Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2002:AE0254

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
14-03-2002
Datum publicatie
19-03-2002
Zaaknummer
54725/HA ZA 00-192
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis : 14 maart 2002

Rolnummer : 54725 / HA ZA 00-192

De rechtbank te Maastricht, enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van:

V

Wonende te H.

eiseres,

procureur mr. J.L.M. Martens;

tegen:

M.

wonende in België,

gedaagde,

procureur mr. H.P.M. Stevelmans.

1. Het verloop van de procedure

Eiseres, hierna te noemen "de vrouw", heeft bij naar de dagvaarding verwijzende conclusie van eis gesteld en geconcludeerd voor eis overeenkomstig de inhoud van die dagvaarding. Bij conclusie van eis is een productie overgelegd. Gedaagde, hierna te noemen "de man", heeft daarna geantwoord.

Op de voet van artikel 141a (oud, thans artikel 131) van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is een comparitie na antwoord gelast. Bij brieven van 24 juli en 27 juli 2000 zijn door de procureur van de vrouw stukken overgelegd ten behoeve van de comparitie. Van het verhandelde ter comparitie is proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt.

De vrouw heeft daarop gerepliceerd, zulks onder overlegging van een productie. De man heeft geconcludeerd voor dupliek en daarbij nog producties in het geding gebracht.

De man heeft tenslotte vonnis gevraagd op de stukken. De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. Het geschil en de vorderingen

2.1 Partijen zijn op 8 april 1982 in Heerlen met elkaar in het huwelijk getreden onder het vooraf maken van huwelijkse voorwaarden. Bij beschikking van 17 februari 2000 van deze rechtbank is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is vervolgens op 16 mei 2000 in de registers van de Burgerlijke Stand van de gemeente Heerlen ingeschreven.

2.2 In de op 7 april 1982 ten overstaan van kandidaat-notaris mr. . L. te H. opgemaakte huwelijkse voorwaarden hebben partijen onder meer bepaald:

"Artikel 1: Tussen de echtgenoten wordt iedere huwelijksvermogensgemeenschap uitdrukkelijk uitgesloten; (……..);

Artikel 6: A. Jaarlijkse verrekening.

1. Per einde van elk kalenderjaar voegen de echtgenoten ter verdeling bij helfte bijeen hetgeen van hun inkomen van dat jaar onverteerd is gebleven.

2. (…….)

3. Geen jaarlijkse verrekening vindt plaats vanaf het jaar, waarin zich ten aanzien van de echtgenoten één der volgende feiten heeft voorgedaan:

a. de samenwoning door één der echtgenoten verbroken wordt, met de kennelijke bedoeling deze niet meer te doen herleven;

b. (…….); c.……).

B. Slot-afrekening.

1. Tussen de echtgenoten zal eenmaal een slot-afrekening plaatsvinden.

2. De verplichting over te gaan tot de slot-afrekening ontstaat, zodra zich ten aanzien van de echtgenoten één van de volgende feiten heeft voorgedaan:

a. ontbinding van het huwelijk van echtgenoten;

b. (…….);

c. verbreking van de samenwoning door de echtgenoten of één hunner, met de kennelijke bedoeling bij althans één van de echtgenoten deze niet meer te doen herleven.

3. Ingeval de verplichting om over te gaan tot de slot-afrekening ontstaat door ontbinding van het huwelijk door het overlijden van één of beide echtgenoten, zal afrekening plaatsvinden als waren de echtgenoten gehuwd in algehele gemeenschap van goederen.

4. (…….).

5. Het recht deze sub B bedoelde slot-afrekening te vorderen vervalt één jaar na het intreden van het feit, dat de verrekeningsplicht doet ontstaan.

6. Nadat de slot-afrekening, als bedoeld in artikel 6 sub B heeft plaatsgevonden, kunnen niet langer aanspraken krachtens het in artikel 6 sub A bepaalde geldend worden gemaakt en vervallen alle uit dezen hoofde ontstane vorderingen.

2.3 De vrouw heeft op grond van het vorenstaande gevorderd bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair

1. de man te veroordelen om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis alle inlichtingen aan de vrouw, gestaafd met justificatoire bescheiden, te verstrekken ter vaststelling van hetgeen van zijn inkomen onverteerd is gebleven over de jaren 1982 tot en met 1998, zulks ter vaststelling van hetgeen tussen partijen verrekend dient te worden en zulks onder verbeurte van een dwangsom van fl. 1.000,-- per dag of gedeelte van de dag dat de man hiermee in gebreke blijft;

alsmede

2. de man te veroordelen om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis mee te werken aan de verrekening als bedoeld in artikel 6 A lid 1 van de tussen partijen gesloten huwelijksvoorwaarden, zulks onder verbeurte van een dwangsom van fl. 1.000,-- per dag of gedeelte van de dag dat de man hiermee in gebreke blijft,

alsmede

3. de man te veroordelen om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis aan de vrouw tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen de somma van fl. 412.300,-- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

