Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2002:AE0095

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
24-01-2002
Datum publicatie
12-03-2002
Zaaknummer
AWB 01/322 WET VOM
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Reg.nr.: AWB 01/322 WET VOM

UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in het geding tussen

[eiseres] te [woonplaats], eiseres,

en

de Raad van de Gemeente Eijsden, gevestigd te Eijsden, verweerder.

Datum bestreden besluit: 6 februari 2001.

Kenmerk: 6194.

Behandeling ter zitting: 15 januari 2002.

I. PROCEDUREVERLOOP

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 6 februari 2001 heeft verweerder het door eiseres op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediende bezwaarschrift tegen zijn besluit van 5 september 2000 ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder het verzoek van eiseres tot het toekennen van planschadevergoeding afgewezen.

Tegen het besluit van 6 februari 2001 is namens eiseres bij brief van 12 maart 2001 beroep ingesteld bij deze rechtbank.

Verweerder heeft op 19 maart 2001 een verweerschrift ingezonden. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiseres verzonden.

De inhoud van de gedingstukken wordt hier als herhaald en ingelast beschouwd.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 15 januari 2002, alwaar eiseres in persoon is verschenen bijgestaan door haar gemachtigde mr. J.F.C. Mulders. Verweerder is verschenen bij gemachtigde mw. mr. J. Starren.

II. OVERWEGINGEN

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eijsden heeft in 1998 vrijstelling en bouwvergunning verleend voor een reeds gerealiseerde verhoging van een duivenhok op het perceel [adres]. Eiseres is woonachtig naast dit perceel en heeft tegen deze bouwvergunning een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. Het college heeft dit bezwaarschrift ongegrond verklaard. Eiseres is tegen dit besluit niet in beroep gekomen.

Bij brief van 2 oktober 1998 heeft gemachtigde van eiseres bij verweerder een verzoek om planschadevergoeding ex artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening ingediend. Eiseres stelt dat zij schade leidt door het verlenen van vrijstelling van het geldende bestemmingsplan voor het verhogen van het betreffende duivenhok.

Verweerder heeft het verzoek van eiseres ter advisering voorgelegd aan de Stichting Advisering Onroerende Zaken (SAOZ). De SAOZ heeft op 11 mei 2000 een advies uitgebracht. Bij besluit van 5 september 2000 heeft verweerder met inachtneming van het advies van de SAOZ het verzoek om planschadevergoeding afgewezen.

Tegen dit besluit is namens eiseres bij brief van 16 oktober 2000 een bezwaarschrift ingediend. Eiseres is in de gelegenheid gesteld op 30 november 2000 haar bezwaarschrift mondeling toe te lichten ten overstaan van de Intergemeentelijke Adviescommissie Bezwaar- en Beroepschriften doch eiseres heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. Genoemde commissie heeft verweerder op 30 november 2000 geadviseerd het bezwaarschrift ontvankelijk en de bezwaren ongegrond te verklaren.

Bij besluit van 6 februari 2001 heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard en het besluit van 5 september 2000 gehandhaafd.

Tegen dit besluit is namens eiseres bij brief van 12 maart 2001 beroep ingesteld. Eiseres motiveert haar beroep met de navolgende stellingen:

1. eiseres ondervindt een grotere schaduwwerking op haar terras. In het raadsbesluit is hierop niet ingegaan zodat het besluit ongemotiveerd is;

2. eiseres blijft nadeel houden van de aanwezigheid van de duiven op het aangrenzende perceel hetgeen zij ziet als direct gevolg van de verhoging van het duivenhok;

3. de woning van eiseres is in 1998 ¦ 35.000,-- lager getaxeerd ten opzichte van voorgaande taxatie. Deze waardevermindering was mede het gevolg van de aanwezigheid van het verhoogde duivenhok;

4. eiseres is van mening, dat geen legalisering van het illegaal gebouwde had mogen plaatsvinden;

Eiseres deelt mede, dat momenteel het aantal duiven minder storend is dan de schaduwwerking. Zij blijft van mening dat zij onevenredig in haar belangen is en wordt geschaad door de verhoging van het hok, zodat zij meent toch voor planschadevergoeding in aanmerking te komen.

In dit geding zal de rechtbank, met inachtneming van het bepaalde in artikel 8:69 van de Awb, hebben te beoordelen of verweerder het bestreden besluit terecht en op goede gronden heeft genomen. Daarbij ligt met name de vraag voor of verweerder met juistheid heeft geoordeeld dat aan eiseres geen planschadevergoeding hoefde te worden toegekend.

Dienaangaande wordt als volgt overwogen.

Ingevolge artikel 49 WRO kent de gemeenteraad aan een belanghebbende op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe voor zover blijkt dat hij ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan of een besluit tot het verlenen van vrijstelling daarvan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd.

Vast staat dat eiseres, geconfronteerd met de verhoging van een duivenhok op het perceel dat is gelegen naast de woning van eiseres, zich tot de gemeente heeft gewend. Burgemeester en wethouders hebben daarop de eigenaar van het naburige perceel uitgenodigd een vergunning aan te vragen. Omdat een en ander in strijd was met de geldende bestemmingsplanvoorschriften, hebben burgemeester en wethouders vrijstelling ex artikel 19 WRO en bouwvergunning verleend voor het verhogen van het duivenhok.

