Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2002:AE2740

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
15-05-2002
Datum publicatie
21-05-2002
Zaaknummer
74368
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE MAASTRICHT

Zaaknummer: 74368 / KG ZA 02-141

Datum uitspraak: 15 mei 2002 (bij vervroeging)

VONNIS IN HET KORT GEDING VAN:

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [Eiseres],

eiseres bij exploot van dagvaarding in kort geding d.d. 4 april 2002,

gevestigd en kantoor houdende te Weert,

procureur: mr. R.H.M. Wagemans,

tegen:

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [Gedaagde],

gedaagde,

gevestigd en kantoor houdende te Ingber, gemeente Gulpen-Wittem,

procureur: mr. F.G.F.M. Tripels

1. Het verloop van de procedure

1.1 Eiseres heeft gedaagde in kort geding gedagvaard.

1.2 Ten dienende dage, 6 mei 2002, heeft eiseres gesteld en gevorderd overeenkomstig de inhoud van de dagvaarding. Ter terechtzitting heeft zij haar vordering, onder verwijzing naar op voorhand ingezonden producties, nader doen toelichten aan de hand van overgelegde pleitaantekeningen.

1.3 Gedaagde heeft aan de hand van overgelegde pleitaantekeningen verweer doen voeren, daarbij eveneens verwijzend naar op voorhand ingezonden producties.

1.4 Eiseres heeft gere- en gedaagde heeft gedupliceerd.

1.5 Ten slotte hebben partijen om vonnis verzocht. De uitspraak van het vonnis is bij vervroeging bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1 Gedaagde heeft voor eiseres (als nader te noemen volmachtgever) van een zekere mevrouw [betrokkene A] een drietal te Geleen gelegen percelen gekocht (de percelen waren belast met een voorkeursrecht krachtens de Wet Voorkeursrecht Gemeenten (WVG)).

2.2 Op 29 augustus 2000 hebben partijen een akte ondertekend, volgens welke eiseres ter zake een bedrag ad fl. 803.000,- vermeerderd met BTW ten titel van provisie aan gedaagde verschuldigd is, te voldoen in termijnen, waarvan fl. 400.000,- vermeerderd met BTW uiterlijk op 31 december 2001.

2.3 Op 15 december 2000 zijn de percelen aan eiseres geleverd en heeft eiseres daarop ten behoeve van gedaagde een recht van eerste hypotheek verleend tot fl. 750.000,-, strekkende tot zekerheid voor de betaling van de door eiseres aan gedaagde verschuldigde bedragen.

2.4 Van de hypotheekakte maakt een beding deel uit, luidende als volgt:

10. Rangwisseling

Hypotheeknemer verplicht zich jegens hypotheekgever om op verzoek van laatstgenoemde onvoorwaardelijk medewerking te verlenen aan rangwisseling indien hypotheekgever ten behoeve van een derde een recht van eerste hypotheek wil vestigen op het verbondene.

2.5 In verband met de betaling van voormeld bedrag van fl. 400.000,- vermeerderd met omzetbelasting, heeft gedaagde eiseres een op 14 december 2001 gedateerde factuur laten toekomen.

2.6 Met een beroep op een in haar optiek bestaande, aan de op 29 augustus 2000 gesloten overeenkomst derogerende, mondelinge afspraak, welke met zich bracht dat het bedrag ad fl. 400.000,- (nog) niet verschuldigd was, heeft eiseres aanvankelijk geweigerd deze factuur te voldoen.

2.7 Gedaagde heeft daarop kenbaar gemaakt voornemens te zijn tot uitwinning van de door hypotheek verbonden onroerende zaken over te gaan.

2.8 Eiseres heeft vervolgens, zij het onder protest, aangeboden het bedrag van fl. 400.000,-vermeerderd met omzetbelasting, aan gedaagde te betalen. Teneinde daartoe te kunnen overgaan heeft eiseres, opdat zij haar financier de gewenste hypothecaire zekerheid zou kunnen verschaffen, gedaagde verzocht als eerste hypotheekhouder "op te staan" en aan de bedongen rangwisseling haar medewerking te verlenen (zulks door ondertekening van de noodzakelijke documenten ten kantore van notaris mr. W.H.M. Verhallen te Weert).

