Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2002:AD9461

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
15-02-2002
Datum publicatie
21-02-2002
Zaaknummer
70088
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE MAASTRICHT

Zaaknummer: 70088 / KG ZA 01-436

Datum uitspraak: 15 februari 2002

VONNIS IN HET KORT GEDING VAN:

De naamloze vennootschap naar het recht van België [EISER],

gevestigd te Brussel (België),

eiseres bij exploot van kort geding d.d. 9 november 2001,

procureur: mr. B. de Bruijn,

advocaat: mr. J.P.M. Mol, kantoor houdende te Son en Breugel,

tegen:

De vennootschap onder firma [GEDAAGDE],

gevestigd en kantoor houdende te Geleen, gemeente Sittard-Geleen,

gedaagde,

procureur: mr. Ph.A.A. Nijbakker

1. Het verloop van de procedure

1.1 Eiseres (verder te noemen: “[eiser]”) heeft gedaagde (verder te noemen: “[gedaagde]”)

gedagvaard in kort geding en ten dienende dage, 6 februari 2002, geconcludeerd voor eis overeenkomstig de inhoud van de dagvaarding. Vervolgens heeft [eiser] haar vordering nader doen toelichten aan de hand van een pleitnota, zulks onder verwijzing naar op voorhand toegezonden producties.

1.2 [Gedaagde] heeft aan de hand van een pleitnota verweer gevoerd, eveneens met

verwijzing naar op voorhand toegezonden producties.

1.3 Partijen hebben vervolgens op elkaars stellingen gereageerd.

1.4 Ten slotte hebben zij om vonnis verzocht. De uitspraak van dat vonnis is bepaald op

heden.

2. Het geschil

2.1 Op 5 juni 1998 heeft [eiser]s rechtsvoorganger [betrokkene A] als lessor met het te

Mechelen (België) gevestigde [betrokkene B] (verder te noemen: “[betrokkene B]”) als lessee een “onopzegbare” overeenkomst van financial lease gesloten met betrekking tot de Frigo-oplegger, merk Van Hool, chassisnummer 82281, kenteken USD.120, bouwjaar 1998, zulks tegen een leaseprijs van Bfr. 35.527,- per maand en Bfr. 03,55 per kilometer.

2.2 [Betrokkene B] heeft als opdrachtgever op 13 augustus 1998 met [gedaagde] als vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten voor de duur van drie jaren, waarbij voormelde oplegger aan [gedaagde] ter beschikking is gesteld (aldus [gedaagde]). [Gedaagde] stelt uit hoofde van deze vervoersovereenkomst nog een bedrag van

fl. 67.994,92 aan openstaande facturen van [betrokkene B] te vorderen te hebben.

2.3 Op 30 oktober 2000 is [betrokkene B] in staat van faillissement verklaard. [Gedaagde] heeft haar voormelde vordering ter verificatie in het faillissement ingediend.

2.4 Ten gevolge van dat faillissement heeft [eiser] als eigenaar aan [gedaagde], die de oplegger onder zich had, om teruggave daarvan verzocht. Onder verwijzing naar de open-staande facturen weigert [gedaagde] zulks tot op heden echter, zich beroepende op een retentierecht (ter zitting heeft [gedaagde] overigens te kennen gegeven dat de oplegger zich thans op de parkeerplaats van Kepu B.V. te Heerlen bevindt).

2.5 [Eiser] heeft in dit geding gevorderd bij vonnis, uitvoer bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis de bedoelde Frigo-oplegger aan [eiser] af te geven, met veroordeling van [gedaagde] tot het betalen aan [eiser] van een dwangsom van fl. 10.000,- voor iedere dag dat [gedaagde] in gebreke mocht blijven hieraan te voldoen, alsmede met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

2.6 [Gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3. De beoordeling

3.1 De inzet van dit geding -revindicatie van een zaak met een aanzienlijke waarde in het

economisch verkeer- brengt reeds een voldoende spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening met zich.

3.2.1 Aangezien het hier een zaak met grensoverschrijdende aspecten betreft, dient

vooreerst onderzocht te worden welk nationaal recht op het ingeroepen retentierecht van toepassing is.

