Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2002:AD8993

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
24-01-2002
Datum publicatie
08-02-2002
Zaaknummer
AWB 2000/1589 WAO Z
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Financieel voordeel in de vorm van uitbetaalde dagen moet worden betrokken bij de berekening van het maatmanloon.

Besluit tot toekenning van WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65-80%.

Onderwerp van geschil is het gegeven dat verweerder bij het vaststellen van het maatman-inkomen geen rekening heeft gehouden met eisers zes extra betaalde reisdagen.

Volgens eiser moeten die dagen wel meegenomen worden, omdat ze hem zijn uitbetaald. Verweerder stelt zich daarentegen op het standpunt dat extra, al dan niet uitbetaalde, reis- en vakantiedagen buiten beschouwing gelaten dienen te worden. De WAO is immers een loondervingsuitkering, waarbij het loon in principe niet is gerelateerd aan arbeidsomvang voor zover het een verzekerde betreft die fulltime werkt. Op dit principe stoelt de bestendige praktijk niet steeds uit te gaan van het effectieve aantal uren dat iemand werkt, maar te volstaan met de "standaard"-omvang van de arbeidstijd.

Voorts heeft de gemachtigde van verweerder gewezen op de uitspraak van de Centrale Raad van 1 augustus 2001 (in de zaken 97/9788 AAW/WAO en 01/548 AAW/WAO), waarin de Centrale Raad, kort gezegd, heeft overwogen dat in het geval een werknemer over een aantal dagen zonder te werken loon heeft ontvangen, daarmee het uit de dienstbetrekking genoten financiële voordeel niet groter wordt. In die zaak maakte het niet uit, zo stelt verweerder, of het om betaald of onbetaald verlof gaat.

De rechtbank volgt verweerder hierin niet. In de uitspraak van de Centrale Raad ging het om onbetaald verlof. Het verschil tussen de onderhavige casus en die van de uitspraak van 1 augustus 2001 is dat in deze zaak wel degelijk sprake is van een financieel voordeel, namelijk zes uitbetaalde dagen, terwijl het in de hoger beroepszaak ging om onbetaald verlof zonder financieel voordeel. Die zes uitbetaalde dagen moeten, net zoals overwerk of bonussen, omdat het om een financieel voordeel gaat, wel worden betrokken bij de berekening van het maatmanloon.

Verweerder heeft dit ten onrechte nagelaten.

Beroep gegrond.

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

mr. M.C.A.E. van Binnebeke

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18, geldigheid: 2002-01-24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Reg.nr: AWB 2000/1589 WAO Z

UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in het geding tussen

A wonende te B, eiser,

en

Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), gevestigd te Amsterdam, als rechtsopvolger van het Bestuur van het Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen -GAK Nederland BV Maastricht-.

Datum bestreden besluit: 12 december 2000.

Kenmerk: AO 186.018.10.

Behandeling ter zitting: dinsdag 8 januari 2002.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Bij brief van 12 december 2000 heeft verweerder aan eiser mededeling gedaan van een ten aanzien van eiser genomen besluit op bezwaar inzake de toepassing van de Wet op de arbeidsongeschikt-heidsverzekering (WAO).

Bij brief van 14 december 2000 heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen, namens eiser tegen dat besluit beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezon-den stukken en het verweerschrift zijn op 16 januari 2001 in afschrift aan de gemachtigde van eiser gezonden.

Bij brief van 19 januari 2001 heeft voornoemde gemachtigde gereageerd op de toegezonden stukken het verweerschrift.

Met toepassing van het bepaalde in artikel 8:26 van de Awb is X BV te Y in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

De tijdens het verdere verloop van het geding aan het dossier toegevoegde stukken zijn aan partijen toegezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op dinsdag 8 januari 2001, alwaar eiser is verschenen bij gemachtigde mr. Brauer voornoemd. Verweerder is, na daartoe te zijn opgeroepen, verschenen bij gemachtigde mw.mr. I.A.H. Olivers-Schuwirth.

II. OVERWEGINGEN.

Per 1 januari 2002 zijn in werking getreden de Wet Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen (SUWI) en de Invoeringswet Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen (iSUWI), Stb. 2001/682.

Op grond van artikel 9, eerste lid, van laatstgenoemde wet gaan de publiekrechtelijke rechten en verplichtingen van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) en de uitvoeringsinstellingen per die datum over op het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV).

Het tweede lid bepaalt dat een door het Lisv genomen besluit geldt als een besluit van het UWV.

Ingevolge de artikelen 11 en 12 van diezelfde wet treedt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzeke-ringen in de onderhavige procedure als verwerende partij in de plaats van (het bestuur van) het Lisv respectievelijk de uitvoeringsinstellingen.

