Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2002:AE0793

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
26-03-2002
Datum publicatie
28-03-2002
Zaaknummer
03/008042-99, 03/095052-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Feitelijk leiding geven aan het opzettelijk onvolledig opgave doen van het door de werknemers van een B.V. genoten loon, het opzettelijk onjuist en onvolledig doen van bij de Belastingwet voorziene aangiften loonbelasting/Premie volksverzekeringen en het opzettelijk onjuist en onvolledig doen van bij de Belastingwet voorziene aangiften omzetbelasting en vennootschapsbelasting.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 68
Algemene wet inzake rijksbelastingen 68
Algemene wet inzake rijksbelastingen 69
Coördinatiewet Sociale Verzekering 10
Coördinatiewet Sociale Verzekering 18
Wetboek van Strafrecht 51
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummers:03/008042-99, 03/095052-01

Datum uitspraak: 26 maart 2002

RECHTBANK MAASTRICHT

VONNIS

op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboortedatum],

wonende te [adres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 maart 2002.

De tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

in de zaak met parketnummer 03-008042/99:

1.

[naam B.V.] in of omstreeks de periode van 1 januari 1997 tot en met 31 december 1998 in het arrondissement Maastricht, in elk geval in Nederland, meermalen althans eenmaal, als werkgeefster, opzettelijk de in artikel 10 lid 2 van de Coördinatiewet sociale verzekering bedoelde verplichting(en) niet en/of niet juist en/of niet volledig is nagekomen, hierin bestaande dat [naam B.V.], (telkens) als werkgeefster, met dat opzet -met inachtneming van de door de Minister van Sociale zaken en werkgelegenheid daaromtrent te stellen regels- aan de bedrijfsvereniging en/of aan het Landelijk instituut sociale verzekeringen geen en/of onjuiste en/of onvolledige opgave(n) heeft gedaan van het door de werknemers van [naam B.V.] genoten loon, zulks terwijl hij, verdachte, tot de/het bovenomschreven feit(en) (telkens)opdracht heeft gegeven en/of aan die verboden gedraging(en) (telkens)feitelijk leiding heeft gegeven;

2.

[naam B.V.] in of omstreeks de periode van 1 januari 1997 tot en met 3 februari 1999 in het arrondissement Maastricht, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten:

- de/een aangifte(n) loonbelasting/Premie volksverzekeringen over het eerste kwartaal 1997 en/of het tweede kwartaal 1997 en/of het derde kwartaal 1997 en/of het vierde kwartaal 1997 en/of het eerste kwartaal 1998 en/of het tweede kwartaal 1998 en/of het derde kwartaal 1998 en/of het vierde kwartaal 1998, onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft [naam B.V.] (telkens) met dat opzet op de/het bij de inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Maastricht ingeleverde aangiftebiljet(ten) loonbelasting/Premie volksverzekeringenover genoemd(e) kwarta(a)l(en)/periode(n) (telkens) een te laag belastbaar bedrag, althans (telkens) een te laag bedrag aan belasting opgegeven, terwijl dat feit (telkens) ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, tot het plegen van welk(e) vorenomschreven strafbare feit(en) hij, verdachte, (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) hij, verdachte, (telkens) leiding heeft gegeven;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 1997 tot 1 april 1998 in het arrondissement Maastricht, in elk geval in Nederland, opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de inkomstenbelasting over het jaar 1997 onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft verdachte met dat opzet op het bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Maastricht ingeleverde aangiftebiljet(ten) P Inkomstenbelasting/Premie volksverzekeringen over het jaar 1997 een te laag inkomen, althans een te laag belastbaar bedrag, althans een te laag bedrag aan belasting opgegeven, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

4.

[Naam B.V. 2] in of omstreeks de periode van 1 januari 1997 tot en met 1 februari 1999 in het arrondissement Maastricht, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten:

- de/een aangifte(n) voor de omzetbelasting over het eerste kwartaal 1997 en/of het tweede kwartaal 1997 en/of het derde kwartaal 1997 en/of het vierde kwartaal 1997 en/of het eerste kwartaal 1998 en/of het tweede kwartaal 1998 en/of het derde kwartaal 1998 en/of het vierde kwartaal 1998 en/of

