Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2002:AE0414

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
05-03-2002
Datum publicatie
25-03-2002
Zaaknummer
AWB 02/241 BESLU VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Niet verlengen wapenvergunning

Bodemzaak: AF7473

Wetsverwijzingen
Wet wapens en munitie 7
Wet wapens en munitie 7
Wet wapens en munitie 28
Wet wapens en munitie 38
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Reg.nr: AWB 02/241 BESLU VV

UITSPRAAK van de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen:

A te B, verzoeker,

en

de Korpschef Politieregio Limburg Zuid, gevestigd te Sittard, verweerder.

Toepassing van artikel 8:81 van de Awb wordt verzocht ten aanzien van het besluit van verweerder van 1 februari 2002.

Behandeling ter zitting: woensdag 27 februari 2002.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 1 februari 2002 heeft verweerder het aan verzoeker verleende verlof tot het voorhanden hebben van een schietwapen van categorie III en bijbehorende munitie niet verlengd.

Tegen dit besluit is namens verzoeker bij brief van 15 februari 2002 op voet van artikel 34 van de Wet wapens en munitie (verder te noemen: WWM) administratief beroep ingesteld bij de Minister van Justitie. Tevens heeft verzoeker bij brief van gelijke datum zich gewend tot de voorzieningenrechter van deze rechtbank met het verzoek terzake een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te treffen.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:83 van de Awb ingezonden stukken zijn in kopie aan de gemachtigde van verzoeker gezonden. De inhoud van de gedingstukken wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd.

Bij schrijven van 25 februari 2002 heeft de gemachtigde van verzoeker nog nadere stukken aan de voorzieningenrechter doen toekomen.

De tijdens de loop van het geding aan het dossier toegevoegde stukken zijn aan partijen gezonden.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de voorzieningenrechter van de rechtbank op 27 februari 2002, alwaar verzoeker is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. A.J.J. Kreutzkamp, advocaat te Valkenburg aan de Geul. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de heer H.J. Wilting, medewerker Bureau Bijzondere Wetten, district Sittard.

II. OVERWEGINGEN.

In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voorzover de toetsing aan het in dit artikel neergelegde criterium mee brengt dat een beoordeling van het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend in die procedure.

De voorzieningenrechter ziet geen beletselen verzoeker in zijn verzoek te ontvangen. Voorts acht zij ook de onverwijlde spoed – gelet op het feit dat de betreffende verlenging van de geldigheidsduur van het verlof tot het voorhanden hebben van een vuurwapen van de categorie III van de WWM met ingang van 1 februari 2002 is geweigerd – in genoegzame mate aangetoond.

Tot het treffen van een voorziening zal in het algemeen slechts aanleiding bestaan indien op grond van de beschikbare gegevens moet worden geoordeeld dat zonder die voorziening het voor een verzoeker uit het bestreden besluit voortkomend nadeel onevenredig is in verhouding tot het met dat besluit te dienen belang.

Nu de voorzieningenrechter aan de zijde van verzoeker een bepaald spoedeisend belang aanwezig acht en derhalve niet reeds op voorhand kan worden geconcludeerd dat hij zonder enig nadeel de beslissing op bezwaar kan afwachten, is het antwoord op de vraag of sprake is van enig nadeel dat behoort te worden voorkomen door het treffen van een voorlopige voorziening in belangrijke mate mede afhankelijk van een voorlopig oordeel omtrent de vraag of dit besluit als zodanig in een eventuele hoofdzaak zal kunnen worden gehandhaafd.

De voorzieningenrechter gaat op grond van de stukken en het ter zitting verhandelde uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

Verzoeker is een actief sportschutter die het hele jaar door meedoet aan internationale schietwedstrijden.

Aan verzoeker is door verweerder ingevolge artikel 28 van de WWM een verlof verleend, een zogenaamd model WM-4, tot het mogen voorhanden hebben van een (vuur)wapen categorie III, ten behoeve van de schietsport. Een verlof heeft een geldigheid van ten hoogste een jaar en kan worden verlengd, indien aan de vereisten voor de verlening daarvan nog wordt voldaan.

Bij schrijven van 3 januari 2002 heeft verweerder verzoeker er op geattendeerd dat op 1 februari 2002 de geldigheidsduur van zijn verlof verloopt. Verweerder heeft voorts in dit schrijven aan verzoeker verzocht om het verlof ter verlenging aan hem aan te bieden.

Op 10 januari 2002 heeft de echtgenote van verzoeker het verlof bij verweerder aangeboden. Tijdens dit gesprek met de echtgenote van verzoeker is een medewerker van verweerder gebleken dat verzoeker niet meer voldeed aan de criteria om voor verlenging in aanmerking te komen. Zo zou verzoeker naar het oordeel van de medewerker van verweerder nagenoeg het hele jaar geen lid zijn geweest van een schietvereniging, nu hij in februari 2001 zijn lidmaatschap bij schietvereniging “V” heeft beëindigd en pas sinds 1 januari 2002 lid is van schietvereniging “W” te X. De echtgenote van verzoeker is de mening toegedaan dat verzoeker nog altijd lid is van schietvereniging “Y” te Z.

