Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2002:AE1345

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
08-02-2002
Datum publicatie
11-04-2002
Zaaknummer
71840 / JE RK 02-14
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Maastricht

VERLENGING ONDERTOEZICHTSTELLING

zaaknr.: 71840 / JE RK 02-14

Datum uitspraak: 8 februari 2002

BESCHIKKING

van de Kinderrechter in bovenvermelde Rechtbank, gegeven in de zaak met betrekking tot de ondertoezichtstaande minderjarige:

[S.] [X.], geboren te [M.] (Somalië) op [xx juni] 1984,

kind van:

[S.] [X.], overleden

en

[Lua] [Y.],

wonende te [V., N-weg] 13.

1. Het verloop van de procedure:

De Kinderrechter heeft bij beschikking van 16 februari 2001 de ondertoezichtstelling met ingang van

16 februari 2001 uitgesproken voor de tijd van een jaar.

Op 7 januari 2002 heeft de gezinsvoogdij-instelling een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling ingediend.

Daarbij is overgelegd het hulpverleningsplan en een verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling.

Op 7 februari 2002 heeft de Kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

2. Beoordeling:

Op grond van de verkregen informatie van de gezinsvoogdij-instelling zoals in opgemeld verzoek aangegeven en ter zitting aangevuld, alsmede door de ter terechtzitting van 7 februari 2002 door de aldaar aanwezige personen afgelegde verklaringen, is de Kinderrechter van oordeel dat in het belang van de minderjarige de termijn van de ondertoezichtstelling dient te worden verlengd, nu de gronden voor de ondertoezichtstelling nog aanwezig zijn.

De Kinderrechter heeft bij Zijn beslissing tot verlenging van de ondertoezichtstelling, naast voornoemde informatie, met name de hierna te vermelden overweging laten meewegen naar aanleiding van het Verdrag inzake de rechten van het kind:

a. Het verdrag dient door de (Kinder-)rechter ambtshalve te worden toegepast zodra met betrekking tot minderjarigen beslist moet worden. Deze plicht geldt, gelet op het bepaalde in art. 3, ook voor bestuursintanties als de IND;

b. Het belang van het onderhavige kind kan kort omschreven worden als het recht op een optimale persoonsvorming en evident is dat de Nederlandse overheid terzake expliciete plichten heeft.

Artikel 3, eerste lid, van voornoemd Verdrag bepaalt immers dat bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging;

c. Het vorenstaande houdt in dat niet enkel de Kinderrechter de plicht heeft tot het horen van de minderjarige doch dat ook andere (overheids-)instanties zich niet aan die plicht mogen onttrekken. Art. 12 bepaalt dat het kind dat in staat is zijn of haar eigen mening te vormen, het recht heeft die mening vrijelijk te uiten in alle aangelegenheden die het kind betreffen, waarbij aan de mening van het kind passend belang wordt gehecht in overeenstemming met zijn of haar leeftijd en rijpheid enz.

d. Voorts bepaalt artikel 22 eerste lid van voornoemd Verdrag dat de Staten die partij zijn, hetgeen voor Nederland reeds jaren het geval is, passende maatregelen nemen om te waarborgen dat een kind dat de vluchtelingenstatus wil verkrijgen of dat in overeenstemming met het toepasselijk internationale of nationale recht en de toepasselijke procedures als vluchteling wordt beschouwd, ongeacht of het al dan niet door zijn of haar ouders of door iemand anders wordt begeleid, passende bescherming en humanitaire bijstand krijgt bij het genot van de van toepassing zijnde rechten beschreven in dit Verdrag en in andere internationale akten inzake de rechten van de mens of humanitaire akten waarbij de bedoelde Staten partij zijn.

Ofschoon Somalië niet behoort tot één van de Verdragssluitende Staten, is de Kinderrechter van oordeel dat dit Verdrag ook op deze zaak van toepassing is, nu artikel 3 eerste lid van voornoemd Verdrag niet verwijst naar de Verdragssluitende Staten en derhalve Somalië niet uitsluit.

De Kinderrechter is gebleken dat het gezin [X-Y], van welk gezin de minderjarige S. deel uitmaakt, reeds gedurende 7 jaren te maken heeft met een lopende procedure tot het verstrekken van een verblijfsvergunning en dat tot op de dag van vandaag in die procedure nog geen einduitspraak is gedaan. Daardoor verkeert de minderjarige Shaïb, en met hem het hele gezin, gedurende lange tijd in grote, zo niet bijna onmenselijke, onzekerheid.

De Kinderrechter is van oordeel dat alleen al die jarenlange onzekerheid waarin dit gezin verkeert, heeft kunnen leiden tot -naar luid van artikel 1:254 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek: "een situatie waarin een minderjarige zodanig opgroeit dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig wordt bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of naar is te voorzien zullen falen"- welke geschetste situatie de grond is voor ondertoezichtstelling van de minderjarige van een gezinsvoogdij-instelling, hetgeen in casu is geschied bij beschikking van de Kinderrechter van 16 februari 2001 en welke ondertoezichtstelling thans dient te worden verlengd aangezien de noodzaak daartoe vanwege de niet gewijzigde situatie nog steeds volop aanwezig is.

De Kinderrechter is voorts van oordeel dat het Verdrag bepaalt dat het belang van het kind steeds per individueel kind tot maatstaf genomen dient te worden en dat niet het belang van het kind als onderdeel van een gezinssysteem, dus als element van een collectiviteit beoordeeld moet worden. Het gaat dus niet aan de beoordeling van de belangen van de kinderen van het onderhavige gezin ondergeschikt te maken aan de beoordeling van het belang c.q. recht van hun moeder.

De Kinderrechter merkt daarnaast nog ten overvloede op dat de jongste minderjarige in Duitsland geboren is en in het geheel geen binding verondersteld kan worden met Somalië, welke binding eveneens minimaal is te achten ten aanzien van de minderjarigen [Gr en Gl].

Samengevat is de Kinderrechter van oordeel dat de jarenlange onzekerheid voor de betrokken minderjarige tenminste een zeer belangrijke, zo niet doorslaggevende factor is om tot verlenging van de via de ondertoezichtstelling geboden begeleiding te besluiten.

3. Beslissing:

Verlengt de termijn van de ondertoezichtstelling ten aanzien van voornoemde minderjarige met ingang van 16 februari 2002 voor de duur van een jaar, met behoud van de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg als gezinsvoogdij-instelling.

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.T.M. Bröcker, Kinderrechter, en in het openbaar op

8 februari 2002 uitgesproken in tegenwoordigheid van M.J.G. Dorren-Eggen als Griffier.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een procureur (advocaat) - hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de Griffier) is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.