2.9 Gedaagde heeft met een beroep op een opschortingsrecht geweigerd aan de gewenste rangwisseling mee te werken.

2.10 Eiseres stelt dat gedaagde vanwege het onvoorwaardelijk karakter van de verplichting tot medewerking aan de rangwisseling alsmede het bestaan van schuldeisersverzuim aan de zijde van gedaagde, geen opschortingsrecht toekomt en gedaagde niet bevoegd is de gewenste uitwinning door te zetten. De gevraagde voorzieningen zijn hierdoor ingegeven.

2.11 Ten slotte stelt eiseres dat de gemeente Sittard-Geleen krachtens de Wet Voorkeursrecht Gemeenten de nietigheid dreigt in te roepen van "alle overeenkomsten die samenhangen met de betreffende percelen". Zulks brengt haar tot het standpunt dat zij alsdan in het geheel niets meer aan gedaagde zal behoeven te voldoen, hetgeen naar haar oordeel een zelfstandige grond vormt voor toewijzing van de gevraagde voorzieningen.

2.12 Eiseres heeft gevorderd, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair

gedaagde te verbieden om executiemaatregelen te nemen ter inning van haar pretense vordering uit hoofde van de tussen partijen op 29 augustus 2000 gesloten overeenkomst, zulks op straffe van een dwangsom van € 100.000,-, althans van een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere overtreding van dit verbod;

subsidiair

gedaagde te gebieden om medewerking te verlenen aan de in artikel 10 van de hypotheekakte van 15 december 2000 voorziene rangwisseling door op eerste verzoek van notaris mr. Verhallen binnen een termijn van drie dagen de voor de rangwisseling noodzakelijke documenten te tekenen, zulks op straffe van een dwangsom van € 100.000,-, althans van een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere dag dat gedaagde in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen;

met veroordeling van gedaagde in de kosten van het geding.

2.13 Gedaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3. De beoordeling

3.1 De aard van de zaak brengt een voldoende spoedeisend belang bij de gevraagde voorzieningen met zich.

3.2 Vooreerst heeft gedaagde gesteld dat een vennootschap onder de naam [x] weliswaar partij is geweest bij de overeenkomsten van 29 augustus en 15 december 2000, maar deze door middel van een statutenwijziging op 29 januari 2001 haar naam heeft doen wijzigen in [y] (onderstreping toegevoegd). Nu met haar, zo stelt zij, laatstgenoemde vennootschap niet in het geding is betrokken, dienen de gevraagde voorzieningen, aldus gedaagde, al daarom te worden geweigerd.

3.3 Deze zienswijze kan niet worden aanvaard. Anders dan gedaagde kennelijk ingang wil doen vinden, is vorenbedoelde naamswijziging als zodanig uit het handelsregister niet kenbaar, zoals de overgelegde uittreksels ook uitwijzen. Geheel daargelaten of eiseres inzage in dat register heeft genomen, kan de zich inmiddels voltrokken wijziging haar dan niet worden tegengeworpen. Dat in de correspondentie enkele malen de naam [y] is gevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Dat enkele feit moet ten enenmale onvoldoende worden geacht om eiseres op het goede spoor te zetten, zoals zij ook heeft aangevoerd.

3.4 Zo gedaagde wil stellen dat er verwarring kan ontstaan nu, zoals zij heeft uiteengezet, haar bestuurders in januari 2002 onder de (oude) naam [x] een nieuwe vennootschap het licht hebben doen zien, welke met de onderhavige kwestie niets van doen heeft, dan kan haar dat evenmin baten. Uit het betoog zoals zij dat voor het overige heeft ontvouwd blijkt immers dat het voor haar van meet af aan luce clarius is geweest op welke vennootschap eiseres hier het oog heeft (die namelijk, wier naam in januari 2001 is gewijzigd in [y]).