Subsidiair

1. de man te veroordelen om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis alle inlichtingen aan de vrouw gestaafd met justificatoire bescheiden te verstrekken ter opstelling van een slotafrekening overeenkomstig artikel 6 B van de huwelijksvoorwaarden, zulks onder verbeurte van een dwangsom van fl. 1.000, -- per dag of gedeelte van de dag dat de man hiermee in gebreke blijft,

alsmede

2. de man te veroordelen om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis mee te werken aan het opstellen van een slotafrekening overeenkomstig artikel 6 B van de huwelijksvoorwaarden, zulks onder verbeurte van een dwangsom van fl. 1.000,-- per dag of gedeelte van de dag dat de man hiermee in gebreke blijft,

alsmede

3. de man te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de vrouw te betalen het door de man aan de vrouw verschuldigde bedrag ingevolge onder 2 genoemde slot-

afrekening, zulks te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening.

Het een en ander met veroordeling van de man in de kosten van de procedure.

2.4 De vrouw stelt ter onderbouwing van haar vorderingen dat, hoewel zij de man daartoe heeft uitgenodigd en gesommeerd, deze tot op heden geen medewerking heeft verleend aan de vaststelling van de vorderingen krachtens de in de huwelijkse voorwaarden overeengekomen verrekenbedingen.

2.5 De man voert verweer hetwelk - samengevat en voor zover thans van belang - het volgende inhoudt:

Partijen hebben begin januari 1996 het besluit genomen te gaan scheiden. De man heeft vervolgens op 19 januari 1996 definitief de echtelijke woning verlaten, waardoor de samenwoning als omschreven in de huwelijkse voorwaarden per die datum is beëindigd. Gezien het bepaalde in artikel 6 B lid 5 betekent dit voor de subsidiaire vorderingen dat het vorderingsrecht daarvoor op 19 januari 1997 is vervallen.

Met betrekking tot de primaire vordering stelt de man voorop dat er geen inkomen onverteerd is gebleven en betwist hij uit dien hoofde dat er tijdens de periode dat partijen hebben samengewoond iets ter verrekening bijeen te voegen was en daaruit een vordering voortvloeit, laat staan een vordering ter grootte van fl. 412.300,-- (€ 187.093,58).

Daarnaast merkt de man op dat, nu partijen medio januari 1996 definitief uit elkaar zijn gegaan, de verrekenplicht als omschreven in artikel 6A lid 1 over de periode na 1995 niet meer aan de orde kan zijn.

De man is voorts nog van oordeel dat voor zover de primaire vorderingen zien op uit te voeren verrekeningen over de jaren vóór 1994, deze verrekenplicht en het daarmee samenhangende vorderingsrecht is verjaard op grond van de wet.

Voor het overige voert de man aan dat hij in weerwil met de stellingen van de vrouw alle gegevens die de vrouw heeft opgevraagd, voor zover hij daarover nog de beschikking had, aan haar ter hand heeft gesteld en dus haar daaropziende vorderingen moeten worden afgewezen.

3. De beoordeling.

3.1

Partijen verschillen van mening over de betekenis van hetgeen is overeengekomen in artikel 6 van de door hen aangegane huwelijksvoorwaarden voor wat betreft hetgeen daarin is bepaald onder A (jaarlijkse verrekening) en B (slot-afrekening).

De vrouw wijst er met nadruk op dat haar vordering is gesplitst in een primair en een subsidiair deel, hetgeen betrekking heeft op hetgeen in de akte van huwelijksvoorwaarden is gesplitst in A en B als hiervoor bedoeld. Zij is van mening dat eerst de vordering, die op de jaarlijkse verrekening ziet, ter beoordeling staat en pas bij niet-toewijzing van die vordering de vordering, welke betrekking heeft op de slot-afrekening. Volgens haar komt de slot-afrekening niet in de plaats van de jaarlijkse afrekening, doch ziet die op de afrekening over de periode in het laatste jaar, indien deze niet samen valt met het kalenderjaar.

Het standpunt van de man is dat verbreking van de samenwoning door tenminste een van de echtgenoten met de kennelijke bedoeling de samenwoning niet meer te doen herleven enerzijds tot gevolg heeft dat vanaf dat jaar geen jaarlijkse verrekening meer plaatsvindt en anderzijds dat op grond van de verbreking van de samenleving de verplichting ontstaat over te gaan tot een slot-afrekening. Volgens de man omvat de finale afrekening zowel de nog niet gerealiseerde jaarlijkse verrekeningen als de afrekening van het jaar, waarin de samenwoning is verbroken.

