Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2001:AE1299

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
21-12-2001
Datum publicatie
10-04-2002
Zaaknummer
AWB 01/0455 NABW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE MAASTRICHT

Reg.nr.: AWB 01/0455 NABW

UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in het geding tussen

[eiseres] te [woonplaats], eiseres,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Heerlen, gevestigd te Heerlen, verweerder.

Datum bestreden besluit: 27 februari 2001.

Kenmerk: 01.21/000465-720-1040-B/SQ.

Behandeling ter zitting: 30 november 2001.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Bij besluit van 28 juni 2000 heeft verweerder aan eiseres bijzondere bijstand in de vorm van woonkostentoeslag toegekend over de periode 20 april 2000 tot 1 juli 2000.

Namens eiseres is tegen dit besluit op 26 juli 2000 een bezwaarschrift ingediend.

Bij besluit van 2 november 2000 heeft verweerder aan eiseres bijzondere bijstand in de vorm van woonkostentoeslag toegekend over de periode 29 september 2000 tot 30 juni 2001.

Namens eiseres is tegen dit besluit op 9 november 2000 een bezwaarschrift ingediend.

Bij besluit van 27 februari 2001 heeft verweerder de bezwaren tegen beide genoemde besluiten ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit is namens eiseres op 4 april 2001 beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 21 mei 2001 een verweerschrift ingezonden.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan eiseres gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 30 november 2001 waar eiseres bij gemachtigde mr. A.J.P. Lemmen is verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde mr. J.P.H.M. Quaedvlieg.

II. OVERWEGINGEN.

A. De feiten.

Bij schrijven van 20 maart 2000 heeft de gemachtigde van eiseres aan verweerder medegedeeld dat eiseres een huurachterstand had van f 4.028,10, en dat dit volgens eiseres kwam omdat zij geen huursubsidie en geen woonkostentoeslag (verder te noemen wkt) ontving. Gemachtigde gaf aan gaarne te vernemen of eiseres niet in aanmerking kwam voor wkt.

In het rapport van verweerder d.d. 22 maart 2000 in het kader van een heronderzoek staat vermeld dat eiseres geen geldig verblijfsdocument heeft, maar, in 1997, tijdig een nieuwe verblijfstitel had aangevraagd. Dit werd door het ministerie afgewezen, waarna eiseres tijdig tegen die beslissing in bezwaar is gegaan. In afwachting van deze bezwaarprocedure mag eiseres in Nederland blijven.

Tevens staat in het rapport vermeld dat de woonlasten van eiseres f 850,00 per maand bedragen en dat het volstrekt onduidelijk is waarom eiseres geen huursubsidie ontvangt. Aan de gemachtigde van eiseres werd daarom geadviseerd om daar nog eens achteraan te gaan en, indien dit niet mogelijk zou blijken, bijzondere bijstand in de vorm van woonkostentoeslag aan te vragen.

Op verzoek van de gemachtigde van eiseres heeft dhr. Aarts, werkzaam bij de afdeling Volkshuisvesting van verweerder, bij brief d.d. 17 april 2000, gericht aan voornoemde gemachtigde, nadere uitleg gegeven omtrent het recht op huursubsidie van eiseres. Eiseres had geen recht op huursubsidie aangezien zij verblijfscode 18 heeft. Vreemdelingen met verblijfscode 18 komen in principe niet in aanmerking voor huursubsidie. Aan deze vreemdelingen kan huursubsidie worden verstrekt als zij na rechtmatig verblijf te hebben gehouden, tijdig toelating in aansluiting op dat verblijf hebben aangevraagd, dan wel bezwaar hebben gemaakt of beroep hebben ingesteld tegen de intrekking van de toelating, totdat op die aanvraag, dat bezwaar of beroep is beslist en mits hem/haar huursubsidie is verstrekt voor het subsidietijdvak waarin hij voor het laatst rechtmatig verblijf hield. Voorafgaande aan de verblijfscode 18 dient dan een van de verblijfscodes voor rechtmatig verblijf in Nederland te zijn opgenomen. Daarnaast moet met deze rechtmatige verblijfscode al huursubsidie zijn ontvangen, en dit is nu juist niet het geval in de situatie van eiseres.