3.5 Eiseres heeft zich op haar beurt beroepen op een van het op 29 augustus 2000 ondertekende document afwijkende, mondelinge afspraak, waarvan de precieze inhoud en strekking hier kunnen blijven rusten, doch welke er zeer kort gezegd op neerkomt dat zij het genoemde bedrag ad fl. 400.000,- vermeerderd met omzetbelasting niet uiterlijk 31 december 2001 behoefde te voldoen en dit bedrag thans nog steeds niet verschuldigd is. Gedaagde heeft zich daartegen verweerd, in de kern ten betoge strekkend dat de mondelinge afspraak niet is gemaakt.

3.6 Daargelaten dat de (nagenoeg blote) stelling van eiseres gedaagde kennelijk aanleiding heeft gegeven voor een zeer uitvoerig betoog, moet al aanstonds geoordeeld worden dat de hier aangesneden kwestie een nader onderzoek naar feiten en omstandigheden vergt, waarvoor in kort geding geen plaats is. In zoverre valt voor eiseres dan ook het doek.

3.7 Gezien het vorenoverwoge zal er in dit geding verder van worden uitgegaan dat partijen gehouden zijn tot hetgeen is neergelegd in de overeenkomst van 29 augustus 2000, welke, afgezien van het zo-even besproken onderdeel, door eiseres ook niet wordt betwist. Dit leidt er vooreerst toe, dat aangenomen moet worden dat het bedrag ad fl. 400.000,- vermeerderd met omzetbelasting uiterlijk op 31 december 2001 betaald had moeten worden, zodat eiseres, nu dit niet is geschied, in verzuim verkeert.

3.8 Tegen die achtergrond is van belang dat eiseres het navolgende aan de orde heeft gesteld. Nadat gedaagde aanstalten maakte over te gaan tot executie van de door hypotheek verbonden zaken heeft eiseres het aanbod gedaan het bedrag van fl. 400.000,- vermeerderd met omzetbelasting alsnog (onder protest) aan gedaagde te voldoen, in verband waarmee zij gedaagde heeft verzocht aan een (door de financier gewenste) rangwisseling met haar recht van eerste hypotheek mee te werken. Gedaagde heeft zich echter op het standpunt gesteld haar verplichting daartoe te kunnen opschorten.

3.9 Daartegen nu heeft eiseres zich gekant. Zij heeft haar standpunt aldus toegelicht, dat gedaagde zich blijkens de tekst van het betreffende beding "onvoorwaardelijk" tot rangwisseling heeft verbonden, waarmee haar geen opschortingsrecht toekomt. Bovendien, zo stelt eiseres, is gedaagde door te weigeren op haar aanbod in te gaan in schuldeisersverzuim komen te verkeren. Zulks heeft, aldus eiseres, haar eigen verzuim doen eindigen (artikel 6: 61 BW) en staat bovendien aan de voorgenomen executie in de weg (artikel 6: 62 BW).

3.10 Gezien de inrichting van de gevraagde voorzieningen moet vooreerst de vraag worden beantwoord of gedaagde in schuldeisersverzuim verkeert. In dat verband is van belang dat gedaagdes voormelde weigering, zoals zij ter zitting heeft doen uitkomen, onder meer daardoor wordt ingegeven dat eiseres náást het bedrag van fl. 400.000,- vermeerderd met omzetbelasting, niet bereid is -hetgeen eiseres ter zitting heeft bevestigd- de uit hoofde van de overeenkomst van 29 augustus 2000 verschuldigde boete van fl. 80.000,- wegens te late betaling alsmede de wettelijke rente (desnoods onder protest) te voldoen. Daarom vindt zij dat zij op haar beurt het aanbod van eiseres van de hand mag wijzen.

3.11 De hier (geparafraseerd) weergegeven gedachtengang treft doel nu zij onmiskenbaar steun vindt in artikel 6: 86 BW. Zulks kan slechts tot de conclusie leiden dat gedaagde de aangeboden nakoming kan weigeren zonder zelf in schuldeisersverzuim te geraken. Met dit oordeel komt aan het primair gevorderde executieverbod de grondslag in zijn geheel te ontvallen.

