Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2002:AD9530

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
21-02-2002
Datum publicatie
25-02-2002
Zaaknummer
53138
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis : 21 februari 2002

Rolnummer : 53138 / HA ZA 99-1205

De rechtbank te Maastricht, enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van:

[vrouw],

wonende te [H]

eiseres,

procureur mr. W.A.M. Maatman-Abarbanel (toevoeging);

tegen:

[man],

wonende te [B],

gedaagde,

procureur mr. M.C.L.G.J. Ruyters-Stevens (toevoeging).

1. Het verdere verloop van de procedure

De deskundige heeft bij brief van 7 november 2001 zijn op 2 november 2001 opgemaakte rapport van het bij het tussenvonnis van 21 september 2000 gelaste deskundigenbericht uitgebracht en aan de rechtbank toegezonden.

De deskundige heeft verzuimd het rapport, zoals was bepaald in genoemd tussenvonnis, in concept aan partijen toe te sturen om partijen de gelegenheid te geven tot het leveren van commentaar.

De rechtbank heeft daarom een copie van het rapport aan beide partijen gezonden.

Bij brieven van 13 november 2001 (de vrouw) en 14 november 2001 (de man) hebben partijen aan de rechtbank laten weten dat kan worden afgezien van het commentaar van partijen en delen zij mede dat in deze zaak eindvonnis kan worden gewezen.

De uitspraak van het vonnis is daarna door de rechtbank ambtshalve nader op heden bepaald.

2. Verdere beoordeling

2.1

Bij voornoemd tussenvonnis, waarbij de rechtbank volhardt, heeft de rechtbank een deskundigenonderzoek gelast ter vaststelling van de waarde van de wapens en munitie, voorkomende op de lijst zoals die op 3 november 1999 door mr. [R.], toegevoegd kandidaat-deurwaarder is opgemaakt van de door hem onder de man in conservatoir beslag genomen wapens en munitie.

De deskundige is tot de bevinding gekomen dat de wapens en munitie een waarde vertegenwoordigen van fl. 3.306,50 (€ 1.500,42). De rechtbank neemt die conclusie over. Tussen partijen staat vast dat deze wapens en munitie aan de man moeten worden toebedeeld. Dit betekent dat, nu er tevens vanuit gegaan kan worden dat partijen zich met de waardevaststelling van deze zaken door de deskundige ook verenigen, de man de man de helft van de vastgestelde waarde aan de vrouw dient te betalen teneinde de overbedeling met betrekking tot de wapens en munitie weer teniet te doen.

De rechtbank zal aldus beslissen en daarbij voorbijgaan aan de opmerking van de vrouw dat er na de inbeslagneming kennelijk munitie door de politie is vernietigd, nu zij niet heeft aangegeven om welke munitie het exact gaat. De rechtbank oordeelt voorts dat indien de stelling van de vrouw juist is, er vanuit gegaan kan worden dat het om een zeer geringe hoeveelheid gaat, gezien het feit dat de door de deskundige opgemaakte lijst nagenoeg geheel overeenstemt met de door de deurwaarder opgemaakte lijst van de wapens en munitie. Dit zo zijnde kan er aangenomen worden dat in geval er niet toelaatbare munitie is geweest en deze door de politie is vernietigd en de aanschafkosten op grond van het bepaalde in artikel 1:94 BW ten laste zijn gekomen van de gemeenschap van goederen van partijen omdat op grond van het feit dat de waarde van dit aan de man toe te bedelen bezit over partijen verdeeld wordt, inhoudt dat er geen sprake kan zijn van verknochtheid van deze zaken aan de man.

2.2 De overige activa van partijen.

2.2.1 Uit de stukken en uit het proces-verbaal van de gehouden comparitie na antwoord blijkt dat de man in de echtelijke woning is blijven wonen nadat de vrouw met het kind van partijen in september 1998 de woning definitief verlaten heeft onder medeneming van een aantal lijfsgoederen en kinderkleding. Ter genoemde comparitie is verder gebleken dat de man heeft toegezegd nog een aantal spullen voor en van het kind van partijen aan de vrouw te zullen afgeven en dat hij heeft ontkend een gouden naamplaatje van de vrouw en een aantal door de vrouw genoemde babyspullen, zoals geborduurde schilderijtjes en een doopjurkje, te bezitten.

Nu de vrouw op grond van die standpunten van partijen met betrekking tot deze laatstgenoemde boedelgoederen bewijs van haar stellingen zou moeten leveren, maar geen bewijs heeft aangeboden, en dus ten aanzien van deze zaken haar stellingen niet hard kan maken zal de rechtbank haar vordering, voor zover die op deze zaken zien, afwijzen.

