Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2002:AE3428

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
16-05-2002
Datum publicatie
20-06-2002
Zaaknummer
61311
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis : 16 mei 2002

Zaaknummer : 61311 / HA ZA 00-1163

De rechtbank te Maastricht, enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van:

EISERES,

wonende te Landgraaf,

eiseres in conventie, gedaagde in reconventie,

procureur mr. S.G.L. Bremen;

tegen:

GEDAAGDE,

wonende te Landgraaf,

gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

procureur mr. J.L.M. Martens.

Het verloop van de procedure

Eiseres in conventie, gedaagde in reconventie, hierna te noemen "Eiseres", heeft bij naar de dagvaarding verwijzende conclusie van eis gesteld en geconcludeerd voor eis overeenkomstig de inhoud van die dagvaarding. Bij conclusie van eis zijn producties overgelegd. Gedaagde in conventie, eiser in reconventie, hierna te noemen "Gedaagde", heeft daarna geantwoord in conventie en geconcludeerd voor eis in reconventie.

Vervolgens heeft Eiseres geconcludeerd voor antwoord in reconventie.

Op de voet van artikel 141a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (oud) is een comparitie na antwoord gelast. Van het verhandelde ter comparitie is proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt.

Eiseres heeft daarop een conclusie na comparitie in conventie en in reconventie genomen, tevens houdende vermindering van eis. Gedaagde heeft een antwoordconclusie na comparitie in conventie en in reconventie genomen, tevens houdende vermeerdering van eis, waarbij hij een productie in het geding heeft gebracht.

Ten slotte hebben partijen vonnis gevraagd op het rechtbankdossier. De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. Het geschil

Partijen hebben een affectieve relatie gehad en hebben van ca. april 1993 tot ca. november 1999 samengewoond als waren zij gehuwd, zonder dat er tussen hen een samenlevingsovereenkomst was opgemaakt.

Gedurende hun samenleving hebben partijen gezamenlijk, ieder voor de helft, de eigendom

verkregen van de onroerende zaak, staande en gelegen te Landgraaf.

Partijen zijn het erover eens dat de waarde van die onroerende zaak op f. 370.000,- gesteld dient te worden en dat de openstaande hypotheek per 30 november 1999 f. 235.000,- bedroeg, terwijl de aan de hypotheek gekoppelde (en op beider naam staande) spaarpolis per 1 januari 2000 f. 18.781,94 waard was.

Gedaagde heeft bij de aankoop van de woning f. 10.833,- uit eigen middelen aangewend.

Partijen hadden voor de financiering van de bouw van een ponystal (welke f. 50.618,- gekost heeft), een bedrag ad f. 40.000,- geleend van de vader van Gedaagde.

Alle hypothecaire-, eigenaars- en gebruikerslasten, tot een totaalbedrag van f. 81.357,- met betrekking tot voornoemde woning zijn gedurende de samenleving door Gedaagde betaald.

In 1996 is (volgens Eiseres door partijen gezamenlijk, volgens Gedaagde door hem alleen) de pony K. gekocht voor een bedrag van f. 5.000,-, waaruit nog tijdens de samenleving D. is geboren en die op het moment dat de vrouw de woning verliet wederom drachtig was.

In conventie:

Eiseres heeft, na vermindering van eis, op grond van het vorenstaande gevorderd dat Gedaagde bij vonnis, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zal worden veroordeeld om aan haar te betalen:

- een bedrag van f. 71.474,29, zijnde de helft van de overwaarde van de onroerende zaak, staande en gelegen te Landgraaf aan de Hopelerweg 180 te betalen binnen 14 dagen nadat het vonnis onherroepelijk is geworden, zulks onder de verplichting aan de kant van Eiseres om haar medewerking te verlenen aan transport van de woning en de hypotheek op naam van gedaagde;

een bedrag van f. 7.000,- als zijnde de helft van de waarde van de paarden, binnen 14 dagen nadat het vonnis onherroepelijk is geworden;

- de wettelijke rente over die bedragen vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

het een en ander met veroordeling van Gedaagde in de kosten van de procedure.