Vervolgens diende eiseres op 20 april 2000 een aanvraag bijzondere bijstand in voor woonkostentoeslag vanaf 15 januari 1999. Blijkens het aanvraagrapport d.d. 19 mei 2000 was bovengenoemde brief van dhr. Aarts toen reeds aan het dossier van de afdeling sociale zaken toegevoegd.

Bij besluit van 28 juni 2000 deelde verweerder eiseres mede dat aan haar woonkostentoeslag werd toegekend vanaf 20 april 2000 tot 1 juli 2000. Hiermee werd de aanvraag voor wat betreft het tijdvak 15 januari 1999 tot en met 19 april 2000 feitelijk afgewezen. In het besluit werd aan eiseres medegedeeld dat zij vanaf 1 juli 2000 huursubsidie kon aanvragen.

Namens eiseres werd tegen dit besluit op 26 juli 2000 een bezwaarschrift ingediend, waarvan de gronden bij schrijven van 14 augustus 2000 nader werden aangevoerd.

Namens eiseres werd gesteld dat zij de aanvraag voor woonkostentoeslag van verweerder niet mocht indienen omdat zij eerst huursubsidie zou moeten aanvragen, doch dat het evident was dat zij daar, gezien haar verblijfsstatus, geen recht op had. Eiseres is afkomstig uit Sierra Leone. Aangevoerd werd dat eiseres de aanvraag niet eerder had gedaan omdat zij de Nederlandse taal niet beheerst en dat van verweerders zijde niet was uitgelegd wat zij behoorde te doen en evenmin werden haar rechten uitgelegd. Voorts werd aangevoerd dat eiseres een huurschuld had opgebouwd.

Bij brief van 26 september 2000 van de afdeling Volkshuisvesting, gericht aan de Sociale Dienst (beiden gemeente Heerlen), werd aangegeven dat de gemachtigde van eiseres enige tijd geleden aldaar navraag had gedaan omtrent het recht op huursubsidie van eiseres. Blijkens deze brief had eiseres, in verband met het feit dat zij nog steeds geen geldige verblijfstitel had, eveneens nog steeds geen recht op huursubsidie. Blijkens de gedingstukken heeft de behandelend ambtenaar eiseres op 27 september 2000 een aanvraagformulier voor woonkostentoeslag toegestuurd. Dit aanvraagformulier werd door eiseres ingevuld en ondertekend op 28 september 2000, doch werd volgens de aanvraagrapportage pas op 10 oktober 2000 door verweerder ontvangen.

Hierop werd bij besluit van 2 november 2000 aan eiseres woonkosten toeslag toegekend over de periode 29 september 2000 tot 30 juni 2001.

Blijkens de inhoud van het namens eiseres op 9 november 2000 ingediende bezwaarschrift diende de aanvraag van eiseres beschouwd te worden als een aanvraag vanaf 1 juli 2000. Namens eiseres werd derhalve bezwaar gemaakt tegen het feit dat de woonkostentoeslag niet werd toegekend over de periode 1 juli 2000 tot en met 28 september 2000. Blijkens de gedingstukken heeft de gemachtigde van eiseres haar verteld dat zij tijdig een nieuwe aanvraag moest indienen, doch heeft eiseres dit niet goed begrepen omdat zij de Nederlandse taal niet beheerst. Namens eiseres werd gesteld dat verweerder nimmer getracht heeft om haar goed te begrijpen en heeft verweerder haar niet goed geholpen.

B. Het bestreden besluit.

Bij besluit van 27 februari 2001 verklaarde verweerder de bezwaren tegen de besluiten van 28 juni 2000 en 2 november 2000 ongegrond. Hiertoe werd aangevoerd dat uit vaste rechtspraak kan worden afgeleid dat slechts bijstand c.q. woonkostentoeslag met terugwerkende kracht kan worden verstrekt als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.

