Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2002:AD9903

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
24-01-2002
Datum publicatie
06-03-2002
Zaaknummer
AWB 01/91 WRO21 VOM
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening 21, geldigheid: 2002-01-24
Wet op de Ruimtelijke Ordening 21, geldigheid: 2002-01-24
Wet op de Ruimtelijke Ordening 21, geldigheid: 2002-01-24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Reg.nr.: AWB 01/91 WRO21 VOM

UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in het geding tussen

Stichting De Zonnewijzer te Sittard, eiseres,

en

de Raad van de Gemeente Sittard-Geleen, gevestigd te Sittard, verweerder.

Datum bestreden besluit: 4 december 2000.

Kenmerk: 22 4892.

Behandeling ter zitting: 15 januari 2002

I. PROCEDUREVERLOOP

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 4 december 2000 heeft de raad van de gemeente Sittard (hierna: verweerder) het door eiseres op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediende bezwaarschrift tegen zijn besluit van 8 juni 2000 ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder een voorbereidingsbesluit ex artikel 21 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening genomen voor een gebied begrensd door de straten Shuttestraat, Engelenkampstraat, Baenjenstraat en Jubileumstraat te Sittard.

Tegen het besluit van 4 december 2000 is door eiseres bij brief van 16 januari 2000 beroep ingesteld bij deze rechtbank.

Verweerder heeft op 20 februari 2001 een verweerschrift ingezonden. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiseres verzonden.

De inhoud van de gedingstukken wordt hier als herhaald en ingelast beschouwd.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 15 januari 2002, alwaar voor eiseres is verschenen mr. F.J.C.M. de Kok. Verweerder is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Verweerder is voornemens het gebied rondom het Stadhuis is Sittard opnieuw in te richten. Daarbij wordt gedacht aan het realiseren van kantoren, woningen, parkeerplaatsen en groenvoorziening. Voor de herinrichting van het gebied is een voorontwerp bestemmingsplan opgesteld en een inspraakprocedure opgestart. Ten behoeve van een spoedige realisering van een parkeergarage en de inrichting van het terrein voor het stadhuis heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard verweerder op 9 mei 2000 geadviseerd een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) te nemen. Overeenkomstig het voorstel van het college heeft verweerder op 8 juni 2000 een voorbereidingsbesluit ex artikel 21 van de WRO genomen voor een gebied begrensd door de straten Shuttestraat, Engelenkampstraat, Baenjenstraat en Jubileumstraat te Sittard.

Tegen dit besluit is door eiseres bij brief van 26 juni 2000 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. Eiseres is in de gelegenheid gesteld haar bezwaarschrift mondeling toe te lichten doch eiseres heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. De commissie voor de bezwaarschriften heeft verweerder op 19 september 2000 geadviseerd de bezwaren ongegrond te verklaren omdat de beoordeling van deze bezwaren aan de orde moeten komen in het kader van de bestemmingsplan- en/of bouwplanprocedure. Met overneming van dit advies heeft verweerder bij besluit van 4 december 2000 het bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit is door eiseres bij brief van 16 januari 2001 beroep ingesteld. Eiseres motiveert haar beroep met de navolgende argumenten:

1. een voorbereidingsbesluit dient een "ruimtelijke onderbouwing" te hebben ingevolge artikel 19 lid 3 van de WRO;

2. in het voorbereidingsbesluit is onvoldoende met een aantal zaken, met name de verkeerssituatie ten aanzien van de openbare parkeerplaats en de ontsluiting van de woningen, rekening gehouden;

3. er ontbreekt een belangenafweging.

In dit geding zal de rechtbank, met inachtneming van het bepaalde in artikel 8:69 van de Awb, hebben te beoordelen of verweerder het bestreden besluit terecht en op goede gronden heeft genomen. Daarbij ligt met name de vraag voor of verweerder met juistheid heeft geoordeeld dat de bezwaren tegen het voorbereidingsbesluit ongegrond verklaard mochten worden.

Dienaangaande wordt als volgt overwogen.

Artikel 21 leden 1 en 2 van Wet op de Ruimtelijke Ordening luiden als volgt:

1. De gemeenteraad kan verklaren, dat een bestemmingsplan wordt voorbereid (voorbereidingsbesluit). Indien artikel 37, eerste of vierde lid, toepassing hebben gevonden, hebben Onze Minister onderscheidenlijk gedeputeerde staten gelijke bevoegdheid.