De vordering wordt door Gedaagde weersproken, waartoe wordt verwezen naar de conclusie van antwoord in reconventie en de conclusie na comparitie.

In reconventie:

Gedaagde heeft, na vermeerdering van eis, gevorderd:

1.

primair: Eiseres te veroordelen mee te werken aan toescheiding aan Gedaagde, waaronder begrepen levering, van de aan haar in eigendom toebehorende onverdeelde helft van de onroerende zaak, staande en gelegen te Landgraaf alsmede van de onverdeelde helft van spaarpolis no. x bij Woonfonds hypotheken dan wel mee te werken aan tenaamstelling van Gedaagde, onder verplichting voor Gedaagde over te nemen de

geldlening onder hypothecair verband onder nr. x, althans deze schuld als geheel

eigen schuld te voldoen onder vrijwaring van Eiseres terzake deze schuld, en op plaats datum en tijdstip als nader door notaris mr. Van Gent te Heerlen of zijn plaatsvervanger aan te geven, te verschijnen zulks op straffe van een dwangsom van f. 50.000,- voor iedere keer dat Eiseres nalaat aan de tegen haar uit te spreken veroordeling te voldoen, na betekening van het tegen haar te wijzen vonnis;

subsidiair: ingeval de rechtbank van oordeel is dat Eiseres recht heeft op verrekening met Gedaagde terzake het registergoed de veroordeling overeenkomstig het primair gevorderde

uit te spreken, onder de verplichting van Eiseres om aan Gedaagde te betalen f. 121.777,71

(f. 71.474,23 minus f. 50.618,- minus f. 81.357,- minus f. 18.781,94 minus f. 42.495,-), subsidiair f. 111.159,71 (f. 71.474,23 minus f. 40.000,- minus f. 81.357,- minus f. 18.781,94 minus f. 42.495,-), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 februari 2001 tot de dag der algehele voldoening;

meer subsidiair: de veroordeling overeenkomstig het primair gevorderde uit te spreken, onder de verplichting van Eiseres aan Gedaagde te betalen f. 98.054,29 (f. 50.618,- minus

f. 35.737,21 plus f. 40.678,50 plus f. 42.495,-), subsidiair f. 87.436,29 (f. 40.000,- minus

f. 35.737,21 plus f. 40.678,50 plus f. 42.495,-);

2.

primair: voor recht te verklaren dat Gedaagde eigenaar is van de drie litigieuze pony's;

subsidiair: indien Eiseres eigenaresse zou zijn van de onverdeelde helft van de drie pony's: Eiseres te veroordelen aan Gedaagde te leveren de eigendom van de onverdeelde helft van de drie pony's, door afstand te doen van haar eigendomsrecht ten gunste van Gedaagde;

meer subsidiair: indien Eiseres mede-eigenaar zou zijn van de drie pony's en aanspraak zou kunnen maken op een verrekening na afstand door haar van haar eigendomsrecht ten aanzien van Gedaagde, Eiseres te veroordelen aan Gedaagde te betalen de somma van

f. 10.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der eis in reconventie (15 februari 2001) tot de dag der algehele voldoening;

3.

Eiseres te veroordelen aan Gedaagde terug te geven het door haar meegenomen, aan Gedaagde in eigendom toebehorende antieke tafelklokje en P.C. met toebehoren binnen een week na betekening van het in deze te wijzen vonnis, op straffe van een dwangsom van f. 150,- per dag voor iedere dag dat Eiseres in gebreke blijft aan de tegen haar uit te spreken veroordeling te voldoen, en nadat aldus een dwangsom zal zijn verbeurd van f. 5.000,-, Eiseres te veroordelen aan Gedaagde te betalen ten titel van schadevergoeding de somma van f. 9.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der eis in reconventie tot de dag der algehele voldoening;

kosten rechtens.

Als grondslag voor zijn vordering stelt Gedaagde naast de hierboven genoemde feiten onder meer dat hij een schenking van zijn stiefmoeder van f. 40.000,- heeft gekregen, welk bedrag hij heeft aangewend ter voldoening van de schuld aan zijn vader.