De rechtbank gaar er verder vanuit dat de man zijn ter comparitie na antwoord gedane belofte om de schommelstoel, de opbergbox op wielen, een airgrill en twee trekpoppen aan de vrouw ter hand te stellen, is nagekomen, nu de vrouw ten aanzien van deze zaken in het verdere verloop van de procedure niets meer heeft naar voren gebracht. De rechtbank neemt zulks ook aan ten aanzien van het tussen partijen uitwisselen van een videoband en foto-negatieven, zodat omtrent deze laatste zaken geen beslissing hoeft te worden genomen.

2.2.2

Uit het reeds genoemde proces-verbaal na comparitie moet verder worden opgemaakt dat partijen het erover eens zijn dat de waarde van de in september 1998 onder de man gebleven auto van partijen, een Toyota met kenteken JJ-ZL-21, toen fl. 10.000,-- (€ 4.547,80) bedroeg en dat dit bedrag ter zake deze auto tussen partijen moet worden verrekend. De rechtbank zal aldus beslissen en bepalen dat de man wegens toedeling van de auto aan hem de helft van de somma van fl. 10.000,-- (€ 4.547,80), zijnde fl. 5.000,-- (€ 2.268,90) aan de vrouw dient te betalen.

2.2.3

De man heeft niet weersproken dat er een personal computer in de boedel valt. Hij stelt te dien aanzien evenwel dat partijen deze eind 1997, dan wel begin 1998 om niet hebben gekregen van de werkgever van de moeder van de man omdat deze door die werkgever al geheel was afgeschreven. Deze computer is overigens al een tijd stuk.

Ter comparitie en daarna heeft de vrouw deze stelling niet weersproken. De rechtbank zal de computer derhalve aan de man laten zonder een verrekenplicht dienaangaande aan de man op te leggen.

2.2.4

De man heeft betwist dat partijen in het bezit van een broodmachine zijn geweest. Er is een broodmachine in huis geweest, maar die behoorde toe aan de grootouders van de vrouw. Hij heeft deze machine, na die voor de grootouders te hebben laten repareren, aan de grootouders teruggegeven. Ter meer genoemde comparitie heeft de vrouw kennelijk daarom haar vordering ter zake de broodmachine ingetrokken, zodat daaromtrent niet meer beslist hoeft te worden.

2.2.5

Zoals hierboven reeds vastgesteld is, is de man in de echtelijke woning blijven wonen en heeft hij de stelling van de vrouw dat zij bij haar vertrek uit de woning in september 1998 de gehele inboedel, op hierboven onder 2.2.1, 2.2.3 en 2.2.4 genoemde zaken na, plus de auto in en bij de woning heeft achtergelaten, niet weersproken.

Ter comparitie zijn partijen het erover eens geworden dat de waarde van de aan de man blijvende inboedel op fl. 10.000,-- (€ 4.537,80) kan worden gesteld. Hieruit vloeit voort dat de man aan de vrouw de somma van fl. 5.000,-- (€ 2.268,90) dient te voldoen teneinde zijn overbedeling met betrekking tot de inboedelgoederen van partijen ten opzichte van de vrouw ongedaan te maken.

De rechtbank zal ten aanzien van de roerende inboedelzaken van partijen aldus beslissen.

2.2.6

Ter comparitie na antwoord heeft de vrouw medegedeeld dat zij afziet van haar aanspraken op het door de man opgebouwde pensioen. De rechtbank neemt op grond van die mededeling aan dat de vrouw haar vordering ter zake aanspraken op pensioenrechten conform de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (WVP) vermindert en daaromtrent geen beslissing hoeft te worden genomen.

2.3 De schulden van partijen.

2.3.1

De vrouw heeft aangetoond dat zij een schuld aan Wehkamp met bedragen van fl. 75,-- en fl. 333,77 heeft afgelost. De man heeft ter zake deze schuld gesteld, dat hij daarop ook fl. 85,-- heeft afgelost en dat de vrouw kennelijk nog na haar vertrek uit de woning schulden bij Wehkamp heeft doen ontstaan, zodat die geheel voor haar rekening komen.

Nu de man zijn betaling ad fl. 85,-- op deze schuld niet met justificatoire bescheiden heeft aangetoond en tevens heeft nagelaten bewijs aan te bieden van zijn stelling dat de vrouw na haar vertrek uit de woning nog zaken op afbetaling bij Wehkamp heeft aangeschaft, terwijl wel vaststaat dat de vrouw deze schuld tijdens de huwelijkse periode van partijen heeft afgelost, dient de man de helft van het bedrag ad totaal fl. 408,77 (€ 185,49), zijnde fl. 204,39 (€ 92,75) aan de vrouw terug te betalen.

De rechtbank zal aldus beslissen.

2.3.2

De schulden aan de Rabobank en de SNS-bank.