In deze uitspraak wordt onder verweerder tevens verstaan: Uitvoeringsinstituut werknemersverzeke-ringen (UWV-GAK).

Eiser, geboren […] 1950, is laatstelijk werkzaam geweest als […] en met ingang van 22 augustus 1997 in het genot gesteld van uitkeringen in het kader van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de WAO. Bij besluit van 18 mei 1998 is de uitkering met ingang van 30 juni 1998 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80% van de WAO en bij besluit van 24 november 1998 ongewijzigd vastgesteld op 65 tot 80% van de WAO.

Blijkens de stukken is eiser op 22 december 1998 opnieuw arbeidsongeschikt geworden.

De verzekeringsarts R.J. Kox heeft op basis van eigen onderzoek van eiser in zijn rapportage alge-meen van 18 maart 1999 aangegeven welke medische beperkingen eiser zou ondervinden bij het verrichten van werkzaamheden.

Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige N. Kerssemeeckers in zijn rapportage algemeen van 3 april 2000 aangegeven dat eiser, met inachtneming van vermelde beperkingen, nog in staat wordt geacht een aantal werkzaamheden te verrichten. Eiser zijn functies genoemd welke naar het oordeel van verweerder als algemeen geaccepteerde arbeid kunnen worden aangemerkt. Met het verrichten van die werkzaamheden zou eiser een verlies aan verdienvermogen hebben van 68,5%.

Bij brief van 5 april 2000 is eiser hierover schriftelijk geïnformeerd.

Bij besluit van 27 april 2000 heeft verweerder eiser doen weten dat zijn mate van arbeidsongeschikt-heid ongewijzigd wordt vastgesteld op 65 tot 80% van de WAO.

Tegen dit besluit is namens eiser op 16 mei 2000 bezwaar aangetekend. Bij brief van 2 juni 2000 heeft de gemachtigde van eiser de gronden van het bezwaar kenbaar gemaakt. Bij brieven van 14 juni 2000 en 21 juni 2000 heeft de gemachtigde het standpunt van eiser toegelicht. Voorts heeft deze gemachtigde doen weten niet te zullen verschijnen op de hoorzitting.

Vervolgens heeft de bezwaarverzekeringsarts mevr. J. Jonker in haar rapportage algemeen van 31 augustus 2000 ten aanzien van eiser gerapporteerd.

De bezwaararbeidsdeskundige A.F.M. van Belkom heeft zulks gedaan in zijn rapportage algemeen van 20 november 2000 en -kort samengevat- doen weten dat ook met een aantal arbeidskundige wijzigingen eisers mate van arbeidsongeschiktheid onveranderd gehandhaafd kan blijven in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 65 tot 80% van de WAO.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

Blijkens het beroep- en aanvullend beroepschrift kan eiser zich niet verenigen met het standpunt van verweerder.

In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of het bestreden besluit van in rechte kan worden gehandhaafd. Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.

In het onderhavige geval is op eiser van toepassing het arbeidsongeschiktheidscriterium, zoals dat als gevolg van de Wet TBA per 1 augustus 1993 is komen te luiden.

Voorts is van toepassing de op 1 januari 1998 in werking getreden Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) als bedoeld in artikel 18, achtste en tiende lid, van de WAO, artikel 2, zevende en negende lid, van de Waz, en artikel 2, achtste en tiende lid, van de Wajong (Staatsblad 1997/801), verder te noe-men het Schattingsbesluit WAO, Waz, Wajong, zoals dat luidde tot 26 juli 2000.

Tevens is van toepassing het Besluit uurloonschatting 1999 van 11 februari 1999, Staatscourant 1999, 40. Dit besluit is in werking getreden op 1 april 1999.

Voorop gesteld moet worden dat eerst dan sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO, zoals die wet per 1 augustus 1993 is komen te luiden, indien de belanghebbende -kort gezegd- als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken geheel of gedeelte-lijk buiten staat is met algemeen geaccepteerde arbeid te verdienen wat gezonde personen met gelij-ke opleiding en ervaring gewoonlijk verdienen. Bedoelde personen worden in de praktijk aangeduid met het begrip "maatman" respectievelijk "maatvrouw".

Bij de beantwoording van de vraag of iemand arbeidsongeschikt is in de zin van die wetgeving, en zo ja in welke mate, zijn dus in het bijzonder de volgende factoren van belang:

-of de betrokkene medische beperkingen heeft;

-of en in hoeverre betrokkene als gevolg daarvan buiten staat is met algemeen geaccepteerde arbeid een inkomen te verwerven.