Voorts stelt hij dat Eiseres bij verbreking van de samenwoning een aan hem in eigendom toebehorend klokje met een waarde van f. 5.000,- en een P.C. met toebehoren, ter waarde van f. 4.500,-, zonder zijn toestemming heeft meegenomen.

De vordering wordt door Eiseres weersproken, waartoe wordt verwezen naar de conclusie van antwoord in reconventie en de conclusie na comparitie.

3. De beoordeling

Gelet op hun nauwe onderlinge namenhang zal de rechtbank de vorderingen in conventie en in reconventie gezamenlijk behandelen.

3.1

Met betrekking tot het onroerend goed:

Partijen zijn het erover eens dat het onroerend goed aan Gedaagde toegescheiden kan worden, maar twisten over de vraag of Eiseres recht heeft op de helft van de overwaarde.

Gedaagde stelt zich primair op het standpunt dat omdat alleen hij de verplichtingen ten aanzien van de geldlening onder hypothecair verband is nagekomen zonder dat die betalingen met Eiseres verrekend zijn, toescheiding van het onroerend goed, de hypotheek, en de polis aan hem dient te geschieden zonder dat hij enige betaling dient te verrichten aan Eiseres.

Subsidiair en meer subsidiair is hij van mening dat de toescheiding dient te geschieden

onder verrekening van door hem betaalde hypothecaire-, eigenaars- en gebruikerslasten,

zijn bijdrage in de bouwkosten van de paardenstal (dan wel de waarde van een door hem verkregen schenking), de waarde van de spaarpolis, en hetgeen Eiseres gezien de tussen partijen gemaakte afspraken te weinig heeft bijgedragen in de huishoudelijke kosten.

De rechtbank overweegt dat beide standpunten geen steun vinden in het recht. Bij een procedure als de onderhavige waarin verdeling van een of meer gemeenschappelijk(e) goed(eren) wordt gevorderd, kan slechts op het aandeel van een andere deelgenoot (in casu Eiseres) worden toegerekend, hetgeen deze aan de gemeenschap schuldig is.

Aangezien dat slechts uitgaven betreft die voortvloeien uit handelingen welke bevoegdelijk ten behoeve van de gemeenschap zijn verricht (art. 3:172 BW), en het aangaan van een hypothecaire geldlening niet kan gelden als een ten behoeve van (onderhoud en instandhouding van) het gemeenschappelijk pand verrichte handeling, kunnen de in verband met die hypothecaire geldlening en bijbehorende spaarpolis betaalde bedragen niet conform art. 3:184 BW gedwongen worden verrekend. De rechtbank verwijst naar het door de Hoge Raad op 11 oktober 1991 gewezen arrest (NJ 1992, 600).

Ook de overige door Gedaagde genoemde lasten en kosten betreffen, waarin Eiseres naar zijn stelling niet danwel onvoldoende zou hebben bijgedragen, betreffen geen gemeenschaps-schulden in de zin van art. 3:172 BW en kunnen dus in deze procedure niet verrekend worden.

Voorts merkt de rechtbank op dat het in het kader van een gevorderde verdeling als deze niet relevant is met wiens geld (een gedeelte van) het gemeenschappelijk goed is verworven, zodat de vraag of Gedaagde inderdaad een schenking ad f. 40.000,- heeft ontvangen onbeantwoord kan blijven.

Nu Eiseres uitdrukkelijk aangeeft het bedrag ad f. 10.833,- dat Gedaagde bij de aankoop van de woning uit eigen middelen heeft aangewend, wel bij de verdeling te willen betrekken, zal de rechtbank daar, ondanks voorgaande overweging, toe overgaan.

Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat het door Eiseres onder 1. gevorderde toewijsbaar is, waarbij de rechtbank de vordering in die zin begrijpt dat het

onroerend goed in het kader van de verdeling aan Gedaagde kan worden toegescheiden, en dat Gedaagde vordering sub 1 zal worden afgewezen.