- de aangifte(n) vennootschapsbelasting over het jaar 1997onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft [Naam B.V. 2] (telkens) met dat opzet op de/het bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Maastricht ingeleverde aangiftebiljet(ten) omzetbelasting en/of vennootschapsbelasting over genoemd(e) kwarta(a)l(en) en/of jaar/jaren (telkens) een te laag belastbaar bedrag, althans (telkens) een te laag bedrag aan belasting opgegeven, terwijl dat feit (telkens) ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, tot het plegen van welk(e) vorenomschreven strafbare feit(en) hij, verdachte, (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) hij, verdachte, (telkens) leiding heeft gegeven;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

In de zaak met het parketnummer 03/095052-01:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 april 2001 tot en met 19 juli 2001 in de gemeente Heerlen, in elk geval in Nederland en/of elders binnen het grondgebied van de Europese Gemeenschap, meermalen, te weten op 27 april 2001, 6 mei 2001, 2 juli 2001, 4 juli 2001, en 19 juli 2001, althans eenmaal, als werknemer in of op een controlemiddel, te weten een registratieblad, onjuiste gegevens en/of onjuiste aantekeningen heeft gesteld of doen stellen en/of heeft toegelaten dat zij daarin of daarop gesteld werden,

- door (telkens) op een (gebezigd) registratieblad minder kilometers te doen registreren, dan het werkelijk aantal gereden kilometers en/of

- door (telkens) op een registratieblad als plaats van bestemming (aan het einde van het gebruik van het registratieblad) te doen vermelden "Hoensbroek" in plaats van "Urmond" en/of een andere plaats (elders) in Nederland,

zulks terwijl hij, verdachte, dit economische delict opzettelijk heeft begaan;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 april 2001 tot 5 juli 2001 in de gemeente Heerlen, in elk geval in Nederland, en/of elders binnen het grondgebied van de Europese Gemeenschap, meermalen, te weten op 27 april 2001, 2 juli 2001 en 4 juli 2001, althans eenmaal heeft gehandeld in strijd met de/het artikel(en) 1, 3 en/of 13 tot en met 16 van de verordening (EEG) nr. 3821/85,door (telkens) geen registratieblad te gebruiken in een controleapparaat, te weten een tachograaf, in een voertuig, dat was bestemd voor het vervoer over de weg van personen, zulks terwijl hij, verdachte, dit economische delict opzettelijk heeft begaan;

Kenbaar gemaakte schrijffouten

In de tenlastelegging in de zaak met parketnummer 03-008042/99 staat vermeld:

in de laatste regel van het onder 2 tenlastegelegde: "leiding heeft gegeven" in plaats van: "feitelijke leiding heeft geven";

in de derde regel van het onder 2 tenlastegelegde: "na Nederland" wordt ingevoegd "meermalen";

in de tweede regel van het onder 4 tenlastegelegde: "na Maastricht" wordt ingevoegd "meermalen";

in regel 12 van het onder 4 tenlastegelegde: "verdachte" in plaats van: "[Naam B.V. 2]" en

in de laatste regel van het onder 4 tenlastegelegde: "leiding heeft gegeven" in plaats van: "feitelijke leiding heeft gegeven".

In de tenlastelegging in de zaak met parketnummer 03-095052-01 staat vermeld:

in de achtste regel van het onder 1 tenlastegelegde: "te registreren" in plaats van: "te doen registreren" en

in de elfde regel van het onder 1 tenlastegelegde: "te vermelden" in plaats van: "te doen vermelden".

De rechtbank herstelt deze kenbaar gemaakte schrijffouten, nu dit kan zonder dat de verdachte in zijn verdediging wordt geschaad. De officier van justitie heeft ter terechtzitting reeds aangegeven dat het schrijffouten betreft.

De geldigheid van de dagvaarding

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting - zakelijk weergegeven - betoogd: onder feit 1 op de dagvaarding, betreffende het onderzoek naar de feiten welke in het kalenderjaar 2001 zouden zijn begaan, is aan cliënten tenlastegelegd dat er - zakelijk weergegeven - onjuiste gegevens en/of onjuiste aantekeningen zijn gesteld op de registratiebladen.

De nadere omschrijving van dit feit is onderverdeeld in afzonderlijke passages, elk weergegeven met een eigen gedachtestreepje. De dagvaarding dient op dit punt partieel nietig verklaard te worden, omdat de hierna te noemen, aan client verweten gedraging onvoldoende feitelijk is omschreven en daardoor tevens onvoldoende duidelijk zijn.