3.12 Aldus ligt de subsidiaire vordering, in de kern daartoe strekkende dat gedaagde wordt geboden aan rangwisseling mede te werken, ter beoordeling voor. In feite moet dan bezien worden of gedaagde het door haar ingeroepen opschortingsrecht toekomt.

3.13 Eiseres heeft in dat verband aangevoerd dat het woord "onvoorwaardelijk" in het beding dat gedaagde tot medewerking aan rangwisseling verplicht, meebrengt dat gedaagde die verplichting uit haar aard niet kan opschorten. Gedaagde heeft deze (nauwelijks nader uitgewerkte) stelling betwist.

3.14 De door eiseres voorgestane zienswijze kan voorshands niet worden gedeeld. Hoewel de letter op het eerste gezicht wellicht steun lijkt te bieden voor dit standpunt, zal toch moeten worden aangenomen dat het met de in het betreffende beding opgenomen onvoorwaardelijke verplichting gaat om (niet meer dan) de tegenhanger van de in artikel 6: 21 BW geregelde voorwaardelijke verbintenis, en mitsdien slechts, zo men wil, om het "normaaltype". Zo bezien stelt gedaagde, anders dan eiseres meent, dan ook geen nadere voorwaarden door aanspraak te maken op nakoming van (een verbintenis uit) de overeenkomst zelf.

3.15 Doch ook als men in aanmerking neemt dat het niet in de eerste plaats aankomt op de letter, maar, kort gezegd, op hetgeen partijen bij het aangaan van het beding redelijkerwijs voor ogen heeft gestaan, is het standpunt van eiseres geen beter lot beschoren. Het komt er immers op neer dat gedaagde aan een gewenste rangwisseling haar medewerking niet mag onthouden, óók indien eiseres zelf zich aan de meest elementaire contractsverplichtingen hoegenaamd niets gelegen zou laten liggen. Zeker nu het hypothecaire beding, dat toch tot zekerheid voor de nakoming strekt, daardoor praktisch betekenisloos zou worden, kan gedaagde zulks bezwaarlijk hebben bedoeld. Dat moet ook eiseres hebben begrepen.

3.16 Voor zover de opschorting door eiseres nog wordt bestreden met een beroep op aan de zijde van gedaagde ontstaan schuldeisersverzuim (artikel 6: 54 onder a BW) loopt het stuk op het daaromtrent eerder overwogene.

3.17 Eiseres heeft ten slotte nog gesteld dat de gemeente Sittard-Geleen krachtens de Wet Voorkeursrecht Gemeenten, naar kan worden begrepen, (onder meer) de van 29 augustus 2000 daterende overeenkomst dreigt nietig te verklaren. Gedaagde heeft zulks gemotiveerd bestreden, in welk verband zij zich op het standpunt heeft gesteld dat bedoelde overeenkomst niet (meer) aan nietigverklaring zijdens de gemeente bloot staat.

3.18 Het hier (in extenso) weergegeven debat is dermate weinig uitgewerkt dat het in het bestek van dit geding niet tot een beslissing kan leiden. Nu in dit geding bovendien geen nader onderzoek kan worden verricht, zal de stelling van eiseres als onvoldoende aannemelijk moeten worden gepasseerd.

3.19 De gevraagde voorzieningen moeten worden geweigerd.

3.20 Eiseres zal als in het ongelijk gestelde partij de kosten van het geding moeten dragen.

4. Uitspraak

De voorzieningenrechter van de rechtbank te Maastricht;

RECHT DOENDE in kort geding:

Weigert de gevraagde voorzieningen;

Veroordeelt eiseres in de kosten van het geding, aan de zijde van gedaagde gerezen en tot aan deze uitspraak begroot op een bedrag van € 896,36, waarvan € 193,- wegens verschuldigd vast recht en € 703,36 voor salaris procureur;

Verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. A.M. Adelmeijer, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting in het bijzijn van de griffier.

RQ