Naar aanleiding van dit gesprek heeft verweerder een onderzoek doen instellen naar laatstgenoemde schietvereniging. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat schietvereniging “Y” nog staat ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel en er maar een bestuurslid is, te weten verzoeker. Verweerder heeft vervolgens de laatst bekende bestuursleden telefonisch van deze vereniging benaderd en heeft hieruit de conclusie getrokken dat bij schietvereniging “Y” geen compleet bestuur meer is en dat deze vereniging geheel geen leden meer heeft.

Vervolgens heeft op 31 januari 2002 een zienswijzengesprek plaatsgevonden in verband met het voornemen van verweerder om het aan verzoeker verleende verlof WM-4 niet te verlengen. Van het zienswijzengesprek is een verslag gemaakt.

Kort hierna heeft verweerder het thans bestreden besluit genomen, zoals vermeld in rubriek I. Verweerder is – kort gezegd – van oordeel dat verzoeker in het gehele jaar 2001 geen lid is geweest van een Nederlandse schietvereniging en derhalve het redelijk belang van het serieus en in verenigingsverband beoefenen van de schietsport, zoals genoemd in paragraaf 4.2. van de circulaire wapens en munitie, heeft ontbroken.

Verzoeker heeft zich met dit besluit niet kunnen verenigen en heeft hiertegen bij de Minister van Justitie administratief beroep doen instellen, alsook de voorzieningenrechter verzocht terzake een voorlopige voorziening te treffen. Naar het oordeel van verzoeker is hij lid van schietvereniging “Y”, was hij lid van schietvereniging “V” en is hij inmiddels ook lid van schietvereniging “W”, althans per datum van zijn verzoek om verlenging. Volgens verzoeker geldt de eis dat men tenminste één jaar lid moet zijn van een Nederlandse schietvereniging, alleen bij een eerste aanvraag voor een verlof. Deze voorwaarde wordt naar het oordeel van verzoeker niet gesteld bij een aanvraag om verlenging van het bestaande verlof. Daarnaast is verzoeker van oordeel dat schietvereniging “Y” wel degelijk een Nederlandse schietvereniging is als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g van de Regeling wapens en munitie alsmede punt 6.1 van de Circulaire wapens en munitie.

Ook is namens verzoeker uitvoerig ingegaan op het aantal schietbeurten van verzoeker in 2001.

De voorzieningenrechter merkt allereerst op dat haar gebleken is dat verzoeker voldoende schietbeurten heeft verricht in het jaar 2001, hetgeen door de gemachtigde van verweerder ter zitting is bevestigd. Dit onderwerp vormt derhalve geen punt meer van geschil en wordt dan ook hier niet verder meer besproken.

Terzake het verzoek om een voorlopige voorziening overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWM worden in deze wet genoemde erkenningen, consenten, vergunningen, verloven en ontheffingen, onverminderd de bijzondere gronden tot weigering daarvan, geweigerd indien de aanvrager niet de door Onze Minister van Justitie bij regeling vastgestelde gegevens en bescheiden heeft overgelegd.

Ingevolge artikel 7, tweede lid, aanhef en onder d, van de WWM kunnen de in deze wet genoemde erkenningen, consenten, vergunningen, verloven en ontheffingen, onverminderd de bijzondere gronden tot wijziging of intrekking daarvan, door het bestuursorgaan dat deze heeft verleend of door Onze Minister van Justitie worden gewijzigd of ingetrokken, indien niet meer wordt voldaan aan de vereisten voor de verlening daarvan.

Ingevolge artikel 28, eerste lid, van de WWM wordt verlof tot het voorhanden hebben van een wapen en munitie, uitsluitend voor wapens en munitie behorende tot categorie III, verleend door de korpschef in de woon- of verblijfplaats van de aanvrager.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel wordt een verlof verleend indien een redelijk belang de verlening van het verlof vordert.

Ingevolge artikel 38, tweede lid, van de WWM volgen de korpschefs bij de uitvoering van deze wet de aanwijzingen van Onze Minister van Justitie.

De Circulaire wapens en munitie 1997 (Stcrt. 19 september 1997, nr. 180; hierna: Cwm) vormt een geheel van algemene aanwijzingen voor de ambtenaren belast met de uitvoering van de wapenwetgeving.

In onderdeel 4.2 – met de titel “Redelijk belang” – is aangegeven dat bij de beoordeling of sprake is van een redelijk belang een belangenafweging moet worden gemaakt. In die afweging spelen een rol het belang van de aanvrager bij het voorhanden mogen hebben of het mogen dragen van een wapen en het door de overheid te beschermen belang van de veiligheid van de burger en de staat. Dit laatste belang is ermee gediend indien de verspreiding van wapens en munitie onder de bevolking zoveel mogelijk wordt tegengegaan. Voorts is in dit onderdeel van de Cwm aangegeven dat in het geval dat serieus en in verenigingsverband de schietsport wordt beoefend, sprake kan zijn van een redelijk belang.

Voorts is in onderdeel 6.1. – met de titel “Algemeen” – vermeld dat onder een schietvereniging wordt verstaan de vereniging die blijkens de in een notariële akte opgenomen statuten tot doel heeft haar leden in de gelegenheid te stellen de schietsport te beoefenen (artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g van de Regeling wapens en munitie).

