Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2002:AD8413

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
23-01-2002
Datum publicatie
24-01-2002
Zaaknummer
71676
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank te Maastricht

Zaaknummer: 71676 / KG ZA 02-2

Datum uitspraak: 23 januari 2002

VONNIS IN HET KORT GEDING VAN:

EISER,

wonende te Maastricht,

eiser,

procureur: mr. J.J.M. Goumans,

tegen:

1. GEDAAGDE 1,

gevestigd te Maastricht,

2. GEDAAGDE 2,

wonende te Grathem, gemeente Heythuysen,

gedaagden,

procureur: mr. J.L.J.E. Koster.

1. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Eiser, hierna te noemen “Eiser”, heeft gedaagden, verder aan te duiden als “Gedaagde 1 en Gedaagde 2”, doen dagvaarden in kort geding.

Op de dienende dag, 9 januari 2002, heeft Eiser geconcludeerd voor eis overeenkomstig de inhoud van die dagvaarding, waarna hij onder verwijzing van op voorhand overgelegde producties zijn vordering nader heeft doen toelichten.

Gedaagde 1 en Gedaagde 2 hebben daarop, onder verwijzing van op voorhand en ter terechtzitting overgelegde producties, verweer gevoerd. Partijen hebben vervolgens over en weer op elkaars stellingen gereageerd, waarna de uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. HET GESCHIL

2.1 MVV, in de volksmond ook wel " Us MVVke" genoemd, is een betaald voetbalorganisatie uit Maastricht. De directeur van deze organisatie is Eiser.

2.2 MVV heeft tot het begin van 2000 altijd goede contacten gehad met de betaald voetbalorganisatie Roda JC uit Kerkrade. Nol Hendriks, bestuurder bij deze club, heeft MVV een aantal malen geholpen door onder andere het voor niets of voor weinig geld uitlenen van spelers.

2.3 Dit contact is verbroken als gevolg van perikelen rondom een transfer van MVV speler Perez naar de club AZ uit Alkmaar. Volgens Roda JC heeft MVV met deze transfer in strijd gehandeld met de afspraak die beide clubs met elkaar hadden, inhoudende dat Perez van MVV naar Roda JC zou vertrekken, waartoe Roda JC een arbeidsovereenkomst met Perez heeft gesloten. MVV ontkent het bestaan van een dergelijke afspraak.

De algehele financiële positie van de club is na deze breuk met Roda JC sterk verslechterd.

2.4 Na de breuk met Roda JC ontstaat het gerucht dat Eiser smeergeld heeft aangenomen. Gedaagde 1 start vervolgens een onderzoek naar aanleiding van dit gerucht. In het kader daarvan hebben de journalisten Paulissen en Oostra op 13 december 2001 Eiser geïnterviewd. Naar aanleiding hiervan hebben zij een concept artikel geschreven dat zij samen met een aantal vragen aan Eiser hebben doen toekomen. Eiser heeft niet op dit concept gereageerd en heeft de vragen van de journalisten niet beantwoord.

2.5 Op 19 december 2001 publiceert de krant een artikel van de beide journalisten onder de kop "Nood MVV door breuk Roda JC". In dit artikel wordt onder meer het volgende gemeld:

Een voormalig topman van MVV, die anoniem wil blijven, herinnert zich de volgende reactie van Eiser toen hem de kwestie werd voorgelegd: "Eiser reageerde eerst geschokt, begon te zweten. Uiteindelijk gaf hij toe geld te hebben aangenomen om de overgang van Perez naar AZ mogelijk te maken. Eiser zei dat het geld bij MVV is terechtgekomen".

En ook: In MVV kringen alsmede in kringen die deze krant heeft gesproken, wordt Eiser al geruime tijd in verband gebracht met het aannemen van smeergeld voor de transfer van Perez naar AZ. Eiser wijst alle beschuldigingen van de hand, maar weigert, herhaalde verzoeken ten spijt, verder op de kwestie in te gaan.

In het artikel wordt Nol Hendriks aangehaald: Ik hoor nu verhalen over smeergeld dat Eiser zou hebben aangenomen. Dat zou een verklaring kunnen zijn.

2.6 Eiser stelt dat de beschuldiging jegens hem zoals bericht in het artikel, ernstig is, dat het onderzoek dat tot publicatie heeft geleid onvoldoende zorgvuldig is en dat één anonieme bron onvoldoende steun biedt om de publicatie te rechtvaardigen, op grond waarvan gedaagden jegens hem onrechtmatig hebben gehandeld door het artikel te publiceren.