Verweerder is van mening dat de omstandigheid dat eiseres de Nederlandse taal niet beheerst, alsmede de omstandigheid dat zij er niet van op de hoogte was dat zij woonkostentoeslag kon aanvragen, geen bijzondere omstandigheden zijn die ertoe leiden dat de woonkostentoeslag met terugwerkende kracht verstrekt dient te worden. Verweerder steldt zich op het standpunt dat het tot de eigen verantwoordelijkheid van eiseres behoort om tijdig haar aanspraak op bijstand kenbaar te maken. Volgens verweerder valt met name niet in te zien waarom eiseres niets had ondernomen toen haar schulden als gevolg van te hoge woonlasten opliepen.

C. Het beroep.

Blijkens het beroepschrift kan eiseres zich met dit besluit niet verenigen. Hiertoe werd aangevoerd dat eiseres in 1999 diverse keren de afdeling huursubsidie (lees: Volkshuisvesting) van de gemeente had bezocht doch dat deze afdeling haar niet verstond omdat zij slecht Engels spreekt. De hulp van een tolk werd niet ingeroepen. Toen bleek dat eiseres geen recht had op huursubsidie werd zij verwezen naar de Sociale Dienst, waar zij niet geholpen werd omdat zij eerst een bewijsstuk moest overleggen waaruit bleek dat zij geen recht had op huursubsidie. De afdeling huursubsidie gaf dit bewijsstuk pas na bemiddeling van de gemachtigde van eiseres. Pas daarna werd eiseres in de gelegenheid gesteld de aanvraag woonkostentoeslag te doen.

Na de toekenning van de woonkostentoeslag tot 1 juli 2000 begon voor eiseres hetzelfde verhaal. De afdeling huursubsidie wist niet of zij recht had op huursubsidie en degene die dat wel wist was afwezig. Wederom werd pas na na bemiddeling van de gemachtigde een aanvraagformulier aan eiseres gezonden.

In het verweerschrift stelt verweerder dat er geen enkele reden is om aan te nemen dat eiseres reeds in 1999 een aanvraag voor huursubsidie bij de gemeente had ingediend. Tevens is niet gebleken dat eiseres zich in 1999 heeft gemeld bij de Sociale Dienst voor een aanvraag voor woonkostentoeslag. Verweerder merkt op dat wanneer de gestelde aanvragen niet in behandeling zouden zijn genomen, het in de rede had gelegen dat zij tijdig professionele rechtshulp zou hebben ingeroepen.

Met betrekking tot de afwijzing van de woonkostentoeslag vanaf 1 juli 2000 werd gesteld dat in het besluit van 28 juni 2000 duidelijk werd vermeld dat de woonkostentoeslag zou duren tot 1 juli 2000. Hierna had eiseres een nieuwe aanvraag kunnen indienen. Het is niet duidelijk op welk moment eiseres zich tot de afdeling huursubsidie heeft gewend met het doel huursubsidie aan te vragen. Pas op 9 oktober 2000 werd door verweerder een aanvraag ontvangen. Daar deze gedagtekend was op 28 september 2000 werd ervoor gekozen om de aanvraag toe te kennen vanaf 29 september 2000.

D. De beoordeling.

De rechtbank dient thans te beoordelen of verweerder terecht heeft besloten om de aanvragen voor woonkostentoeslag van eiseres niet met terugwerkende kracht toe te kennen.

De rechtbank merkt vooraleerst op dat het primair de verantwoordelijkheid van eiseres zelf is om haar eventuele rechten jegens verweerder op grond van de Abw te gelde te maken, al dan niet met (juridische) hulp van een derde en dat volgens vaste jurisprudentie in beginsel geen bijstand wordt verstrekt met terugwerkende kracht, tenzij bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.

Met betrekking tot de toekenning van de wkt vanaf 20 april 2000 tot 1 juli 2000:

Bij het toekennen van de wkt is verweerder uitgegaan van een aanvraag namens eiseres van omstreeks 20 april 2000. De gemachtigde van eiseres heeft echter bij schrijven van 20 maart 2000, gericht aan verweerder, duidelijk aangegeven te willen vernemen of eiseres in aanmerking komt voor woonkostentoeslag. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dit schrijven ten onrechte niet aangemerkt als een aanvraag voor wkt. Het bestreden besluit dient, voorzover het het besluit van 28 juni 2000 betreft, derhalve reeds om die reden vernietigd te worden.

