Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2002:AE4277

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
06-06-2002
Datum publicatie
18-06-2002
Zaaknummer
68981
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Vonnis: 6 juni 2002

Rolnummer: 68981 / HA ZA 01-897 (versneld regime)

De rechtbank te Maastricht, enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van:

[eiser],

wonende te Maastricht,

eiser,

procureur mr. D.S.G. Lie;

tegen

De naamloze vennootschap ING BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

procureur mr. J.J.M. Goumans.

1. Het verloop van de procedure

Eiser, verder te noemen "[eiser]", heeft gedaagde, verder te noemen "ING", onder versneld regime gedagvaard om te verschijnen voor deze rechtbank en heeft overeenkomstig die dagvaarding geconcludeerd voor eis. Tevens heeft [eiser] een aantal rekeningafschriften ter griffie van deze rechtbank gedeponeerd (depotakte 27092001/68981/D-VR).

ING heeft geconcludeerd voor antwoord.

Op de voet van artikel 141a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is een comparitie na antwoord gelast. Bij brief van 28 december 2001 zijn ten behoeve daarvan door ING stukken overgelegd. Van het verhandelde ter comparitie is procesverbaal opgemaakt, dat zich bij de stuk-ken bevindt.

Vervolgens heeft [eiser] een nadere conclusie genomen, waarop ING bij conclusie heeft gereageerd.

Bij alle genoemde conclusies zijn door partijen producties overgelegd.

Tenslotte hebben partijen de rechtbank verzocht te beslissen op het rechtbankdossier, waarna de uitspraak van het vonnis nader is bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1 Op 11 februari 2000 omstreeks 14.30 of 14.40 uur heeft [eiser] telefonisch contact opge-nomen met de Beleggers Service Lijn (hierna: "de BSL") van ING. Blijkens het door ING overgelegde transcript van dat telefoongesprek (CvA, prod. 1a) heeft [eiser] toen allereerst, kort gezegd, een aantal aandelen verkocht, waarna hij de beschikking had over een positief saldo ter grootte van € 57.459,-. [eiser] heeft vervolgens opdracht gegeven tot aankoop van 1500 aandelen Via Networks (hierna ook: "VNW") met de toevoeging "bestens", hetgeen wil zeggen dat de aankooporder tegen elke koers moet worden uitgevoerd, zulks na enige con-versatie met de medewerker van de BSL naar aanleiding van diens vraag of de order 'bes-tens' dan wel met een limiet moest worden doorgegeven. De aandelen van VNW werden op voornoemde dag overigens voor het eerst genoteerd op de beurzen van Amsterdam en New York. Weliswaar was de officiële emissiekoers naar de rechtbank uit de stukken be-grijpt vastgesteld op € 21,31, maar verwacht werd dat gezien de grote belangstelling bij be-leggers de openingskoers hoger zou uitvallen, hetgeen op de Amsterdamse beurs uiteinde-lijk heeft geresulteerd in een (buiten verwachting hoge) openingskoers van € 89,-. Vermel-ding verdient hier nog dat het saldo van [eiser] voldoende was voor aankoop van 1500 aan-delen VNW tegen een koers van € 38,30.

2.2 Uit het transcript van een tweede telefoongesprek van [eiser] met de BSL omstreeks 16.40 uur op dezelfde dag (CvA, prod. 1b) blijkt dat de openingskoers van € 89,- inmiddels bekend was en dat zijn order op dat moment nog niet was uitgevoerd. Tussen partijen is blij-kens hun stellignamen evenwel niet in discussie dat annulering van de aankooporder niet mogelijk was, zodat aan het vorenstaande geen verdere betekenis toekomt.

2.3 Door uitvoering van de onder 2.1 bedoelde aankooporder werd [eiser] geconfronteerd met een grote debetstand op zijn privérekening. Volgens [eiser] blijkt uit zijn telefoonge-sprekken met de BSL dat hij geen raad wist met het volgens hem door de (medewerker van de) ING gegeven advies om 'bestens' te kopen en [eiser] stelt zich dan ook op het standpunt dat de ING hem door dat advies heeft blootgesteld aan het risico van een tekort op zijn re-kening, hetgeen in de optiek van [eiser] niet in overeenstemming is met de zorgplicht die op ING rust. [eiser] acht ING derhalve schadeplichtig jegens hem en hij stelt - onder verwijzing naar een aantal in de dagvaarding genoemde schadecomponenten - dat de schade (nog) niet ten volle kan worden opgemaakt.