3.2.2 Naar de stand van het Nederlands internationaal privaatrecht op dit moment, moet de vraag naar het bestaan en de inhoud van het retentierecht worden beoordeeld naar het recht dat de onderliggende rechtsverhouding beheerst. De onderliggende rechtsverhouding is in dit geval die tussen [betrokkene B] en [gedaagde]. Houdt men er rekening mee dat [eiser] de authenticiteit van het door [gedaagde] overgelegde exemplaar van de vervoersovereen-komst tussen [betrokkene B] en [gedaagde] met klem heeft bestreden, dan is er weining over die rechtsverhouding waarover partijen het eens zijn. Onbestreden is in ieder geval gebleven de stelling van [eiser] dat die rechtsverhouding het nauwst is verbonden met Nederland, zodat daarvan voorshands zal worden uitgegaan. Deze vaststelling is van belang omdat het ten deze toepasselijke artikel 4 lid 1 van het EVO-verdrag dit criterium aanlegt bij de beoordeling van de vraag welk recht de rechtsverhouding beheerst. Het een en ander leidt tot de slotsom dat het ingeroepen retentierecht dient te worden beoordeeld naar het Nederlandse recht.

3.3 Bezien wordt voorts of, zoals [gedaagde] heeft betoogd, het op de oplegger uitgeoefen-

de retentierecht kan worden ontleend aan een bijzondere bepaling uit het wegvervoersrecht, zoals opgenomen in titel 13 van Boek 8 BW. Het daarvan onderdeel uitmakende artikel

8: 1131 BW kent in zijn tweede lid de wegvervoerder onder zekere omstandigheden een retentierecht toe op “zaken of documenten” die hij in verband met de vervoersovereenkomst onder zich heeft. Onaannemelijk is echter dat de wetgever met de voormelde zaken ook vervoermiddelen (zoals een oplegger) op het oog heeft gehad. Immers maakt het tweede lid duidelijk dat het moet gaan om “vervoer van zaken” en bepaalt het derde lid dat het zaken of documenten betreft die de vervoerder “ten vervoer” heeft ontvangen. De redactie van artikel 8: 30 BW (retentierecht op "zaken" volgens de algemene bepalingen van het vervoersrecht) noopt eveneens tot een dergelijk restrictieve uitleg van dit begrip. Op dit een en ander stuit het verweer af.

3.4 Alsdan komt de vraag aan de orde of het terughouden van de oplegger grond vindt in de algemene regeling van het retentierecht, zoals opgenomen in titel 10.4 van Boek 3 BW. Ingevolge artikel 3: 291 lid 2 BW, toegepast op het onderhavige geval, komt het aan op de vraag of [betrokkene B] bevoegd was met betrekking tot de meergenoemde oplegger met [gedaagde] een vervoersovereenkomst te sluiten (en zo neen, of [gedaagde] reden had aan die bevoegdheid te twijfelen). Niets, ook het litigieuze contract niet, wijst er op dat [betrokkene B] deze bevoegdheid niet toekwam. Met name valt niet in te zien, zoals [eiser] lijkt te betogen, dat de omstandigheid dat [betrokkene B] niet de eigenaar van de oplegger was, aan het aannemen van die bevoegdheid in de weg zou staan.

3.5 Mitsdien moet het ervoor worden gehouden dat [gedaagde] met betrekking tot de

bedoelde oplegger een retentierecht kan uitoefenen voor de door haar van [betrokkene B] te ontvangen bedragen. Voorbij zal dus worden gegaan aan [eiser]s verweer waarin zij de verschuldigdheid van deze bedragen bestrijdt. Een debat daarover behoeft een nader onderzoek naar feiten en omstandigheden, waarvoor in kort geding geen plaats is. Ook het dienaangaande nog gevoerde subsidiaire verweer treft geen doel, voor zover het inhoudt dat, waar [betrokkene B] gebruik maakte van verscheidene opleggers, niet blijkt dat de gefactureerde bedragen betrekking hebben op juist de onderhavige oplegger. Niet nood-zakelijk is immers dat het met de vordering enerzijds en de opgeschorte afgifte anderzijds om tegenover elkaar staande verbintenissen gaat. Voldoende is dat er samenhang is tussen deze verbintenissen, in dier voege dat zij over en weer voortvloeien uit zaken die partijen regelmatig met elkaar hebben gedaan (artikel 6: 52 BW). Een dergelijke samenhang is in dit geval minstgenomen aanwezig.

3.6 De gevraagde voorziening moet worden geweigerd.

3.7 Als de in het ongelijk gestelde partij wordt [eiser] veroordeeld in de kosten van het geding.

4. Uitspraak

De voorzieningenrechter van de rechtbank te Maastricht;

RECHT DOENDE IN KORT GEDING:

Weigert de gevraagde voorziening;

Veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, aan de zijde van [gedaagde] gerezen, tot aan deze uitspraak begroot op een bedrag van € 896,36, waarvan € 193,- wegens verschuldigd vast recht en € 703,36 voor salaris procureur;

Verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. A.M. Adelmeijer, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting in het bijzijn van de griffier.

RQ