Onder feit 1 op de dagvaarding met het parketnummer 30/095052-01 bij het eerste gedachtestreepje is als feitelijke omschrijving opgenomen:

"door (telkens) op een (gebezigd) registratieblad minder kilometers te registreren, dan het werkelijk aantal gereden kilometers".

De zojuist genoemde omschrijving is onvoldoende feitelijk te achten. Er wordt immers volstaan met de vermelding dat er minder kilometers zouden zijn geregistreerd dan werkelijk gereden, zonder dat vermeld wordt uit welke gedraging deze verweten feiten zouden hebben bestaan. Evenmin blijkt uit de dagvaarding op welke registratiebladen wordt gedoeld. Uit de omschrijving blijkt voorts niet op welke wijze van registratie van gereden kilometers wordt gedoeld.

Onder die omstandigheden dient geconcludeerd te worden dat de dagvaarding op dit punt onvoldoende feitelijk is omschreven, en bijgevolg - in zoverre - nietig behoort te worden verklaard.

De rechtbank is van oordeel, dat het voldoende duidelijk is op welke gedraging de tenlastelegging het oog heeft, waardoor deze ten aanzien van het eerste gedachtestreepje voldoende duidelijk is en er mitsdien geen strijd is met artikel 261 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank verwerpt derhalve het verweer.

Vrijspraak

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte in de zaak met parketnummer 03-008042/99 onder 3 en in de zaak met parketnummer 03/095052-01 onder 1 en 2 is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 03-008042/99 onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

[naam B.V.] in de periode van 1 januari 1997 tot en met 31 december 1998 in Nederland, twee maal, als werkgeefster, opzettelijk de in artikel 10, lid 2, van de Coördinatiewet sociale verzekering bedoelde verplichtingen niet volledig is nagekomen, hierin bestaande dat [naam B.V.], als werkgeefster, met dat opzet -met inachtneming van de door de Minister van Sociale zaken en werkgelegenheid daaromtrent te stellen regels- aan de bedrijfsvereniging of aan het Landelijk instituut sociale verzekeringen onvolledige opgaven heeft gedaan van het door de werknemers van [naam B.V.] genoten loon,

zulks terwijl hij, verdachte, aan die verboden gedragingen telkens feitelijke leiding heeft gegeven;

2.

[naam B.V.] in de periode van 1 januari 1998 tot en met 3 februari 1999 in het arrondissement Maastricht, meermalen opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten:

- de aangiften loonbelasting/Premie volksverzekeringen eerste kwartaal 1998 en het tweede kwartaal 1998 en het derde kwartaal 1998 en het vierde kwartaal 1998, onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft [naam B.V.] telkens met dat opzet op de bij de inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Maastricht ingeleverde aangiftebiljetten loonbelasting/Premie volksverzekeringen over genoemde kwartalen een te laag bedrag aan belasting opgegeven, terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven, aan welke verboden gedragingen hij, verdachte, telkens feitelijke leiding heeft gegeven;

4.

[Naam B.V. 2] in de periode van 1 juli 1997 tot en met 1 februari 1999 in het arrondissement Maastricht meermalen opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten:

- de aangiften voor de omzetbelasting over het tweede kwartaal 1997 en het derde kwartaal 1997 en het eerste kwartaal 1998 en het tweede kwartaal 1998 en het derde kwartaal 1998 en het vierde kwartaal 1998

en

- de aangifte vennootschapsbelasting over het jaar 1997 onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,

immers heeft [Naam B.V. 2] telkens met dat opzet op de bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Maastricht ingeleverde aangiftebiljetten omzetbelasting en vennootschapsbelasting over genoemde kwartalen en jaar een te laag belastbaar bedrag opgegeven, terwijl die feiten ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven, aan welke verboden gedragingen verdachte feitelijke leiding heeft gegeven.

Partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan verdachte in de zaak met parketnummer 03-008042/99 onder 1, 2 en 4 meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte de hierboven omschreven feiten heeft begaan, op feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op de strafbare feiten die moeten worden gekwalificeerd als volgt:

in de zaak met parketnummer 03/008042-99:

feit 1:

opzettelijk feitelijk leiding geven aan de verboden gedraging een der in artikel 10 van de Coördinatiewet sociale verzekering bedoelde verplichtingen niet nakomen, meermalen gepleegd,

voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 18 (oud) van de Coordinatiewet sociale verzekering juncto artikel 51, tweede lid, aanhef en onder 2°, van het Wetboek van Strafrecht;

feit 2 en feit 4:

opzettelijk feitelijk leidinggeven aan de verboden gedraging een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, meermalen gepleegd,

voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 68, eerste lid, aanhef en onder a. juncto tweede lid (oud) en artikel 69, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen juncto artikel 51, tweede lid, aanhef en onder 2°, van het Wetboek van Strafrecht.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straffen en maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straffen is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Bij de vaststelling van de hoogte van de hierna op te leggen geldboeten heeft de rekening gehouden met de financiële draagkracht van verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Ten aanzien van de zaak onder parketnummer 03/008042-99 overweegt de rechtbank als volgt:

Uit het proces-verbaal blijkt, dat in het kader van het onderzoek in deze zaak op 8 mei 1999 doorzoekingen hebben plaats gevonden onder meer van de woning van de verdachte. Uit deze doorzoekingen heeft de verdachte in redelijkheid mogen afleiden, dat er een tegen hem gericht strafrechtelijk onderzoek in gang was gezet, zodat voor de berekening van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, deze datum als begindatum kan worden genomen.

Naar het oordeel van de rechtbank is het recht op een openbare behandeling binnen een redelijke termijn hier geschonden. Bij afweging van de betrokken belangen, te weten het belang dat de gemeenschap ook na overschrijding van de redelijke termijn houdt bij normhandhaving door berechting en anderzijds het belang van verdachte bij het verval van het recht tot strafvervolging nadat die termijn is overschreden, zou een niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie geen passende reactie vormen.

De rechtbank merkt in dit verband nog op, dat zij bij de voormelde beslissing in haar beschouwing heeft meegewogen het feit, dat op 10 mei 2001 naar aanleiding van een controle blijkens het proces-verbaal nieuwe verdenkingen tegen onder meer de verdachte zijn gerezen.

Een dergelijke situatie, waarbij de verdachte opnieuw betrokken raakt in een strafrechtelijk onderzoek, kan aanleiding zijn om het verloop van de redelijke termijn anders te beoordelen. Echter, in dit geval was op 10 mei 2001 een termijn van twee jaren reeds verstreken, zonder dat het tot een berechting was gekomen.

Bij de straftoemeting heeft de rechtbank ten voordele van de verdachte met de voormelde beoordeling van het verstrijken van de redelijke termijn rekening gehouden als volgt.

De rechtbank acht voor de verdachte voor de hiervoor bewezen verklaarde feiten een werkstraf van 60 uur alsmede een een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden en een geldboete van € 10.000,-- in beginsel passend. In plaats hiervan zal de rechtbank, in verband met het verstrijken van de redelijke termijn als hiervoor overwogen, een werkstraf opleggen van 54 uur alsmede een geldboete van € 9000,--.

De op te leggen straffen zijn - behalve op voormelde artikelen - gegrond op de artikelen:

9, 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24, 24c, 27, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht,

en artikel 10, tweede lid (oud en nieuw) van het Loonadministratiebesluit.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank:

· verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 03-008042/99 onder 3 en in de zaak met parketnummer 03/095052-01 onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

· verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 03-008042/99 onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

· verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte in de zaak met parketnummer 03-008042/99 onder 1, 2 en 4 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

· verklaart dat het bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en dat verdachte strafbaar is;

· veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van TWEE MAANDEN;

· beveelt, dat de opgelegde gevangenisstraf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde niet heeft nageleefd de voorwaarde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren niet schuldig te maken aan een strafbaar feit;

· veroordeelt verdachte tot een taakstraf die zal bestaan uit een werkstraf, te weten het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van 54 uren;

· verstaat dat deze taakstraf moet zijn voltooid binnen een jaar nadat dit vonnis onherroepelijk is geworden;

· beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 27 dagen zal worden toegepast;

· beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, naar de maatstaf van twee uren per dag:

· veroordeelt verdachte tevens tot een geldboete van EURO 9.000,- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 90 dagen;

· beveelt de teruggave van het volgende inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

1 administratie,

aan: [verdachte].

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. F.M. van Maanen Winters, voorzitter, mr. W.E. Elzinga en mr. E.H.A.F.M. Krol, rechters, in tegenwoordigheid van J.M.A. Haanen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 maart 2002.