3.2

Met betrekking tot de pony's:

Eiseres vordert verdeling van de volgens haar aan beide partijen gemeenschappelijk

toebehorende pony's, naar de rechtbank begrijpt in die zin dat de pony's aan Gedaagde kunnen worden toegescheiden onder uitbetaling aan haar van de helft van de waarde, terwijl Gedaagde stelt dat die pony's slechts hem in eigendom toebehoren.

De rechtbank overweegt als volgt.

Gedaagde heeft ter comparitie - onweersproken - gesteld dat partijen gezamenlijk K. zijn gaan ophalen. Bovendien staat tussen partijen vast dat het stamboekdocument van K. op beider naam is gesteld. De rechtbank leidt daaruit af dat K. aan beide partijen gezamenlijk geleverd is, waardoor beiden (gelijkelijk) rechthebbende op K. zijn geworden.

Aangezien als onweersproken vaststaat dat D. tijdens de samenleving is geboren en dat K. ten tijde van het beëindigen van de samenleving wederom drachtig was, maakt Eiseres op goede gronden aanspraak op vergoeding van de helft van de waarde van die drie pony's.

Nu Gedaagde de door Eiseres geschatte waarde noch bij zijn conclusie van antwoord in conventie en conclusie van eis in reconventie, noch ter comparitie heeft betwist, is de rechtbank van oordeel dat zijn betwisting van de waarde bij zijn conclusie na comparitie tardief is, zodat zij uit zal gaan van de door Eiseres gestelde waarde van f. 14.000,- voor de

drie pony's.

Omdat Gedaagde aanspraak maakt op door hem onderhoudskosten voor de pony's, welke kosten naar het oordeel van de rechtbank in beginsel wel gemeenschapsschulden in de zin van art. 3:172 BW zijn, dient de rechtbank -gezien de strijdige standpunten over de overeengekomen verdeling van de draagplicht - te beoordelen welk aandeel Eiseres in die kosten diende te dragen.

Gedaagde is van mening dat partijen, op grond van een afspraak, dienden bij te dragen in de huishoudelijke kosten in een verhouding van ¼ (Eiseres) tegen ¾ (Gedaagde), Eiseres stelt dat zij heeft bijgedragen waartoe zij maximaal in staat was, en dat dat, gelet op het verzorgingselement dat partijen voor ogen had, in overeenstemming was met de tussen partijen geldende afspraak.

Ter comparitie heeft Eiseres verklaard dat zij, toen partijen het huis aan de Hopelerweg gekocht hadden, minder is gaan werken (van 36 uur naar 20 uur en later 12 uur per week). Gedaagde heeft daarop verklaard dat hij daarmee heeft ingestemd. Voorts heeft hij verklaard dat hij eigenlijk wel moest accepteren dat zij op een gegeven moment - naar zijn onweersproken stelling vanaf 1995 - ophield met betalen op de en/of rekening omdat ze niet veel meer kon betalen. Die verklaring, bezien in samenhang met Eiseress onweersproken stelling dat zij toen zij minder ging werken de zorg voor het huishouden en de verzorging van de paarden op zich heeft genomen, maakt dat de rechtbank het feit dat Eiseres vanaf 1995 is opgehouden te betalen op de en/of rekening in overeenstemming was met de bedoeling van partijen.

Daarmee is in rechte komen vast te staan dat Eiseres niet hoefde bij te dragen in de onderhoudskosten van K., in 1996 gekocht, en D..

Op grond van het voorgaande ligt Eiseress vordering sub 2 voor toewijzing gereed, met dien verstande dat daarbij in het kader van de verdeling de pony's aan Gedaagde zullen worden toegescheiden, en zal Gedaagde vordering sub 2 worden afgewezen.

3.3

Met betrekking tot het antieke tafelklokje overweegt de rechtbank dat Eiseres betwist dat zij

dat heeft meegenomen. Aangezien de bewijslast van het onrechtmatig meenemen van het klokje op Gedaagde rust, en hij dienaangaande heeft gesteld het meenemen niet te kunnen bewijzen, ziet de rechtbank af van een bewijsopdracht terzake en overweegt zij dat de vordering van Gedaagde tot teruggave van dat klokje c.q. schadevergoeding voor dat klokje, in verband met het onbewezen blijven van de grondslag, voor afwijzing gereed ligt.

