Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2002:AE1028

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
26-03-2002
Datum publicatie
03-04-2002
Zaaknummer
73283 / JE RK 02-257
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Maastricht

Verzoek ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing

zaaknr.: 73283 / JE RK 02-257

Datum uitspraak: 26 maart 2002

BESCHIKKING

van de kinderrechter in bovenvermelde rechtbank, gegeven in de zaak met betrekking tot de ondertoezichtstaande minderjarige:

Marcel D. H. X, geboren te S. op 10 xxxxxxxx 1999,

kind van:

H. M. J. X en A. Y.,

beiden wonende te G, Vouwstraat.

1. Het verloop van de procedure:

De kinderrechter heeft bij beschikking van 10 april 2001 de ondertoezichtstelling met ingang van

24 maart 2001 verlengd voor de tijd van een jaar.

In het belang van de verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarige heeft de kinderrechter bij beschikking van 10 april 2001 machtiging verleend tot verlenging van de plaatsing van voornoemde minderjarige in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 24 maart 2001 voor de tijd van een jaar.

Op 11 maart 2002 heeft de gezinsvoogdij-instelling een verzoek tot verlenging van de ondertoezicht-stelling ingediend en tevens verzocht een machtiging tot verlenging van de termijn van de uithuis-plaatsing te verlenen in het belang van de verzorging en de opvoeding van voornoemde minderjarige. Daarbij is overgelegd het hulpverleningsplan en een verslag van het verloop van de ondertoezicht-stelling.

2. Beoordeling:

De gezinsvoogdij-instelling heeft voornoemde verzoeken minder dan twee weken voor het verstrijken van de in voornoemde beschikking genoemde termijn bij de rechtbank ingediend.

Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de bepaling van artikel 1:265 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek is opgenomen om de Raad voor de Kinderbescherming in de gelegenheid te stellen zich tijdig en gedocumenteerd in de procedure te kunnen mengen.

Ten einde de Raad voor de Kinderbescherming voldoende tijd te gunnen zich in de procedure te mengen en om de griffier van de rechtbank in de gelegenheid te stellen alle belanghebbenden tijdig voor een zitting op te roepen, is, na overleg tussen het Ministerie van Justitie, de kinderrechters, de Raad voor de Kinderbescherming en de Stichting Vedivo, bepaald dat de termijn van indiening van een verzoek als hier bedoeld is gesteld op acht weken vóór het verstrijken van de termijn van de ondertoezichtstelling. Deze bepaling is vermeld in een bijlage die gevoegd is bij een brief d.d. 7 december 1995 van de Stichting Vedivo aan de leden van het Algemeen Bestuur van de Stichting Vedivo.

De termijn gelegen tussen datum van indiening van dit verzoek en de datum waarop de ondertoezichtstelling eindigt is voor de Raad voor de Kinderbescherming niet voldoende om zich nog te mengen in deze procedure.

Voorts is de door de gezinsvoogdij-instelling aangehouden termijn volstrekt onvoldoende de belanghebbenden de reële kans op een behoorlijk voorbereid verweer te bieden, terwijl de verbetering van de rechtsbescherming toch een der hoofddoelen van de thans vigerende wetgeving is geweest.

Uitsluitend in het belang van de minderjarige, hetwelk, gelet op artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, in casu de eerste overweging dient te vormen, had de kinderrechter de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing willen verlengen voor de duur van één maand met aanhouding van het verzoek voor de overige verzochte elf maanden, zodat de belanghebbenden kort na het verstrijken van de termijn van de ondertoezichtstelling alsnog door de kinderrechter gehoord hadden kunnen worden en de gezinsvoogdij-instelling niet opnieuw een verzoekschrift met bijbehorende rapportage had behoeven in te dienen.

Blijkens een telefonische mededeling van de staffunctionaris van de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg afdeling Sittard, dhr. A.. Z, is de kinderrechter gebleken dat deze functionaris voornoemde termijn slechts gesteld wenst te zien op een half jaar en niet op een maand zoals de kinderrechter voornemens was te doen.

De heer Z. heeft daartoe gesteld dat de uitvoering van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing op deze manier het beste gewaarborgd zal worden.

De kinderrechter is van oordeel dat een uitstel van zes maanden volstrekt voorbij gaat aan het recht van de belanghebbenden om tijdig gehoord te worden. Een uitstel van één maand doet dat ook, echter om de ingezette hulpverlening niet af te breken door de gezinsvoogdij-instelling niet ontvankelijk te verklaren omdat het verzoek niet tijdig ter zitting behandeld kon worden, koos de kinderrechter voor voornoemde, het meest in het belang van de minderjarige zijnde, oplossing.

Nu de gezinsvoogdij-instelling hier niet aan wenst mee te werken, rest de kinderrechter niets anders dan de gezinsvoogdij-instelling niet ontvankelijk te verklaren in haar verzoek. De kinderrechter gaat ervan uit dat de hierdoor voor Marcel opgelopen schade tot een minimum beperkt zal blijven, en - voor zover deze toch optreedt - de gezinsvoogdij-instelling, desnoods in samenwerking met het Bureau Jeugdzorg, deze voor haar rekening zal nemen nu toch de veel te late indiening van het verlengingsverzoek, noch haar daaropvolgende reactie voldoen aan haar plicht uit het Verdrag en artikel voornoemd, en deze eventuele schade voor de gezinsvoogdij-instelling dus voorzienbaar is geweest.

Uit de inhoud van de door de gezinsvoogdij-instelling overgelegde stukken is de kinderrechter bovendien nog gebleken dat de gezinsvoogdij-instelling ook in het jaar 2001 de verzoeken tot verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing ten aanzien van deze minderjarige eveneens zó laat heeft ingediend, dat de behandeling niet meer kon plaatsvinden vóór het verstrijken van de ondertoezicht-stellingstermijn.

3. Beslissing:

Verklaart de gezinsvoogdij-instelling niet ontvankelijk in haar verzoek.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.T.M. Bröcker, Kinderrechter, en in het openbaar op

26 maart 2002 uitgesproken in tegenwoordigheid van L.M.H. Beckers als Griffier.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een procureur (advocaat) - hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de Griffier) is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.