De rechtbank is van oordeel dat hetgeen is bepaald in artikel 6 onder A en onder B in onderling verband en samenhang aldus moet worden verstaan dat, indien de samenwoning door een der echtgenoten verbroken wordt met de kennelijke bedoeling om deze niet meer te doen herleven en jaarlijkse verrekening niet heeft plaatsgevonden, een algehele slot-

afrekening moet plaatsvinden, die mede betrekking heeft op de niet eerder gedane jaarlijkse afrekeningen.

Nu vaststaat dat partijen op enig moment uit elkaar zijn gegaan met de kennelijke bedoeling de samenwoning niet te doen herleven, betekent dit dat de primaire vorderingen van de vrouw, die gegrond zijn op de verrekenplicht, moeten worden afgewezen. De rechtbank gaat bij dit oordeel voorbij aan de stelling van de vrouw dat op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad het door de man op het vervalbeding gedane beroep naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moeten worden geacht. Dit omdat het in deze zaak niet gaat om een periodiek jaarlijks vervalbeding, doch om een vervalbeding dat eerst gaat werken, nadat partijen uit elkaar zijn gegaan en in die situatie de verplichting om jaarlijks af te rekenen, zoals hierboven is bepaald, zich oplost in de verplichting om over te gaan tot een slot-afrekening.

3.2

De man voert als meest verstrekkende verweer dat het recht om verrekening te vorderen is vervallen op grond van het bepaalde in lid 5 van artikel 6.

Dat lid bepaalt dat het recht om de sub B bedoelde slot-afrekening te vorderen vervalt een jaar na het intreden van het feit dat de verrekeningsplicht doet ontstaan.

Sub B is in artikel 2 te lezen dat de verplichting om tot slot-afrekening over te gaan ontstaat , onder meer zodra zich het feit heeft voorgedaan van verbreking van de samenwoning door de echtgenoten of door een van hen met de kennelijke bedoeling bij althans één van de echtgenoten die samenwoning niet meer te doen herleven.

De man stelt dat partijen begin 1996 het besluit hebben genomen om te gaan scheiden, waarna hij op 19 januari van dat jaar de echtelijke woning definitief heeft verlaten, waardoor de samenwoning sedertdien is verbroken. De rechtbank begrijpt daaruit dat zich volgens de man op die dag het feit heeft voorgedaan als in de akte van huwelijksvoorwaarden bedoeld sub A in artikel 3 onder a.

De vrouw betwist dat. Volgens haar heeft de man einde juli/begin augustus 1998 te kennen gegeven dat hij wilde scheiden. In januari 1996 is hij weliswaar de woning uitgegaan naar zijn vriendin, doch de vrouw zegt dat hij dat al vaker had gedaan en dat zij niet de indruk had dat het, anders dan de andere keren, zijn bedoeling was om niet terug te komen. Zij ging

ervan uit dat hij ook toen terug zou komen, zoals hij iedere keer deed nadat hij naar zijn vriendin was vertrokken. Zij vindt dat juist uit het telkens terugkeren van de man af was te leiden dat zijn herhaaldelijk vertrekken niet viel onder het in de huwelijksvoorwaarden bedoelde ultieme en decisieve verlaten met de kennelijke bedoeling de samenwoning niet meer te doen herleven.

Naar het oordeel van de rechtbank doet de man terecht een beroep op de vervaltermijn.

Zij begrijpt dat de man, nadat hij in januari 1996 weg was gegaan, niet meer in de echtelijke woning is teruggekeerd om daar nog zijn hoofdverblijf te hebben.

De periode welke is gelegen tussen het weggaan van de man in januari 1996 en het uitbrengen van de dagvaarding in deze zaak op 24 juni 1999 is zo lang (bijna drie en een half jaar) dat het aan de vrouw tenminste een jaar voordat zij tot dagvaarden liet overgaan, en zeker ook al eerder, duidelijk moet zijn geworden dat de man niet meer terug wilde keren en tot dat doel ter verbreking van de samenwoning bij haar is weggegaan en is weggebleven.

Uit dit alles volgt dat ook de subsidiaire vorderingen van de vrouw zullen worden afgewezen.

3.3

De kosten van het geding zullen tussen partijen als elkanders gewezen echtelieden geheel worden gecompenseerd.

4. Uitspraak.

De rechtbank wijst zowel de primaire als de subsidiaire vorderingen van de vrouw af en compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.A.J.W. Eliëns, vice-president, en ter openbare terechtzitting uitgesproken op 14 maart 2002 in tegenwoordigheid van de griffier.

LD/KP