andermaal van een verkeerde voorstelling van zaken blijk geeft. Van "zwaar" vervuilde grond is immers geen sprake, zo voeren zij aan. Onder de stukken van [betrokkene A], waarvan [gedaagde sub 3] zich heeft bediend, bevond zich een accountantsrapport d.d. 18 juli 2001, waaruit dit in eisers' optiek afdoende blijkt. Ten onrechte is nagelaten hiervan in het artikel melding te maken, zo stellen eisers.

3.23 Gedaagden hebben er op hun beurt op gewezen dat zij naast voormeld rapport ten tijde van de publicatie ook beschikten over een rapport van [betrokkene E] te Swalmen, een bedrijf dat de bodem ter plaatse op verontreiniging heeft onderzocht. Dat rapport (productie 24 van eisers) maakt onder meer gewag van grond die "licht tot sterk (is) verontreinigd (met) minerale olie" en van grondwater dat "plaatselijk sterk verontreinigd (is) met minerale olie en licht verontreinigd met zink en xylenen". Resumerend releveert het dat sprake is van een "ernstig geval van bodemverontreiniging" in het kader van de Wet bodembescherming.

3.24 Daarnaast wijzen gedaagden erop dat de gemeente Ambt-Montfort dit beeld desgevraagd aan [gedaagde sub 3] heeft bevestigd.

3.25 Ten slotte vragen zij aandacht voor het feit dat er reeds eerder publicaties zijn geweest waarin de grond ter plaatse als zwaar vervuild wordt aangemerkt. Nu zij daartegen nimmer zijn opgekomen, moet eisers' betoog thans reeds daarom geen effect (meer) kunnen sorteren, zo lijken gedaagden te zeggen.

3.26 Hoe dit laatste zij, aangenomen moet worden dat gedaagden met de wetenschap die zij bezaten konden publiceren zoals zij hebben gedaan. Niet onbegrijpelijk is dat zij het genoemde accountantsrapport, dat in feite (niet meer) laat uitkomen (dan) dat de vervuiling kan meevallen, onvermeld hebben gelaten. Onbegrijpelijk is evenmin dat zij de bevindingen van de onderzoekers kernachtig hebben willen weergeven. Of dat ten gronde steek houdt -dat wil zeggen of de grond het stempel "zwaar vervuild" werkelijk verdient- kan in deze zaak niet uitgemaakt worden.

3.27 Naast dit alles hebben eisers nog betoogd dat in het artikel een onrechtmatig en beschadigend verband wordt gelegd tussen de (later teruggedraaide) verkoop van het complex door [eiseres sub 1] en de moord op een zekere [betrokkene F] in maart 2000, die als een der kopende partijen bij die transactie was betrokken. In dat kader wordt nadrukkelijk ook de naam van [eiser sub 2] genoemd. Eisers achten de publicatie ook daarom ontoelaatbaar.

3.28 Zoals gedaagden hebben aangedragen is deze kwestie echter aangekaart door [eiseres sub 1] zelf, en wel door haar advocaat op de zitting van 10 april 2002 (waarbij [gedaagde sub 3] zoals gezegd aanwezig is geweest). Namens [eiseres sub 1] is er toen aandacht voor gevraagd -allicht is dit aangeroerd ter illustratie van [betrokkene A]' ongeloofwaardigheid- dat [betrokkene A] [eiser sub 2] zelfs van betrokkenheid bij moord vermocht te beschuldigen. Hoe dit zij -het verwijt lijkt van iedere werkelijkheidszin gespeend- men kan er bezwaarlijk aan voorbij zien dat eisers het verhaal alzo zèlf wereldkundig hebben gemaakt.

3.29 Dàt met voormelde persoon een koper van het complex is vermoord is overigens een vaststaand feit. En dat dit feit op zichzelf (enige) nieuwswaarde heeft laat zich haast raden. In zoverre lijkt het verwerken van de moord in het artikel dan ook een zeker doel te dienen. Voor zover het daarbij een beschuldigende vinger uitsteekt naar [eiseres sub 1] en/of [eiser sub 2] wordt snel duidelijk dat -zonder dat gezegd kan worden dat de journalist daarbij instemmend aanhaakt- dit rechtstreeks uit de koker van [betrokkene A] en [betrokkene B] komt. De gemiddelde lezer moet dit kunnen onderkennen.

3.30 Dit alles moet in zijn onderlinge samenhang tot de slotsom leiden dat het artikel (ook) op dit onderdeel de toets der kritiek kan doorstaan.

