Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2002:AE3937

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
28-05-2002
Datum publicatie
11-06-2002
Zaaknummer
70995 / FA RJK 01-1526
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking: 28 mei 2002

De arrondissementsrechtbank te Maastricht, enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven in de alimentatiekwestie in:

Zaaknummer: 70995 / FA RK 01-1526

In de zaak van:

H. J. V. D. X,

verzoeker, verder te noemen: de vader,

wonende te Z.,

procureur mr. M.C.L.G.J. Ruyters-Stevens,

en:

V. V. D. X,

wederpartij, verder te noemen: de dochter,

wonende te Zz,

procureur mr. M.M.E.C. Breij.

1. Verloop van de procedure

De vader heeft op 28 november 2001 een verzoekschrift tot wijziging van alimentatie ingediend.

Door de dochter is op 19 februari 2002 een verweerschrift ingediend dat tevens een zelfstandig verzoek bevat.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 14 mei 2002.

2. Beoordeling

De vader is bij beschikking van deze rechtbank van 22 september 1998 veroordeeld tot betaling van een bedrag van fl. 350,-- (€ 158,82) per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de dochter, welke bijdrage met ingang van 27 december 2000 van rechtswege geldt als een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie.

De vader verzoekt genoemde beschikking in die zin te wijzigen dat de hem daarbij ten behoeve van de dochter opgelegde onderhoudsbijdrage met ingang van 1 januari 2001 nader wordt bepaald op nihil, althans op een zodanig bedrag en met ingang van zodanige datum als door de rechtbank te bepalen.

Hij stelt dat bedoelde bijdrage tengevolge van wijziging van omstandigheden heeft opgehouden te voldoen aan de wettelijke maatstaven.

Ter staving van zijn stelling voert de vader aan dat de dochter op 27 december 2000 gehuwd is, dat zij in juli 2001 een zoontje heeft gekregen en dat haar echtgenoot in staat moet worden geacht om voor zijn gezin te zorgen.

De dochter heeft tegen toewijzing van het verzoek gemotiveerd verweer gevoerd en verzocht om de bijdrage te bepalen op een bedrag van € 357,50 per maand, althans op een in goede justitie te bepalen bedrag.

De rechtbank stelt voorop dat zij van oordeel is dat de behoefte van de dochter, die gehuwd is en niet studerend is, sedert haar huwelijk gerelateerd dient te worden aan de Abw-norm voor een volledig gezin. Zij heeft immers gekozen voor een huwelijk en daarmee voor een zelfstandig leven met haar echtgenoot. Zij dient dan ook de consequenties van die keuze te dragen, in die zin dat zij samen met haar echtgenoot dient te zorgen voor voldoende midde-len van bestaan.

Bovendien is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat de dochter - afgezien van zwangerschaps- en ouderschapsverlof - geen enkele mogelijkheid heeft om door middel van arbeid te zorgen voor een aanvulling op het gezinsinkomen. Voor zover het thans sedert de geboorte van het kind al niet mogelijk zou zijn om hele dagen te werken, omdat haar echtge-noot niet stressbestendig zou zijn - hetgeen niet is komen vast te staan en dan ook door de rechtbank in het midden gelaten wordt - en geen 6 à 8 uren per dag alleen voor het kind kan zorgen zoals ter zitting door de dochter gesteld, acht de rechtbank geen gronden aanwezig waarom zij niet parttime zou kunnen werken.

Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook geen sprake meer van behoefte, noch van behoeftigheid van de dochter. Voor zover de dochter een zelfstandig verzoek heeft ingediend dient zij daarin dan ook niet-ontvankelijk verklaard te worden.

De vader heeft - naar de rechtbank zulks begrijpt - ter zitting aangeboden om over de maanden januari 2001 tot en met april 2001 een bijdrage te betalen, uiteraard conform zijn draagkracht, nu vaststaat dat het gezinsinkomen van de dochter over die maanden onder het niveau van een volledig gezin is gebleven.

De rechtbank is gezien dit aanbod van de vader en gezien het feit dat geen sprake meer is van behoefte, noch van behoeftigheid van de dochter (de dochter had immers ook in de betreffende periode kunnen werken) van oordeel dat er geen redenen zijn om de draag-kracht van de vader te toetsen op de wijze zoals gebruikelijk in alimentatiezaken.

Nu het aanbod van de vader ertoe strekt om aan de dochter een bedrag van € 129,91 per maand te betalen over de periode van januari 2001 tot en met april 2001, zal de rechtbank dienovereenkomstig beslissen en met ingang van mei 2001 de bijdrage op nihil bepalen.

3. Beslissing:

Wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 22 september 1998 voor zover de vader daarbij werd veroordeeld tot betaling van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van de dochter en bepaalt die bijdrage over de maanden januari 2001 tot en met april 2001 op een bedrag van € 129,91 per maand en met ingang van 1 mei 2001 op nihil.

Wijst af het meer of anders verzochte.

Verklaart de dochter niet-ontvankelijk in haar zelfstandig verzoek.

Deze beschikking is gegeven door mr. F.A.J.W. Eliëns, vice-president, en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2002, in tegenwoordigheid van mr. M.P.I. Kubben, griffier.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een procureur (advocaat) - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Her-togen-bosch:

a. door verzoeker en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden: binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hen op andere wijze bekend is geworden.