2.7 Op grond van het vorenstaande vordert Eiser thans in kort geding dat Gedaagde 1 en Gedaagde 2 zullen worden veroordeeld om in de eerst mogelijke editie van Gedaagde 1, verschijnend binnen twee dagen, de zondag niet meegerekend, na betekening van het in deze te wijzen vonnis, op de voorpagina van Gedaagde 1 in de voor die pagina gebruikelijke opmaak de navolgende tekst te plaatsen:

"Rectificatie Eiser"

In gedaagde van 19 december jl. meldden wij dat Eiser, directeur van MVV, fl. 100.000,-- smeergeld zou hebben ontvangen, in samenhang met de transfer van MVV-speler Perez naar AZ. Wij beschikken evenwel niet over voldoende betrouwbare aanwijzingen om een dergelijke ernstige beschuldiging te rechtvaardigen. Wij hadden dan ook niet mogen schrijven dat Eiser met die transactie enig persoonlijk voordeel bedong, ontving of nastreefde, en herroepen ons bericht dan ook.

Hoofdredactie Gedaagde 1, Gedaagde 2", op straffe van verbeurte van een dwangsom groot fl. 100.000,-- voor elke dag dat gedaagden in gebreke blijven aan deze veroordeling te voldoen, met veroordeling van gedaagden in de kosten van dit geding.

2.8 Gedaagde 1 en Gedaagde 2 hebben tegen deze vordering gemotiveerd verweer gevoerd.

Zij stellen –voor zover van belang- dat zij zorgvuldig gehandeld hebben nu zij op het moment dat de geruchten omtrent de aanname van smeergeld steeds explicieter werden, een interview gehouden hebben met Eiser, waarna zij hem de kans hebben gegeven op een concept artikel te reageren. Zij stellen dan ook dat zij met de publicatie van het gewraakte artikel op 19 december 2001 niet onrechtmatig gehandeld hebben en verzoeken tot afwijzing van de vordering van Eiser.

3. BEOORDELING

3.1 “Us MVVke” is een voetbalclub die in Zuid-Limburg in grote publieke belangstelling staat. Het feit dat de club in financiële problemen is geraakt en zelfs een surséance van betaling heeft aangevraagd is dan ook niet onopgemerkt gebleven. Zowel de Limburgse als de landelijke pers heeft hierover bericht.

3.2 Bij de beoordeling van de vordering van Eiser dient in aanmerking te worden genomen dat MVV in de publieke belangstelling staat en dat de club deels uit publieke gelden wordt betaald, op grond waarvan een beschuldiging van de directeur het algemeen belang raakt. Gelet op artikel 10 EVRM, dient juist bij zaken van algemeen belang, de persvrijheid in acht te worden genomen.

3.3 Gedaagde 1 heeft onderzoek gedaan naar de oorzaak van de problemen bij MVV. Daarbij bleek dat vanaf begin 2000 de goede relatie met Roda JC verbroken was als gevolg van een conflict tussen Hendriks en Eiser over de transfer van Perez naar AZ. Gedaagde 1 heeft vervolgens onderzoek gedaan naar deze transfer en is daarbij gestuit op een gerucht over Eiser, inhoudende dat deze smeergeld zou hebben aangenomen. Gelet op de gebeurtenissen rondom MVV en op een krantenartikel van 1 oktober 1999 waarin Eiser mededeelt een belangrijke speler als Perez absoluut niet te kunnen missen, welke mededeling opvallend afwijkt van de kort daarop gevolgde gang van zaken, is het begrijpelijk dat Gedaagde 1 een onderzoek naar dit gerucht is gestart.

3.4 In het kader van dit onderzoek hebben de journalisten Paulissen en Oostra met onder meer oud-bestuursleden van MVV gesproken over dit gerucht, waarna zij Eiser op 13 december 2001 hebben geïnterviewd.

Vervolgens is aan Eiser een concept artikel overhandigd, vergezeld van een aantal vragen. Op 19 december 2001 is het artikel gepubliceerd.

3.5 Voorshands moet worden geoordeeld dat, anders dan in de dagvaarding wordt gesteld, in het artikel op geen enkele manier stellig wordt beweerd dat Eiser smeergeld heeft aangenomen. Wel wordt in dat artikel een anonieme bron, en wel een voormalige topman van MVV, geciteerd welke verklaart dat Eiser tegenover hem heeft toegegeven geld te hebben aangenomen om de overgang van Perez naar MVV mogelijk te maken, welk geld bij MVV terecht is gekomen.

De vraag is dan of het niet noemen van deze bron in het gesprek met Eiser en het wel expliciet vermelden van deze anonieme bron in het artikel onrechtmatig is tegenover Eiser.