2.4 Op grond van het bovenstaande vordert [eiser] dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

zal verklaren voor recht dat ING jegens hem toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst tot opdracht c.q. lastgeving c.q. onrechtmatig heeft gehandeld, met veroordeling van ING tot betaling van de kosten, schaden en inte-ressen sedert 15 maart 2001 tot aan de dag der algehele voldoening, welke schade-vergoeding nader dient te worden opgemaakt bij staat en te worden vereffend als volgens de wet,

met veroordeling van ING in de kosten van het geding.

2.5 ING heeft de vordering gemotiveerd betwist.

3. De beoordeling

3.1 De rechtbank is van oordeel dat de vordering van [eiser] dient te worden beoordeeld in het licht van het bepaalde in artikel 28, lid 2, van de Nadere Regeling toezicht effectenver-keer 1999 (hierna ook: "NRTE"), zoals vastgesteld door de Stichting Toezicht Effectenver-keer op basis van het Besluit toezicht effectenverkeer 1995, welk artikellid als volgt luidt:

"De effecteninstelling onthoudt zich van het uitvoeren van een transactie voor rekening van een cliënt, indien de effecteninstelling constateert dat de op naam van de cliënt aanwezige saldi ontoereikend zijn

om de verplichtingen te voldoen die voortvloeien uit die transactie".

Bedoeld artikellid behelst een gedragsregel houdende een zorgverplichting voor de betref-fende effecteninstelling, in casu ING, die blijkens het bepaalde in artikel 43 NRTE strekt ter bescherming van de cliënt die niet kan worden aangemerkt als een professionele belegger, zoals in dit geval [eiser].

3.2 In een geval als het onderhavige, waarin een aankooporder is geplaatst voor een be-paald aantal aandelen met de toevoeging 'bestens', brengt de uit artikel 28, lid 2, NRTE, voor een effecteninstelling voortvloeiende zorgverplichting naar het oordeel van de recht-bank met zich dat die instelling bij het uitvoeren van die order het (positieve) saldo in het oog dient te houden tot welk bedrag de order zonder debetstand kan worden uitgevoerd. Daaruit volgt dat de order integraal voor het opgegeven aantal aandelen kan worden uitge-voerd indien de aankoopkoers dusdanig is dat het beschikbare saldo de aankoop dekt, dan wel dat het aan te kopen aantal aandelen moet worden verminderd naar gelang de aan-koopkoers dusdanig is dat de order zonder debetstand niet kan worden uitgevoerd.

Mocht het in de beurspraktijk niet doenlijk zijn om bij het uitvoeren van een order voor een bepaald aantal aandelen een limitering door middel van vermelding van het voor aankoop beschikbare positieve saldo aan te brengen, dient een effecteninstelling bij een aankoop ten behoeve van een niet professionele belegger een koerslimiet aan te geven, berekend door het beschikbare saldo te delen door het gewenste aantal aandelen, met als gevolg dat bij overschrijding van de koerslimiet geen aandelen worden aangekocht.

In concreto betekent dit dat, bij een beschikbaar saldo van € 57.459,-, 1500 aandelen VNW hadden kunnen worden gekocht bij een openingskoers tot € 38,30. Nu die koers evenwel op

€ 89,- uitkwam, had de aankooporder moeten worden beperkt tot een aantal van, afgerond, 646 aandelen VNW, dan wel hadden geen aandelen dienen te zijn aangekocht.

