Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2002:AE4119

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
16-05-2002
Datum publicatie
14-06-2002
Zaaknummer
52312
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis : 16 mei 2002

Rolnummer : 52312 / HA ZA 99-1102 (vrijwaring)

De rechtbank te Maastricht, meervoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen:

[eiser],

wonende te Kehl-Neumühl (Duitsland),

eiser in vrijwaring,

procureur mr. Ch.M.E.M. Paulussen;

tegen:

[gedaagde in vrij[gedaagde in vrijwaring]

wonende te Roermond,

gedaagde in vrijwaring,

procureur mr. F.A.L. Kamps.

1. Het verder verloop van de procedure in de vrijwaring

Ter voldoening aan de hem in het tussenvonnis van 17 mei 2001 verstrekte bewijsopdracht heeft [eiser] zes getuigen doen horen. [gedaagde in vrijwaring] heeft van contra-enquête afgezien. Van deze getuigenverhoren is proces-verbaal opgemaakt dat zich bij de stukken bevindt.

[eiser] heeft vervolgens een conclusie na enquête genomen, waarbij producties in het geding werden gebracht. Daarop heeft [gedaagde in vrijwaring] ook een conclusie na enquête genomen, waarbij eveneens producties in het geding werden gebracht.

Tenslotte hebben partijen vonnis gevraagd op het rechtbankdossier. De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. Verdere beoordeling

2.1 In deze zaak is rolvoeging bevolen met de zaak onder zaaknummer 46442 / HA ZA 99-247 waarin tegelijkertijd vonnis wordt gewezen. Verwezen wordt dan ook naar hetgeen in dat vonnis is overwogen en beslist.

2.2 Bij voormeld tussenvonnis van 17 mei 2001, waarbij de rechtbank volhardt, werd [eiser] toegelaten om door alle middelen rechtens, allereerst door middel van getuigen te bewijzen feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat er met betrekking tot de woning aan de [adres] op 30 november 1998 geen koopovereenkomst tot stand is gekomen tussen hem en [gedaagde in vrijwaring].

2.3 [eiser] is in voornoemd vonnis in de gelegenheid gesteld tegenbewijs te leveren tegen het voorshands aangenomen oordeel van de rechtbank. De rechtbank is van oordeel dat hij daarin is geslaagd.

Anders dan mogelijkerwijs uit het voorlopig getuigenverhoor van [getuige W] kon volgen, heeft hij, nogmaals gehoord als getuige, uitdrukkelijk verklaard dat door hem aan [getuige O] geen opdracht was gegeven het huis van [eiser] aan de [adres] te verkopen. Hij stelt contacten te hebben gelegd met [getuige O] waarna het gesprek is afgesloten met de afspraak dat [getuige O] telefonisch contact zou opnemen met [eiser].

Uit de verklaring van [getuige O] blijkt dat er inderdaad was afgesproken dat hij nog contact zou opnemen met [eiser] en dat dit genoemde contact eerst op 30 november 1998 telefonisch heeft plaatsgevonden.

Omtrent de inhoud van dit gesprek wordt door [getuige O] en [eiser] verschillend verklaard. Volgens [getuige O] is op dat moment een koopovereenkomst gesloten tussen [eiser] en [gedaagde in vrijwaring] betreffende de onderhavige woning; volgens [eiser] heeft hij op dat moment duidelijk aan [getuige O] aangegeven dat het huis reeds was verkocht en dat [getuige O] bovendien zonder zijn toestemming heeft gehandeld.

Nu vast staat dat [getuige O] geen opdracht had van [eiser] het betreffende huis te verkopen kan enkel op de mededeling van [getuige O] dat het huis is verkocht aan [gedaagde in vrijwaring] niet worden gesteld dat op 30 november 1998 een koopovereenkomst betreffende het huis aan de [adres] tot stand is gekomen tussen [eiser] en [gedaagde in vrijwaring].

2.4 Dit betekent dat niet is komen vast te staan dat tussen [gedaagde in vrijwaring] en [eiser] op 30 november 1998 een koopovereenkomst tot stand is gekomen betreffende het huis aan de [adres]. Het gevolg hiervan is dat het door [gedaagde in vrijwaring] op de woning gelegde conservatoire beslag ten onrechte is gelegd en hij [eiser] zal dienen te vrijwaren van datgeen dat [eiser] aan [C] en [B] zal hebben te betalen. Als zodanig zal ook worden beslist.

2.5 [gedaagde in vrijwaring] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat in de procedure onder zaaknummer 46442/1999 dezelfde bewijsopdracht is gegeven als in deze procedure en gebruik is gemaakt van een gelijkluidende conclusie na enquete zodat de kosten van het getuigenverhoor en de daarna gevolgde conclusie in deze procedure voor de helft zullen worden meegenomen. Daarbij zal de getuigentaxe van [getuige W] in redelijkheid worden gesteld op DM 75,-- zijnde een vergoeding voor 3 uren afwezigheid.

2.6 In het dictum zullen de bedragen worden toegewezen in euro's.

3. Uitspraak

De rechtbank:

In de vrijwaring:

Veroordeelt [gedaagde in vrijwaring] om aan [eiser] in vrijwaring tegen kwijting te betalen al datgene, waartoe [eiser] als gedaagde in hoofdzaak ten behoeve van [C] en zijn echtgenote [B] mocht worden veroordeeld;

veroordeelt [gedaagde in vrijwaring] in de kosten van deze procedure aan de zijde van [gedaagde in vrijwaring] gevallen en tot op heden begroot op € 104,96 aan kosten dagvaarding, € 975,63 voor salaris procureur en € 25,98 aan getuigentaxen.

Dit vonnis is gewezen door mrs. Sijmonsma, Schreinemakers en Van den Acker, rechters, en ter openbare terechtzitting uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.