Ten aanzien van de medische component.

Met verweerder, en op de door verweerder in het thans bestreden besluit vermelde gronden, is de rechtbank van oordeel dat verweerder, in navolging van de betrokken verzekeringsartsen, de ten aanzien van eiser in aanmerking genomen medische beperkingen, zoals verwoord in het voor eiser opgestelde belastbaarheidspatroon d.d. 25 april 1997 en aangevuld op 24 februari 1998, op een juiste wijze heeft vastgesteld.

De rechtbank hecht in dit verband doorslaggevende betekenis toe aan de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts mw. J. Jonker die in haar rapportage algemeen van 31 augustus 2000 haar standpunt heeft geadstrueerd.

De rechtbank ziet, gelet op het vorenstaande en nu eiser geen andersluidende informatie aangaande zijn gezondheidstoestand heeft overgelegd, geen grond voor het oordeel dat verweerders besluit berust op een onjuiste medische grondslag.

Ten aanzien van de arbeidskundige component.

Gelet op het verhandelde ter zitting van de rechtbank d.d. 8 januari 2002 staat thans vast dat eisers overwerk en bonus, reiskosten, werkgeversbijdrage VUT- en pensioenpremie niet meer ter discussie staan, nu deze loonkundige aspecten thans, zoals door de gemachtigde van eiser ter zitting is meege-deeld, wel in het maatmanloon zijn meegenomen zoals blijkt in de aanvullende rapportage algemeen van 19 december 2001 van bezwaararbeidsdeskundige A.F.M. van Belkom. Uit deze rapportage algemeen maakt de rechtbank op dat verweerder eisers maatmanuurloon thans heeft berekend op een uurloon van € 17,09 (¦ 37,67).

Ook de vijftien extra vakantiedagen staan niet meer ter discussie, nu de gemachtigde van eiser ter zitting heeft toegelicht dat deze vijftien extra vakantiedagen door de betrokken werknemers, waar-onder eiser, werden verdiend met het verrichten van overuren.

Vervolgens overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de rapportage algemeen van 20 november 2000 van bezwaararbeidsdeskundige A.F.M. van Belkom wordt het navolgende aangehaald:

"Gezien belanghebbende's opleiding, verwoordt in de primair arbeidskundige rapportage d.d.: 08-07-1997, (alleen LO in Tunesië: opleidingsniveau 1 á 2) en de resultaten van het psychologisch onderzoek d.d.: 17-02-1998: (een ondergemiddeld intelligentieniveau) wijk ik af van het oordeel van de primair arbeidsdeskundige die voor de functieduiding uitging van opleidingsniveau 2. Het opleidingsniveau dient te worden aangepast naar functieniveau 1.".

Ten aanzien van eiser worden vervolgens de navolgende functies voorgehouden:

fb-code functie functienummer arbeidsplaatsen uren per week loon

9716 inpakker 6226-0329-001 4 18 20,00

6226-0329-002 3 18

5414 medewerker schoonmaakdienst 9311-0025-029 39 14 19,11

ziekenhuis 9311-0025-028 39 18

9711 medewerker beddencentrale 9311-0187-008 2 20 16,82

9311-0304-004 3 18

9311-0249-060 1 9

9311-0249-058 8 4

5522 schoonmaker gebouwen 9821-9992-001 4 10 17,44

9821-0348-002 35 10

9621-0004-001 6 9

9821-0128-001 15 13

Uit de arbeidsmogelijkhedenlijst van 20 november 2000 (gedingstuk B80) kan worden opgemaakt dat voor de geduide functie met fb-code 9716 geldt: opleidingsniveau 2. Anders dan de gemachtigde van verweerder ter zitting naar voren heeft gebracht is de rechtbank van oordeel dat, gezien het oordeel van voornoemde bezwaararbeidsdeskundige, het door deze genoemd psychologisch onderzoek (ge-dingstuk 28), de daarin vermelde bevindingen ten aanzien van eisers intelligentie ("ondergemiddeld"), concentratie/aandacht ("prestatieniveau van een 6 jarige"), psychomotoriek ("vertraagde en onzorgvul-dige"), korte termijn geheugen ("toch aanwijzingen voor een verstoring") en lange termijn geheugen ("het geheugen lijkt ernstig te zijn aangetast op dit moment"), de voorgehouden functie van inpakker niet aan de schatting ten grondslag kan worden gelegd.