3.3 In de toelichting bij artikel 28, lid 2, NRTE, wordt onder meer vermeld dat dit artikel een effecteninstelling (zoals in casu ING) niet verbiedt om tot kredietverstrekking over te gaan, waaraan dan wordt toegevoegd dat zulks echter - voor zover het niet professionele cliënten betreft - separaat (contractueel) dient te worden geregeld. De rechtbank leidt hieruit af dat voor een niet professionele cliënt, die vooraf een kredietfaciliteit ter aankoop van effecten heeft verkregen, de onder 3.2 beschreven handelwijze niet geldt, mits deze bij het plaatsen van zijn order ondubbelzinnig is gewezen op de mogelijke risico's en vervolgens ondubbel-zinnig kenbaar heeft gemaakt en desgevraagd heeft bevestigd het risico te aanvaarden dat een debetsaldo door het uitvoeren van zijn order kan ontstaan.

3.4 Het onder 3.2 en 3.3 overwogene maakt dat de rechtbank het verweer van ING dat geen advies is gegeven om 'bestens' te kopen, als irrelevant passeert. Hetzelfde geldt voor het verweer dat [eiser] op voorhand met een debetstand accoord zou zijn gegaan. Gelet op het transcript van het eerste telefoongesprek, waarnaar de rechtbank hier kortheidshalve verwijst, kan immers geenszins worden geoordeeld dat [eiser] ondubbelzinning op de moge-lijke risico's is gewezen noch dat hij ondubbelzinnig heeft kenbaar gemaakt en desgevraagd heeft bevestigd bedoelde risico's te aanvaarden, nog afgezien daarvan dat van een reeds verleende kredietfaciliteit evenmin sprake was. Evenmin is van belang dat [eiser] later (in april 2000) nog aandelen VNW heeft bijgekocht. Relevant is immers slechts of ING op

11 februari 2000 aan haar zorgverplichting heeft voldaan.

3.5 Wel kan de rechtbank ING volgen in haar zienswijze dat voor toewijzing van de gevor-derde verklaring voor recht met verwijzing naar de schadestaatprocedure geen plaats is.

Zulks kan evenwel - anders dan ING bij antwoord suggereert - niet tot afwijzing van de vor-dering leiden, maar brengt met zich dat de rechtbank, nu zij zich op grond van de voorlig-gende stukken voldoende daartoe in staat acht, de schade direct zal begroten en als hierna

overwogen zal toewijzen.

3.6 De schade dient naar het oordeel van de rechtbank als volgt te worden berekend.

ING had voor [eiser] maximaal 646 aandelen VNW tegen een koers van € 89,- mogen kopen (zie onder 3.2). ING heeft evenwel 1500 aandelen gekocht, derhalve 854 aandelen méér, in totaal voor een bedrag van € 76.006,-. Het koersrisico van de 646 aandelen komt geheel ten laste van [eiser], die zich zoals iedere belegger dient te realiseren dat beleggen, naast hoge(re) winstperspectieven, ook hoge(re) risico's in zich draagt. In het kader van zijn plicht tot schadebeperking had [eiser] op de eerstvolgende beursdag de overige 854 gekochte aandelen dienen te verkopen, hetgeen hij naar ING bij antwoord onbetwist heeft aange-voerd had kunnen doen tegen een koers van € 51,45 per aandeel, derhalve voor een totaal-bedrag van - afgerond - € 43.938,-. Als toewijsbare schade dient dan ook te worden be-schouwd het verschil tussen het aankoopbedrag ad € 76.006,- en het (potentiële) verkoop-bedrag van € 43.938,-, zijnde een bedrag van € 32.068,-, waarover de wettelijke rente toe-wijsbaar is zoals gevorderd. Het moge waar zijn dat [eiser] wellicht om - kort gezegd - psy-chologische redenen niet tot verkoop is overgegaan, zoals hij bij conclusie na comparitie stelt, maar zulks vormt een omstandigheid die voor zijn eigen rekening moet blijven.

3.7 Omtrent de door [eiser] bij conclusie na comparitie genoemde posten waaruit de schade in elk geval zou bestaan overweegt de rechtbank nog het navolgende.

Hetgeen [eiser] onder ad a) en ad b) stelt (pagina 08 van de gefaxte conclusie) betreft scha-de met betrekking tot de aangekochte 1500 aandelen VNW, waarover hierboven onder 3.6 een oordeel is gegeven en waaruit volgt dat ING tot geen andere of verdere vorm van ver-goeding is gehouden.