3.6 Voor de beantwoording van deze vraag dient allereerst te worden bezien of, zoals door Eiser wordt gesteld, het onderzoek voorafgaand aan de publicatie onzorgvuldig is geweest. Deze onzorgvuldigheid bestaat volgens Eiser onder meer uit het feit dat de journalisten gedurende het interview met hem geen bron, althans de verkeerde bron hebben genoemd.

3.7 Uit de overgelegde transscriptie blijkt dat de journalisten vrijwel direct na aanvang van het interview mededelen dat zij meerdere bronnen hebben uit MVV en Roda kringen.

Uit de door gedaagden overgelegde web-side van de fanclub van MVV en de email berichten van ene Balarabe aan gemeenteambtenaren, blijkt dat het gerucht over Eiser in kringen rondom MVV in ruime mate bekend was.

Uit de transscriptie blijkt tevens dat Eiser verschillende malen gevraagd heeft naar de bronnen van de journalisten. Deze gaven hem meerdere malen te kennen dat zij hun bronnen niet bekend wilden maken. Na aandringen van Eiser hebben de journalisten uiteindelijk toch een bron genoemd, te weten Hendriks.

De stelling van Eiser dat een verkeerde bron is genoemd wordt door de voorzieningenrechter voorshands verstaan in die zin dat de journalisten onzorgvuldig hebben gehandeld door gedurende het interview Hendriks expliciet als bron te noemen, maar in het krantenartikel een andere bron te vermelden.

Nu blijkens het transscript de journalisten bij aanvang van het interview -en ook nadien nog- duidelijk hebben aangegeven over meerdere bronnen te beschikken en gedurende het interview hebben medegedeeld dat oud-bestuursleden van MVV beweren dat de heer Wesley Eiser geconfronteerd heeft met het hele verhaal en diens reactie daarop dient deze stelling als onvoldoende inzichtelijk gemaakt terzijde te worden geschoven.

3.8 Ingevolge vaste jurisprudentie van de Hoge Raad en Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens inzake de persvrijheid, kunnen journalisten niet worden verplicht hun bronnen prijs te geven. Voorshands dient geoordeeld te worden dat in casu niet gebleken is van een reden om een inbreuk op deze van groot belang geachte “bronnenbescherming” te maken. Het was de journalisten dan ook niet verplicht Eiser gedurende het interview de -later- gepubliceerde anonieme bron te noemen.

3.9 Eiser heeft ter terechtzitting tevens gesteld dat de onzorgvuldigheid van het onderzoek mede blijkt uit het feit dat gedaagden niet de moeite hebben genomen AZ en Perez met het gerucht te confronteren. Gedaagden hebben hiertegen aangevoerd dat zij AZ en Perez wel benaderd hebben, maar dat beiden hebben afgezien van het leveren van commentaar. Nu er geen reden is te twijfelen aan deze stelling en Eiser deze bovendien ook niet heeft betwist, dient te worden uitgegegaan van de juistheid ervan.

Mede gelet op het onder 3.7 en 3.8 vermelde, dient dan ook aan de stelling van Eiser betreffende de onzorgvuldigheid van het onderzoek, voorbij te worden gegaan.

3.10 Het feit dat in het artikel de visie van Eiser ontbreekt, dient geheel voor zijn rekening te komen, daar hij geen gebruik heeft gemaakt van de hem tijdens en na het interview ruimschoots geboden gelegenheid zijn mening omtrent het gerucht te geven.

3.11 Dan resteert nog te beoordelen of de vermelding van het citaat uit de anonieme bron, onrechtmatig is jegens Eiser. Gelet op het onder 3.8 daaromtrent gestelde, stond het Gedaagde 1 vrij het citaat te publiceren, zonder bekendmaking van de bron, te meer nu de strekking van dat citaat, blijkens het transscript, gedurende het interview veelvuldig aan de orde is geweest.

3.12 Gelet op al het vorenstaande dient voorshands te worden geoordeeld dat gedaagden met de publicatie van een artikel waarin een anonieme bron wordt geciteerd, niet onrechtmatig jegens Eiser hebben gehandeld.

De vordering van Eiser zal dan ook worden afgewezen.

3.13 Eiser zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de rechtbank te Maastricht;

RECHT DOENDE in kort geding:

Wijst de vordering van Eiser af;

Veroordeelt Eiser in de kosten van deze procedure aan de zijde van Gedaagde 1 en Gedaagde 2 gerezen en tot heden begroot op € 896,36 ( fl. 1.975,32) waarvan € 193,-- ( fl. 425,32) wegens verschuldigd vast recht en € 703,36 ( fl. 1.550,--) voor salaris procureur.

Verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. A.M. Adelmeijer, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting in het bijzijn van de griffier.

NK