Gelet hierop dient als nieuw mediaanuurloon te worden gehanteerd de aan eiser voorgehouden reserve functie van schoonmaker gebouwen met een uurloon van € 7,91 (¦ 17,44). Gelet op het hierboven vermelde Besluit uurloonschatting 1999 dient er een correctiefactor te worden toegepast op het medi-aanuurloon en wel: 13 / 38 x € 7,91 = € 2,70. Gezien het in beroep vastgesteld maatmanuurloon van € 17,09 wordt eisers verlies aan verdiencapaciteit al meer dan 80% te weten 84,20%, hetgeen impliceert een indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 80 tot 100%.

Onderwerp van geschil is voorts nog het gegeven dat verweerder bij het vaststellen van het maatman-inkomen geen rekening heeft gehouden met eisers zes extra betaalde reisdagen.

Volgens eiser moeten die dagen wel meegenomen worden, omdat ze hem zijn uitbetaald. Verweerder stelt zich daarentegen op het standpunt dat extra, al dan niet uitbetaalde, reis- en vakantiedagen buiten beschouwing gelaten dienen te worden. De WAO is immers een loondervingsuitkering, waarbij het loon in principe niet is gerelateerd aan arbeidsomvang voor zover het een verzekerde betreft die fulltime werkt. Op dit principe stoelt de bestendige praktijk niet steeds uit te gaan van het effectieve aantal uren dat iemand werkt, maar te volstaan met de "standaard"-omvang van de arbeidstijd. Voorts heeft de gemachtigde van verweerder gewezen op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 1 augustus 2001 (in de zaken 97/9788 AAW/WAO en 01/548 AAW/WAO), waarin de Centrale Raad, kort gezegd, heeft overwogen dat in het geval een werknemer over een aantal dagen zonder te werken loon heeft ontvangen, daarmee het uit de dienstbetrekking genoten financiële voordeel niet groter wordt. In die zaak maakte het niet uit, zo stelt verweerder, of het om betaald of onbetaald verlof gaat.

De rechtbank volgt verweerder hierin niet. In de uitspraak van de Centrale Raad van 1 augustus 2001 ging het om onbetaald verlof. Zijdens verweerder is toen betoogd dat alle voordelen uit de dienstbetrekking voor de vaststelling van het maatmanloon moeten worden meegenomen. Als een werknemer over een aantal dagen zonder te werken loon heeft ontvangen, wordt daarmee het uit de dienstbetrekking genoten financiële voordeel niet groter. Dit geldt ook voor de werknemer die studieverlof krijgt of verlof in verband met persoonlijke omstandigheden. Deze redenering van verweerder heeft de Centrale Raad toen onderschreven.

In casu gaat het echter niet om onbetaald verlof of studieverlof, maar om een extra uitbetaling. Het verschil tussen de onderhavige casus en die van de uitspraak van 1 augustus 2001 is dat in deze zaak wel degelijk sprake is van een financieel voordeel, namelijk zes uitbetaalde dagen, terwijl het in de hoger beroepszaak ging om onbetaald verlof zonder financieel voordeel. Die zes uitbetaalde dagen moeten, net zoals overwerk of bonussen, omdat het om een financieel voordeel gaat, wel worden betrokken bij de berekening van het maatmanloon. Verweerder heeft dit ten onrechte nagelaten.

Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven en dat het beroep van eiser voor gegrond worden gehouden. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen.

Proceskosten.

Voorts acht de rechtbank termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten, die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken.

Deze proceskostenveroordeling heeft betrekking op de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waarvan het bedrag wordt vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

De rechtbank kent daarbij ter zake van de verrichte proceshandelingen twee punten met elk een waarde van € 322,18 (¦ 710,--) toe (voor de indiening van het beroepschrift 1 punt en voor het ver-schijnen ter zitting 1 punt) en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1). Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 2 x € 322,18 x 1 = € 644,37.

Nu aan eiser ter zake van het beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient het bedrag van de kosten ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden betaald aan de griffier van deze rechtbank.

Gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt mitsdien als volgt beslist.

III. BESLISSING.

De rechtbank te Maastricht:

1. verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit van 12 december 2000;

2. draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift 16 mei 2000;

3. bepaalt dat aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 27,23 wordt vergoed door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gevestigd te Amsterdam;

4. veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op € 644,37, zijnde de kosten van rechtsbijstand, te vergoeden door voormelde rechtspersoon aan de griffier van de arrondissementsrechtbank te Maastricht.

Aldus gedaan door mr. M.C.A.E. van Binnebeke in tegenwoordigheid van E.S.J.M. Naebers als griffier en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2002 door mr. Van Binnebeke voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. ESJM Naebers w.g. M.C. van Binnebeke

Voor eensluidend afschrift:

De griffier,

Verzonden op: 21 januari 2002

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.