Het gestelde onder c) op pagina 09 houdt verband met de later (in april 2000) door [eiser] bijgekochte aandelen VNW en wordt door [eiser] geplaatst in het kader van schadebeper-king. Nu geen feiten en omstandigheden zijn gesteld waaronder die latere transactie tot stand is gekomen kan niet worden beoordeeld of en in hoeverre ING daarbij haar meerge-noemde zorgverplichting heeft geschonden, zodat die post reeds daarom niet kan worden meegenomen. Nog afgezien daarvan heeft de rechtbank onder 3.6 reeds aangegeven op welke wijze [eiser] zijn schade had dienen te beperken. Zonder nadere bijzonderheden valt niet in te zien dat het later bijkopen van aandelen met - nogmaals - alle risico's van dien als een redelijke vorm van schadebeperking zou hebben te gelden.

Onder d) maakt [eiser] gewag van kosten terzake van juridische bijstand. Voor zover hij daarmee het oog heeft op buitengerechtelijke kosten zoals bedoeld in artikel 6:96, lid 2,

sub c van het Burgerlijk Wetboek, overweegt de rechtbank dat uit de door [eiser] overge-legde facturen van zijn procureur geenszins kan worden afgeleid of, en zo ja, in welke mate die kosten betrekking hebben op krachtens voormeld artikel voor vergoeding in aanmerking komende activiteiten. Enige toewijzing kan reeds om die reden niet plaatsvinden.

Onder e) maakt [eiser] aanspraak op taxatiekosten (waarschijnlijk in verband met taxatie van zijn woonhuis) ten behoeve van een "additionele zekerheidstelling waarom de bank had ge-vraagd". ING heeft echter bij antwoord aangevoerd dat [eiser] nooit is ingegaan op een fi-nancieringsvoorstel met als zekerheid een (derde) hypothecaire inschrijving op zijn woon-

huis, hetgeen door [eiser] niet is betwist. Ook die post komt derhalve niet voor toewijzing in aanmerking

Tenslotte meldt [eiser] onder f) dat ING kosten voor juridische bijstand zonder toestemming

van zijn rekening heeft afgeboekt, hetgeen hij "buitengemeen ongehoord" acht. Ter adstruc-tie verwijst [eiser] naar twee als productie 4 overgelegd rekeningafschriften, waarop een ver-melding staat die inhoudt dat de betreffende kosten (f 962,12 en f 3.790,45) conform de al-gemene voorwaarden worden berekend en verband houden met kosten van de advocaat van ING in de "door u aangespannen procedure", waarmee kennelijk het onderhavige ge-

ding wordt bedoeld. Bij antwoordconclusie na comparitie heeft ING aangevoerd dat de de-bitering van die kosten berust op een vergissing en dat deze inmiddels ongedaan is ge-maakt. Gelet hierop neemt de rechtbank aan dat dit geen punt van geschil meer vormt tus-sen partijen.

3.8 Gezien al het bovenstaande is de vordering toewijsbaar zoals in het dictum van dit von-nis wordt bepaald. Als voor het grotere deel in het ongelijk gestelde partij zal ING worden verwezen in de kosten van het geding. De rechtbank overweegt nog voor een door ING voorgestane kostencompensatie, om reden dat ING buiten rechte betaling van f 50.000,- tegen finale kwijting heeft voorgesteld waarmee [eiser] niet accoord is gegaan, geen aanlei-ding te zien nu het voor toewijzing vatbaar geoordeelde bedrag belangrijk hoger is dan het schikkingsvoorstel van ING.

3.9 In het dictum van dit vonnis zullen geldbedragen worden vermeld in euro's tegen de vastgestelde omrekenkoers.

4. Uitspraak

De rechtbank te Maastricht:

veroordeelt ING om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag

van € 32.068,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 maart 2000 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt ING in de kosten van het geding aan de zijde van [eiser] gevallen, tot aan deze uitspraak begroot op € 75,89, € 181,51 aan griffierecht en € 1.497,48 voor salaris procureur;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Laumen, rechter, en ter openbare terechtzitting uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

MC