Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2002:AE0784

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
19-03-2002
Datum publicatie
27-03-2002
Zaaknummer
71385
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking : 19 maart 2002

Zaaknummer : 71385/ HA RK 01-353

Beschikking van de rechtbank te Maastricht, meervoudige kamer, belast met de be-handeling van burgerlijke zaken, in de zaak van:

Franciscus Leonard [verzoeker],

wonende te Landgraaf,

appellant,

procureur: mr. Ch.M.E.M. Paulussen;

tegen:

MR. A.J.C. [verweerder], in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van

Franciscus Leonard [verzoeker], wonende aan de [adres] te Landgraaf,

gevestigd Hoensbroek, gemeente Heerlen,

geïntimeerde,

comparerende bij zichzelf.

1. Het verloop van de procedure

Bij een op 11 december 2001 ingediend beroepschrift is appellant verder te noemen: [verzoeker], in beroep gekomen tegen de op 10 december 2001 door de rechter-commissaris in het faillissement van [verzoeker] gegeven beschikking.

Vervolgens heeft de rechtbank de behan-deling van het beroepschrift bepaald.

Op 5 maart 2002 heeft de mondelinge behandeling van het beroepschrift plaatsge-vonden. Ter zitting hebben partijen hun standpunten nader toegelicht, [verzoeker] con-form de inhoud van de overgelegde pleitaantekeningen.

Na afloop van de behandeling heeft de rechtbank de datum van de uitspraak bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1 [verzoeker] is op 22 oktober 1993 betrokken geraakt bij een ernstig verkeersonge-val ten gevolge waarvan hij zeer ernstig letsel heeft opgelopen. Bij vonnis van de recht-bank te Den Haag van 24 december 1996 is de veroorzaker van dat ongeval, een zekere R. Deelen, volledig aansprakelijk geoordeeld voor het ontstaan van het ongeval en de gevolgen daarvan voor [verzoeker].

2.2 Vervolgens is tussen [verzoeker] en Rialto Verzekeringen, de verzekeraar van Deelen, een geschil gerezen omtrent de hoogte van de door [verzoeker] geleden schade.

2.3 Tijdens dat geschil, op 14 augustus 1998, is [verzoeker] bij vonnis van deze recht-bank in staat van faillissement verklaard.

2.4 Op 9 november 2000 is tussen [verzoeker] en Rialto een vaststellingsovereenkomst gesloten. Deze overeenkomst is namens [verzoeker], na daar-toe te zijn gemachtigd door de rechter-commissaris in het faillissement van [verzoeker], getekend door de Curator. Deze overeenkomst hield - voorzover te dezen van belang - in dat de door [verzoeker] geleden en te lijden schade zal worden afgedaan door betaling van een slotbedrag van fl. 525.000,--, waarvan fl. 110.000,-- ten titel van immateriële schade-vergoeding en het resterend bedrag voor reeds geleden en nog te lijden materiële schade, waaronder verlies van arbeidsvermogen, rente en kosten.

2.5 Op 14 november 2001 heeft [verzoeker] op de voet van artikel 69 van de Faillisse-mentswet de rechter-commissaris verzocht een bevel uit te geven dat het aan smar-tengeld uitgekeerde bedrag van fl. 110.000,-- geheel dan wel gedeeltelijk buiten de faillissementsboedel dient te blijven en dat de curator conform deze beslissing dient te handelen.

2.6 Bij beschikking van 10 december 2001 heeft de rechter-commissaris het verzoek van [verzoeker] afgewezen, daarbij overwegende dat zij het afwijzend standpunt van de Curator en de gronden waarop dat berust onderschrijft en tot de hare maakt.

2.7 [verzoeker] verzoekt thans de rechtbank de beslissing van de rechter-commissaris te vernietigen en te beslissen dat het verzoek van [verzoeker] aan de rechter-commis-saris alsnog wordt toegewezen.

2.8 Het beroepschrift wordt door de Curator gemotiveerd weersproken.

3. De beoordeling

3.1 Het geschil spitst zich toe op de vraag of de uitkering terzake van immateriële schade in de faillissementsboedel valt.

3.2 Als uitgangspunt heeft te gelden dat het faillissement het gehele vermogen van de failliet ten tijde van de faillietverklaring omvat, alsmede hetgeen hij gedurende het faillissement verwerft, zie artikel 20 van de Faillissementwet, terwijl artikel 3:276 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een schuldeiser in beginsel zijn vordering op alle goederen van zijn schuldenaar kan verhalen, tenzij de wet of een overeenkomst an-ders bepaalt.

3.3 Het recht op smartengeld is een vermogensrecht dat te gelde kan worden ge-maakt en maakt als zodanig deel uit van het vermogen van de failliet. Dat die vorde-ring zijn oorsprong vindt in leed dat de failliet is aangedaan, maakt dat niet anders. Weliswaar is het wilsrecht om een beroep te doen op immateriële schadevergoeding een recht dat als een hoogst persoonlijk recht alleen door [verzoeker] als gelaedeerde kan worden uitgeoefend, maar als dat recht eenmaal is uitgeoefend en daarna moet worden geëffectueerd, verliest het de status van hoogst persoonlijk recht. In dat geval kan het ook door de Curator worden uitgeoefend.