In onderdeel 6.3 – met de titel “Privéwapens” – is weergegeven dat onverminderd de bij of krachtens de wet gestelde vereisten dat in alle situaties (eerste aanvraag voor een verlof, verlenging van de geldigheidsduur van een bestaand verlof en aanvraag om uitbreiding van een bestaand verlof) de voorwaarde geldt dat de aanvrager lid dient te zijn van een in Nederland gevestigde schietvereniging.

Vervolgens is gesteld dat de reden van de eis van het lidmaatschap van een Nederlandse schietvereniging erin is gelegen dat het voor de Nederlandse overheid praktisch onmogelijk is om te controleren of op buitenlandse schietsportaccommodaties de schietsport op serieuze wijze wordt beoefend en of de door de aanvrager – eventueel – opgevoerde schietbeurten daadwerkelijk zijn verricht. Het accepteren van in buitenlands schietverenigingsverband verrichte schietbeurten zou volgens de Cwm de controle op de naleving van de wapenwettelijke voorschriften bemoeilijken, zo niet praktisch onmogelijk maken. Daarbij komt dat het kunnen beoefenen van de schietsport in buitenlands verenigingsverband voor de betrokkene weliswaar een belang oplevert bij het voorhanden mogen hebben, maar dit enkele belang is geen “redelijk belang” in de zin van artikel 28 WWM, aldus de Cwm.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het door verweerder gevoerde restrictieve beleid, zoals neergelegd in de hierboven weergegeven Cwm (onderdeel 4.2), dat geen redelijk belang wordt aangenomen, indien het serieus en in verenigingsverband beoefenen van de schietsport ontbreekt, niet onredelijk.

Verzoeker heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet voldaan aan de voorwaarde (zie onderdeel 6.3 van de Cwm) dat hij het hele jaar lid moet zijn van een Nederlandse schietvereniging. Gebleken is dat verzoeker per 5 februari 2001 als lid is afgemeld bij schietvereniging “V”, terwijl hij eerst per 1 januari 2002 lid is van schietvereniging “W”. Voor wat betreft verzoekers lidmaatschap van schietvereniging “Y”, is de voorzieningenrechter van oordeel dat deze schietvereniging weliswaar tot doel heeft haar leden in de gelegenheid te stellen de schietsport te beoefenen, maar deze doelstelling in de praktijk niet, althans onvoldoende, naleeft. Zo is de voorzieningenrechter gebleken dat de betreffende vereniging wel een enkele keer voor eiser werdstrijdgelden betaalt of de huur van een schietbaan in Nederland, maar overigens niet actief is. De vereniging telt op verzoeker na ook geen enkel ander lid. Ter zitting is voorts gebleken dat de vereniging geen compleet bestuur meer heeft en geen algemene jaarvergaderingen meer houdt. Gelet op deze gang van zaken is de voorzieningenrechter van oordeel dat schietvereniging “Y” geen schietvereniging is als bedoeld in onderdeel 6.1 van de Cwm.

De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat in dit geval, gelet op het zwaarwegend karakter van de belangen, die met het restrictief verlofbeleid worden gediend en mede in aanmerking genomen dat verzoeker de schietsport - zij het op een bescheidener schaal dan door hem gewenst – kan blijven beoefenen in verenigingsverband bij schietvereniging “W”, niet kan worden geconcludeerd dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. Voorts heeft de voorzieningenrechter in aanmerking genomen dat door verweerder ter zitting is medegedeeld dat verzoeker met zijn eigen geweer kan blijven schieten, indien hij dit geweer in bruikleen geeft aan schietvereniging “W”. Voor wat betreft verzoekers grief dat hij zijn geweer nodig heeft voor het verrichten van trainerswerkzaamheden in Duitsland (en mogelijk ook in Griekenland) is de voorzieningenrechter met verweerder van oordeel dat een trainer niet zonder meer zijn eigen wapen nodig heeft om les te geven. Het schieten van internationale wedstrijden is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen omstandigheid op grond waarvan verweerder had moeten afwijken van zijn gevoerde restrictieve beleid in verband met de door hem te beschermen belangen.

Het vorenoverwogene leidt tot het oordeel dat in hetgeen van de zijde van verzoeker is aangevoerd geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening kan worden gevonden. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat het bestreden besluit in de (eventuele) hoofdzaak zou dienen te worden vernietigd. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat het vooralsnog onwaarschijnlijk is te achten dat het besluit in de (eventuele) hoofdzaak de rechterlijke toets niet zal kunnen doorstaan. Derhalve is er, gegeven de belangen van partijen, geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening; het daartoe strekkende verzoek dient dan ook te worden afgewezen.

Op grond van het bepaalde in artikel 8:84 van de Awb wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING.

De voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht:

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. M.C.A.E. van Binnebeke in tegenwoordigheid van mr. D.H.J. Laeven als griffier en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2002 door mr. van Binnebeke voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. D. Laeven w.g. M. C. van Binnebeke

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Verzonden op: 08 maart ’02

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.