Verweerder stelt dat het verzoek om vergoeding van planschade kan worden afgewezen om reden dat sprake is van een bestaande niet binnen het voorheen geldende bestemmingsplan passende bebouwing terwijl nadien die bebouwing wordt gelegaliseerd in een nieuw bestemmingsplan danwel zoals hier is gebeurd via toepassing van een vrijstellingsbepaling.

De rechtbank kan dit standpunt in de onderhavige aangelegenheid niet onderschrijven. In geschillen ter zake van verzoeken om planschadevergoeding op grond van art. 49 WRO is in de jurisprudentie van de Kroon, de Afdeling voor de geschillen van bestuur en Afdeling bestuursrechtspraak het standpunt ingenomen dat indien sprake is van een bestaande, niet binnen het voorheen geldende bestemmingsplan passende, bebouwing terwijl nadien die bebouwing alsnog wordt ingepast in een nieuw bestemmingsplan, de bepalingen van het nieuwe bestemmingsplan geen basis vormen voor toekenning van schadevergoeding op grond van art. 49 WRO. De schade wordt in dat geval niet geacht voort te vloeien uit de bepalingen van het nieuwe plan, doch uit de eerdere, veelal illegale bouw. Hetzelfde geldt voor legalisering achteraf van gebruik in strijd met de bepalingen van een bestemmingsplan (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 23 augustus 1994, BR 1995, p. 673).

Er zijn echter situaties aan te wijzen, waarbij van deze lijn afgeweken moet worden. Zo heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de uitspraak van 8 september 1998 (AB 1999/58) het volgende overwogen: [redactie: url('AE0104',http://www.rechtspraak.nl/uitspraak/show_detail?ui_id=32052)]

"Naar het oordeel van de Afdeling had de gemeenteraad in de tegenstelling tussen de situatie, waarbij [verzoeker] actie kon ondernemen -en ook heeft ondernomen- om de illegale situatie door het bevoegd gezag te doen beëindigen enerzijds en de wijziging van het planologische kader -ten gevolge daarvan bestuursdwang niet meer mogelijk was- anderzijds, aanleiding moeten zien om uit te gaan van een verzoek van Krebaum om schadevergoeding dat onder het bereik van art. 49 WRO valt."

Uit deze uitspraak van de Afdeling dient derhalve de conclusie te worden getrokken dat niet langer gesteld kan worden dat uit legalisatie geen planschade kan voortvloeien.

Nu eiseres door de vrijstelling ex artikel 19 van de WRO feitelijk de mogelijkheid werd ontnomen om een einde te maken aan de illegale situatie, terwijl verweerder op de hoogte was van de bezwaren van eiseres, moet het ervoor worden gehouden dat het nieuwe planologische regime de gestelde schade heeft veroorzaakt. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook ten onrechte het verzoek om schadevergoeding afgewezen wegens het ontbreken van causaal verband tussen de gestelde schade en de verleende vrijstelling. Op grond hiervan komt het bestreden besluit wegens strijd met de wet voor vernietiging in aanmerking.

De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten, die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze proceskostenveroordeling heeft betrekking op de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waarvan het bedrag wordt vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De rechtbank kent daarbij ter zake van de verrichte proceshandelingen 2 punten met een waarde van € 322,18 toe en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1). Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 2 x € 322,18 x 1 = € 644,37.

Voorts ziet de rechtbank, gelet op de termijnen die zijn verstreken tussen enerzijds de aanvraag van eiseres en anderzijds het primaire besluit en het bestreden besluit, aanleiding om met toepassing van het bepaalde in het vijfde en zevende lid van artikel 8:72 verweerder een termijn te stellen voor het nemen van een nieuw besluit op straffe van verbeuring van een dwangsom, een en ander zoals nader aangegeven in het dictum.

Op grond van het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING.

De rechtbank te Maastricht:

1. verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

2. draagt verweerder op om binnen 13 weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift van eiseres met inachtneming van deze uitspraak;

3. bepaalt dat de gemeente Eijsden bij het niet voldoen aan het bepaalde onder 2 een dwangsom van € 50,00, te vermeerderen met de kosten van de eventuele executie, verbeurt aan eiseres voor iedere dag of gedeelte van de dag dat verweerder in gebreke blijft na betekening van deze uitspraak te voldoen, zulks tot een maximum van € 10.000,00;

4. bepaalt dat aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 102,10 wordt vergoed door de gemeente Eijsden;

5. veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiseres begroot op € 644,37 zijnde de kosten van rechtsbijstand, te vergoeden door de gemeente Eijsden aan eiseres.

Aldus gedaan door mr. J.N.F. Sleddens in tegenwoordigheid van mr. M.E.J.M. Vorstermans-Rompelberg als griffier en in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2002 door mr. Sleddens voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. M. Vorstermans w.g. J. Sleddens

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Verzonden op: 24 januari 2002

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.