3.4 Artikel 6:106 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een vergoeding voor immateriële schade niet vatbaar is voor beslag, tenzij het bij overeenkomst is vastge-legd of terzake een vordering is ingesteld. Nu de immateriële schade bij de vaststel-lingsovereenkomst van 9 november 2000 is vastgelegd, is de daaruit voortvloeiende vordering vatbaar voor beslag, dus ook voor faillissementsbeslag.

3.5 Artikel 21 van de Faillissementswet bepaalt wat ondanks het onder 3.2 weerge-geven uitgangspunt niettemin buiten het faillissement blijft. Daarin is echter niet opge-nomen een vordering terzake van immateriële schade. Dit artikel is laatstelijk gewij-zigd in 1996, terwijl het volgende artikel, welk bepaalt onder welke omstandigheden een vordering met betrekking tot een levensverzekering niet in een faillissementsboe-del of schuldsanering valt, laatstelijk in 1998 is gewijzigd. Blijkbaar heeft de wetgever geoordeeld dat een vordering betreffende immateriële schade niet buiten het faillis-sement valt als onder de in lid 2 van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek bedoel-de voorwaarden is voldaan.

3.6 De wetgever heeft de vraag wel onder ogen gezien of op een vordering terzake van immateriële schade beslag kan worden gelegd en of dat deze deel uitmaakt van de failliete boedel. Uit de parlementaire geschiedenis met betrekking tot het artikel 6.1.9.11 (het huidige artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek) blijkt immers dat deze vraag uitvoerig aan de orde is gekomen. Het is derhalve een welbewuste, vrij recent gemaakte keuze van de wetgever geweest om immateriële schadevergoeding in een situatie als de onderhavige voor (faillissements)beslag vatbaar te doen zijn.

3.7 In een dergelijk geval past de rechter grote terughoudendheid om desondanks, op gronden van redelijkheid en billijkheid zoals door [verzoeker] betoogd, immateriële schadevergoeding buiten het faillissement te houden.

3.8 Met een beroep op de beslissing van de Hoge Raad van 24 oktober 1997 (NJ 1998/ 693) heeft [verzoeker] betoogd dat de immateriële schadevergoeding aan hem is verknocht. Dat beroep kan [verzoeker] echter niet baten, omdat het antwoord op de vraag aan wie van de gewezen echtgenoten een vordering terzake van immateriële schadevergoeding is verknocht niet gelijk is aan het antwoord op de vraag of die schadevergoeding vatbaar is voor (faillissements)beslag onder degene van de gewe-zen echtgenoten aan wie die vordering wordt toegedeeld.

3.9 Ook een beroep op het arrest van de Hoge Raad van 5 september 1997 (NJ 1998/ 437, Ontvanger/ mr. Hamm q.q.) moet worden verworpen. In dat arrest werd weliswaar op grond van de redelijkheid en billijkheid een afwijking van een strikte be-paling van de Faillissementswet erkend, maar dit had betrekking op een ander geschil dan het onderhavige.

3.10 Uit het vorenoverwogene volgt dat een beroep op de redelijkheid en billijkheid [verzoeker] niet kan baten.

3.11 [verzoeker] heeft nog betoogd dat het smartengeld (ook) dient ter verbetering van de kwaliteit van diens leven in de periode gelegen tussen het verkeersongeval en zijn faillissement alsmede de periode na beëindiging van het faillissement. Uitgaande van de toepasselijke sterftekans en een duur van het faillissement van vijf jaar, stelt [verzoeker] dat hij op basis van actuariële gegevens gedurende 35 jaar na het verkeersonge-val de gevolgen daarvan zal ondervinden, waarvan gedurende een periode van vijf jaar tijdens zijn faillissement. Op grond daarvan stelt [verzoeker] dat van het smarten-geld slechts 1/7-deel valt in het faillissement en dat het resterende gedeelte hem vrij ter beschikking moet worden gesteld. Dat standpunt moet echter worden verworpen omdat het geen steun vindt in het recht en evenmin past in het systeem van het fail-lissementsrecht.

3.12 Ook het feit dat het smartengeld dient ter compensatie van ernstig leed en niet in de plaats treedt van een vermindering van het vermogen van [verzoeker], is onvol-doende grond om dit buiten het faillissement te houden. Bij de redactie van artikel 6:106 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek is daarmee immers rekening gehouden. De rechtbank merkt in dat verband nog op dat [verzoeker] inzoverre niet wordt benadeeld doordat op het smartengeld beslag kan worden gelegd, omdat daarmee zijn crediteu-ren kunnen worden betaald, zodat hij niet wordt verarmd.

3.13 Al het vorenstaande brengt met zich dat het beroep moet worden verworpen en dat [verzoeker] als de in het ongelijke gestelde partij in de kosten van deze procedure moet worden veroordeeld.

4. De uitspraak

De rechtbank te Maastricht:

bekrachtigt de beschikking van 10 december 2001 van de rechter-commissaris in het faillissement van [verzoeker];

veroordeelt [verzoeker] in de kos-ten van het hoger beroep aan de zij-de van de Curator- gerezen en tot deze uit-spraak be-groot op € 390,25 voor salaris procureur.

-Aldus gegeven door mrs. Bergmans, vice-president, voorzitter, en Sijmonsma en Laumen, rechters, en ter openbare terechtzitting uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

MT