3.31 Dat gedaagden, zoals eisers in algemene zin hebben betoogd, hoe dan ook terughoudender hadden moeten zijn bij het putten uit de wellicht niet geheel objectieve bronnen [betrokkene A] en [betrokkene B] -in feite wordt hier de journalistieke onderzoeksplicht aangeroerd- kan in deze algemene zin niet worden onderschreven. Aangenomen moet immers worden dat [gedaagde sub 3] deze bronnen aan andere heeft getoetst. Zo heeft hij niet alleen de heren [betrokkene D] en [betrokkene C], maar ook de heren [betrokkene G] en [betrokkene H] van de voormalige eigenaresse van het complex [betrokkene G] (zij komen alle in het artikel voor), alsmede het hoofd grondgebiedzaken [betrokkene N] van de gemeente Ambt Montfort over het inmiddels vaker genoemde thema ondervraagd en daarnaast onder meer het kadaster geraadpleegd. Op dit een en ander stuit het betoog af.

3.32 Al het vorenoverwogene moet ten slotte worden bezien in het licht van het volgende. Zoals gedaagden (ter zitting onbetwist) hebben aangevoerd heeft [gedaagde sub 3] [eiseres sub 1] op 24 april 2002 telefonisch verzocht [eiser sub 2] te spreken over de gang van zaken bij de aankoop van het fabrieksterrein. Nadat hem te kennen was gegeven dat [eiser sub 2] niet beschikbaar was heeft [gedaagde sub 3] naar mededirecteur [betrokkene I] gevraagd, welke naar verluid in bespreking was, waarop [gedaagde sub 3] heeft aangedrongen om teruggebeld te worden. In de loop van die dag heeft [gedaagde sub 3] vervolgens nog een aantal malen getracht [eiser sub 2] op zijn mobiele nummer te bereiken en daarbij een boodschap achtergelaten op diens voicemail.

3.33 Al deze signalen ten spijt heeft [eiser sub 2] noch [betrokkene I] noch een andere [eiseres sub 1]-medewerker die dag of de dagen erna (om hen moverende redenen) de journalist [gedaagde sub 3] teruggebeld. Nu die geacht kan worden zich al met al voldoende inspanningen te hebben getroost om [eiseres sub 1] en/of [eiser sub 2] tot een weerwoord te bewegen, moet hun zwijgen thans voor eigen risico komen. Aldus bezien heeft men de kans om -bijvoorbeeld- zaken recht te zetten of daarop een ander licht te doen schijnen aan zich voorbij laten gaan. Niet ondenkbaar is dat een artikel dan ongelukkig kan uitvallen.

3.34 Onder 3.2 werd verondersteld dat gedaagden met de gewraakte publicatie hebben beoogd misstanden aan de kaak te stellen. Eisers hebben betwist dat hen dit doel voor ogen heeft gestaan door te betogen dat er in werkelijkheid sprake is geweest van rancune aan de zijde van gedaagden. Die zou daarin gelegen zijn dat gedaagde [gedaagde sub 1] in 1996 bij vonnis van de president alhier (al eens) werd bevolen een artikel over [eiser sub 2] te rectificeren.

3.35 Reeds omdat het hier kennelijk een louter speculatieve stelling betreft die door nagenoeg niets wordt geschraagd -en die hoe dan ook weinig aannemelijk lijkt- zal zij worden gepasseerd. Er zal dus van worden uitgegaan dat gedaagden -in het bijzonder [gedaagde sub 3]- oprecht hebben gemeend een misstand op het spoor te zijn.

3.36 Die gedachte kan niet terstond als een vergissing worden ontmaskerd. Louter op basis van de vaststaande feiten -voor een complex dat binnen luttele weken van eigenaar wisselt heeft [eiseres sub 1] met een bedrag van fl. 365.000,- een wel zeer forse "meerprijs" willen voldoen- kan men zich de vraag stellen of [eiseres sub 1] hier op een zorgvuldige wijze met gemeenschapsgelden is omgesprongen. Die vraag laat zich in deze zaak echter niet ten gronde beantwoorden.

3.37 Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen kan de onder 3.2 weergegeven belangenafweging niet in het voordeel van eisers uitvallen.

3.38 De gevraagde voorzieningen zullen dus moeten worden geweigerd.

4. Uitspraak

De voorzieningenrechter van de rechtbank te Maastricht;

RECHT DOENDE in kort geding:

Weigert de gevraagde voorzieningen;

Veroordeelt eisers in de kosten van het geding, aan de zijde van gedaagden gerezen, tot aan deze uitspraak begroot op een bedrag van € 896,36, waarvan € 193,- wegens verschuldigd vast recht en € 703,36 voor salaris procureur;

Verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. A.M. Adelmeijer, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting in het bijzijn van de griffier.

RQ