2. Bij een voorbereidingsbesluit wordt bepaald voor welk gebied het geldt en met ingang van welke dag het in werking treedt.

De rechtbank stelt voorop dat de mogelijkheid tot het nemen van een voorbereidingsbesluit niet aan wettelijke beperkingen is onderworpen. Dit betekent dat de rechtbank slechts aan een terughoudende toetsing van het bestreden besluit toekomt.

Verweerder heeft conform het bepaalde in artikel 21 lid 1 van de WRO op 8 juni 2000 besloten tot het nemen van een voorbereidingsbesluit en heeft conform het bepaalde in lid 2 van dit artikel middels een bij het besluit behorende tekening aangegeven voor welk gebied het voorbereidingsbesluit geldt en bepaald dat het voorbereidingsbesluit op 6 juli 2000 in werking zal treden.

Eiseres betoogt dat een voorbereidingsbesluit op grond van artikel 19 lid 3 van de WRO een ruimtelijke onderbouwing dient te hebben. Dit betoog is niet in overeenstemming met de wet: het derde lid van artikel 19 van de WRO spreekt enerzijds niet over een ruimtelijke onderbouwing en handelt anderzijds niet over een voorbereidingsbesluit. Voor zover eiseres haar betoog heeft willen doen steunen op het gestelde in de leden 1 en 2 van artikel 19 van de WRO kan eveneens gesteld worden dat dit betoog faalt nu ook deze leden niet van toepassing zijn op een voorbereidingsbesluit doch zien op het verlenen van vrijstelling van een geldend bestemmingsplan.

Eiseres is daarnaast van mening, dat bij het voorbereidingsbesluit onvoldoende rekening is gehouden met o.a. de verkeerssituatie in het betreffende gebied en dat verweerder geen juiste belangenafweging heeft gemaakt. Ook dit betoog van eiseres faalt. Eiseres miskent hierbij namelijk dat verweerder met het nemen van een voorbereidingsbesluit slechts de weg vrij maakt voor het kunnen opstarten van de procedure(s) op grond van artikel 19 van de WRO. Het voorbereidingsbesluit kan immers slechts betekenis hebben als maatregel die het in verband met de ter zake geldende voorschriften van de WRO en de Woningwet mogelijk maakt de procedure te volgen, die kan leiden tot het verlenen van vergunning voor het oprichten van bouwwerken in het betreffende gebied. Met het nemen van het voorbereidingsbesluit heeft verweerder niet de uitkomst van de procedure tot herziening van het geldende bestemmingsplan noch de uitkomst van een te volgen artikel 19 WRO- procedure vastgesteld.

Het vorenstaande in aanmerking genomen, zou er slechts dan reden zijn het bestreden besluit onrechtmatig te achten, indien zou moeten worden geoordeeld dat het verweerder reeds bij een globale beschouwing aanstonds duidelijk had behoren te zijn dat de invulling van het gebied rondom het Stadhuis zoals gewenst in planologisch opzicht onaanvaardbaar is danwel dat reeds op voorhand uitgesloten moet worden geacht dat een bestemmingsplanherziening die voorziet in de mogelijkheid tot het realiseren van verweerders plannen rechtskracht zal kunnen verkrijgen. Een dergelijke omstandigheid is niet aangetoond noch aannemelijk gemaakt.

De rechtbank overweegt tenslotte dat eiseres haar bezwaren zoals nu aangevoerd kan indienen in de procedures om te komen tot het verlenen van vrijstelling en bouwvergunningen en in de bestemmingsplanprocedures. In de onderhavige procedure komt aan deze bezwaren niet dat gewicht toe dat eiseres er aan wil verbinden.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het beroep ongegrond is en dat het bestreden besluit in stand kan blijven.

Voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten van eiseres ziet de rechtbank geen aanleiding.

Op grond van het bepaalde in artikel 8:70 van de Awb wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING.

De rechtbank te Maastricht:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. J.N.F. Sleddens in tegenwoordigheid van mr. M.E.J.M. Vorstermans-Rompelberg als griffier en in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2002 door mr. Sleddens voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. M. Vorstermans w.g. J. Sleddens

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Verzonden op: 24 januari 2002

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.