3.4

Met betrekking tot de p.c. overweegt de rechtbank dat zij Eiseres desgewenst zal toelaten tot bewijs van haar stelling dat Gedaagde die p.c. aan haar heeft geschonken.

Ten aanzien van de waarde overweegt de rechtbank reeds thans, dat zij, gelet op Eiseress stelling dat een p.c. na 5 jaar afgeschreven is, hetgeen de rechtbank niet onredelijk voorkomt en door Gedaagde niet betwist is, ervan uit gaat dat de p.c., met gebleken aankoopwaarde van f. 3.889,-, bij het verbreken van de samenleving in november 1999 (dus ca. 1 jaar na aanschaf in december 1998) een waarde had van ca. f. 3.100,-.

Nu Gedaagde eerst bij conclusie na comparitie heeft gesteld dat Eiseres tevens een kleurenprinter en software had meegenomen, waarop Eiseres dus niet meer heeft kunnen reageren, ligt dat deel van de vordering, als tardief aangevoerd, eveneens voor afwijzing gereed.

3.5

Op grond van het voorgaande zal de rechtbank de vordering in conventie reeds thans toewijzen en zal zij de vordering in reconventie aanhouden in afwachting van bewijslevering door Eiseres.

Gedaagde zal als de in conventie in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld worden in de kosten van de procedure in conventie.

4. De uitspraak

De rechtbank:

In conventie

stelt de wijze van verdeling van het gemeenschappelijk onroerend goed tussen partijen als volgt vast:

de onroerende zaak staande en gelegen te Landgraaf, de daarop rustende hypothecaire verplichting, met de daaraan gekoppelde spaarpolis wordt toegescheiden aan Gedaagde;

veroordeelt Gedaagde om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Eiseres binnen 14 dagen nadat het vonnis onherroepelijk is geworden te betalen een bedrag van € 32.433,62

(f. 71.474,29), zijnde de helft van de overwaarde van voornoemde onroerende zaak, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 oktober 2000 tot de dag der

algehele voldoening, zulks onder de verplichting van Eiseres om haar medewerking te verlenen aan transport van die onroerende zaak en de daarop rustende hypothecaire verplichting met de daaraan gekoppelde spaarpolis op naam van gedaagde,

stelt de wijze van verdeling van de gemeenschappelijke pony's tussen partijen als volgt vast:

de pony's worden toegescheiden aan Gedaagde;

veroordeelt Gedaagde om tegen behoorlijk bewijs van kwijting binnen 14 dagen nadat het vonnis onherroepelijk is geworden aan Eiseres € 3.176,46 (f. 7.000,-) te betalen als zijnde de de helft van de waarde van de pony's, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 oktober 2000 tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt Gedaagde in de kosten van dit geding aan de zijde van Eiseres gerezen en tot op heden begroot op € 47,03 aan dagvaardingskosten, € 93,- aan vastrecht, en € 1.497,47 voor salaris procureur, op de voet van het bepaalde in artikel 57b Rv (oud) te voldoen aan de griffier van deze rechtbank;

In reconventie

laat Eiseres toe om door alle middelen rechtens, allereerst door middel van getuigen, te bewijzen dat Gedaagde de p.c. die zij bij het einde van de samenleving heeft meegenomen aan haar heeft geschonken;

bepaalt dat het getuigenverhoor zal worden gehouden in het gerechtsgebouw te Maastricht aan het St. Annadal 1 op een datum en tijdstip als door de rechtbank zal worden bepaald, nadat bij akte heeft opgegeven of getuigen zullen worden voorgebracht, in dat geval onder opgave van het aantal en - zo mogelijk - de personalia van de getuigen;

verwijst de zaak naar de rol van 13 juni 2002 met peremptoirstelling voor akte houdende opgave getuigen aan de zijde van Eiseres, alsmede voor akte houdende verhinderdata in de eerste vier maanden vanaf de datum van opgave aan de zijde van beide partijen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. De Kerpel-van de Poel, rechter, en ter openbare terechtzitting uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.