Uit het proces-verbaal opgemaakt naar aanleiding van de gehouden comparitie na antwoord blijkt dat partijen het ter zake de schuld aan de Rabobank erover eens zijn dat deze schuld in september 1998 (toen partijen uit elkaar zijn gegaan) fl. 14.180,67 bedroeg en dat deze schuld per datum ontbinding huwelijk op 27 september 1999 nog fl. 11.798,03 was en dat door de man daarop fl. 300,-- per maand aan aflossing en rente moet worden voldaan. Ten aanzien van de schuld aan de SNS bank beliepen deze bedragen per genoemde data fl. 26.697,69, respectievelijk fl. 20.652,93 en dat daarop maandelijks een bedrag van fl. 503,77 aan rente en aflossing moet worden voldaan.

Ter comparitie na antwoord heeft de vrouw zich ter zake deze schulden op het standpunt gesteld dat die tussen partijen verdeeld moeten worden conform de het arrest van het Hof te 's-Hertogenbosch van 27 mei 1987 (NJ 1988,545), omdat bij de bepaling van de draagkracht van de man in verband met het wel of niet moeten voldoen van alimentatie voor haar en het kind van partijen, rekening is gehouden met de stelling van de man dat hij deze schulden voldoet en mede daarom geen draagkracht heeft om de gevraagde alimentatie te voldoen. De vrouw is naar de strekking van dit arrest van oordeel dat vanwege de termijnbetalingen die de man in verband met deze schulden voldoet (of had moeten voldoen) waardoor zij geen alimentatie krijgt, die schulden op deze manier feitelijk ook voor de helft ten laste van haar komen. Mede hierom acht de vrouw het in strijd met de redelijkheid en billijkheid, wanneer de man na betaling van deze schulden onder deze omstandigheden de helft van die schulden alsnog op grond van het bepaalde in artikel 1:102 lid 2 BW op haar zou verhalen of zou kunnen verhalen.

De rechtbank stelt vast dat de man ter comparitie en ook nadien niet heeft tegengesproken dat in het onderhavige geval deze schulden niet op de wijze als door het Hof beslist over partijen kunnen worden verdeeld. Nu de rechtbank voorts is gebleken dat de vrouw ter zake de tot op heden vervallen termijnen van deze schulden het Hof juist heeft geïnterpreteerd, zal de rechtbank op grond hiervan conform de beslissing van het Hof de termijnen die ten tijde van het wijzen van dit vonnis (21 februari 2002) inmiddels zijn vervallen en de man als voormeld ten laste van beide partijen reeds heeft voldaan of had moeten voldoen, in mindering brengen op de hoofdsommen ten tijde van de datum ontbinding huwelijk per 27 september 1999 zijnde fl. 11.798,03 voor de schuld aan de Rabobank en fl. 20.652,93 voor de schuld aan de SNS-bank en stelt zij vast dat de vrouw voor die vervallen termijnen niet draagplichtig is en de draagplicht voor dat deel van de schulden derhalve volledig op de man rust.

De rechtbank volgt het Hof ook in zijn beslissing ter zake de resterende hoofdsom gewezen in de door het Hof behandelende zaak, waarin het zoals gesteld op 27 mei 1987 uitspraak heeft gedaan. Dit betekent in deze zaak dat beide partijen voor de resterende hoofdsommen vanaf het wijzen van dit vonnis, zijnde fl. 5.042,38 (€ 2.288,13) voor de schuld aan de Rabobank en fl. 6.044,76 (€ 2.742,99) voor de schuld aan de SNS-bank ieder voor de helft draagplichtig zijn met dien verstande dat de vrouw op haar helft in mindering kan brengen de helft van de na heden te vervallen termijnen van in totaal fl. 803,73 [€ 364,72] ( zijnde de termijnbedragen van fl. 300,-- en fl. 503,73) per maand gedurende de periode dat de beschikking van de rechtbank van 15 juli 1999, waarin is vastgesteld dat de man geen draagkracht heeft om enige alimentatie te voldoen, van kracht is, dan wel een nieuwe alimentatiebeschikking van kracht zou worden waarin op dezelfde wijze rekening wordt gehouden met de draagkrachtverminderende omstandigheden en bedoelde termijnen dus door de man moeten worden voldaan en de vrouw niet draagplichtig blijft of is voor de betaling van deze schulden en niet is gesteld of anderszins is gebleken dat de man of vrouw wijziging heeft verzocht van het in de echscheidingsbeschikking gegeven oordeel ter zake de alimentatieverplichting van de man.

De rechtbank zal ten aanzien van de in het kader van artikel 3:185 BW gevorderde toebedeling van deze schulden over partijen beslissen in de zin als hierboven aangegeven en dus voor recht verklaren dat de draagplicht voor deze schulden per datum vonnis berust bij de man, zolang niet omtrent de alimentatieverplichting van de man ten opzichte van de vrouw en het kind van partijen anders is beslist dan in genoemde echtscheidingsbeschikking van 15 juli 1999.

2.4

De vrouw heeft gevorderd ex-artikel 3:185 BW de verdeling van de gemeenschap van goederen van partijen vast te stellen. Nu op grond van deze bepaling en daarmee in verband houdende rechtspraak de rechter die in dit kader beslist niet gebonden is aan hetgeen partijen naar voren hebben gebracht en dus zelf de wijze van verdeling van gemeenschappelijke goederen kan vaststellen, maar daarbij wel gehouden is naar biilijkheid rekening te houden met zowel de belangen van partijen als met het algemene belang, zal de rechtbank in deze zaak, aan de bedragen, die de man uit hoofde van hetgeen hierboven onder 2.1, 2.2.2, 2.2.5 en 2.3.1 is uitgemaakt aan de vrouw dient te voldoen, een rentevergoeding verbinden en in verband daarmee bepalen dat de man indien hij nalaat binnen een maand na betekening van dit vonnis het totaalbedrag aan de vrouw te voldoen gehouden is vanaf dat moment over de totaalsom mede de wettelijke rente te voldoen.

2.5

Partijen zijn ex-echtelieden. Op grond hiervan zal de rechtbank bepalen dat partijen gelijkelijk de kosten verbonden aan het opmaken van het deskundige rapport moeten dragen en hen daartoe veroordelen en conform het bepaalde in artikel 56 Rv (oud, artikel 237 Rv nieuw) bepalen dat de kosten van deze procedure tussen partijen worden gecompenseerd als hierna in het dictum aan te geven.

3. Uitspraak

De rechtbank:

Stelt de verdeling van de ontbonden gemeenschap van goederen van partijen aldus vast dat aan de man wordt toebedeeld:

a. de wapens en munitie als omschreven in het door de deskundige op 2 november 2001 opgemaakte rapport tegen een waarde van fl. 3.306,50 (€ 1.500,42) en bepaalt dat de man uit dien hoofde aan de vrouw is verschuldigd de somma van fl. 1.653,25 (€ 705,21);

b. de auto van partijen, zijnde een Toyota met kenteken JJ-ZL-21 tegen een waarde van fl. 10.000,-- (€ 4.547,80 en bepaalt dat de man uit dien hoofde aan de vrouw dient te voldoen de somma van fl. 5.000,-- (€ 2.268,90);

c. de inboedel als onder 2.2.5 is overwogen en bepaalt te dien aanzien dat de man aan de vrouw dient te voldoen de somma van fl. 5.000,-- (€ 2.268,90);

d. de helft van de door de vrouw aan Wehkamp voldane schuld als overwogen onder 2.3.1 en bepaalt te dien aanzien dat de man de somma van fl. 204,39 (€ 92,75) aan de vrouw dient te voldoen;

e. de personal computer en bepaalt dat die toedeling om niet geschiedt.

Verklaart voor recht dat de draagplicht voor de schulden van partijen aan de Rabobank en de SNS-bank ter zake de tot heden vervallen termijnen geheel bij de man berust en ter zake de termijnen vanaf heden voor deze schulden ad fl. 300,-- (€ 136,13) betreffende de resterende hoofdsom van de schuld aan de Rabobank, respectievelijk ad fl. 503,73 (€ 228,58) betreffende de resterende hoofdsom van de schuld aan de SNS-bank bij de man berust, zolang omtrent de alimentatieplicht van de man jegens de vrouw en het kind van partijen niet anders is beslist dan in de tussen partijen gegeven echtscheidingsbeschikking van 15 juli 1999.

Veroordeelt de man tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de vrouw te betalen de hierboven onder a,b,c en d genoemde bedragen ad in totaal fl. 11.857,64 of wel € 5.380,76, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 1 maand na betekening van dit vonnis bij uitblijven van betaling op dat tijdstip tot aan de dag der algehele voldoening

Veroordeelt de man en de vrouw elk tot betaling aan de griffier van de rechtbank van de helft van het door de griffier voor de kosten van de deskundige voorgeschoten bedrag ad totaal fl. 224,--, zijnde derhalve voor elk van partijen fl. 112,- of wel € 50,32.

Verstaat dat de vrouw haar vorderingen betreffende de roerende zaken als overwogen onder 2.2.1 en 2.2.4 alsmede haar vordering betreffende pensioenaanspraken heeft ingetrokken.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Compenseert de kosten van deze procedure aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.L.J. Voogt, rechter, en ter openbare terechtzitting van 21 februari 2002 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

LD/LD