Blijkens het aanvraagformulier van 25 april 2000 heeft eiseres evenwel woonkostentoeslag aangevraagd vanaf 15 januari 1999. Het beroepschrift vermeldt dat eiseres in 1999 diverse keren de afdeling Volkshuisvesting had bezocht teneinde huursubsidie aan te vragen. Blijkens het verweerschrift stelt verweerder zich op het standpunt dat er geen enkele reden is om aan te nemen dat eiseres in 1999 bij de gemeente een aanvraag voor huursubsidie heeft trachten in te dienen.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is echter niet gebleken dat verweerder hier onderzoek naar gedaan heeft. Met name is niet gebleken dat verweerder bij haar afdeling Volkshuisvesting dossierstudie heeft verricht naar een eventuele aanvraag van eiseres in 1999 voor huursubsidie, noch dat hieromtrent navraag werd gedaan bij deze afdeling, terwijl de verklaringen hieromtrent zijdens eisers de rechtbank niet onaannemelijk voorkomen.

De gemachtigde van eiseres had als bijlage bij de brief van 20 maart 2000 een brief van de verhuurder van de woning van eiseres d.d. 16 maart 2000 gevoegd, waaruit bleek dat eiseres over het jaar 1999 een huurachterstand had van omstreeks f 1.400,00 en over het jaar 2000 nog geen enkele huurbetaling had gedaan, dit in tegenstelling tot hetgeen hieromtrent in het hercontrolerapport van 22 maart 2000 staat vermeld. Vaststaat dat verweerder, in ieder geval ten tijde van het heronderzoek in maart 2000, op de hoogte was van het feit dat eiseres vanaf januari 1999 maandelijks f 850,00 huur verschuldigd was doch dat zij geen huursubsidie ontving, alsmede met het feit dat eiseres inmiddels een huurachterstand had van meer dan f 4.000,00.

Daarbij komt nog dat de reden waarom eiseres geen huursubsidie ontving bij de afdeling sociale zaken van verweerder, blijkens genoemd rapport van 22 maart 2000, volstrekt onduidelijk was, doch dat deze reden bij een andere afdeling wel degelijk bekend was. Het recht op huursubsidie en het recht op wkt hangen, naar het oordeel van de rechtbank, dermate rechtstreeks met elkaar samen, dat een niet-adequate communicatie c.q. doorverwijzing tussen de twee afdelingen van verweerder die met de uitvoering daarvan belast zijn, niet voor rekening van de aanvrager dient te komen. Ter illustratie merkt de rechtbank op dat verweerder ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat ingeval iemand bijstand aanvraagt, nadat hij een afwijzing op een werkloosheidsuitkering heeft gekregen, verweerder de bijstand in beginsel met terugwerkende kracht toekent vanaf de datum van aanvraag voor de werkloosheidsuitkering. Niet valt in te zien waarom in een naar het oordeel van de rechtbank op dit punt vergelijkbare situatie, waarbij iemand wkt aanvraagt en aangeeft dat reeds eerder, zonder succes, huursubsidie is aangevraagd, niet eveneens in beginsel uitgegaan zou dienen te worden van de datum van aanvraag voor huursubsidie, temeer daar het hier twee afdelingen van hetzelfde bestuursorgaan betreft.

Gezien genoemde feiten en omstandigheden had verweerder naar het oordeel van de rechtbank, in het kader van een zorgvuldige belangenafweging, de beweringen van eiseres omtrent haar aanvragen voor huursubsubsidie in 1999 ambtshalve dienen te onderzoeken. Nu hiervan niet is gebleken heeft verweerder gehandeld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Met betrekking tot de toekenning van de wkt vanaf 29 september 2000:

In het besluit van 28 juni 2000 deelde verweerder eiseres mede dat aan haar tot 1 juli 2000 wkt werd toegekend omdat zij daarna huursubsidie kon aanvragen. Deze stelling onderschrijft de rechtbank niet.

Uit de inhoud van de brief van 17 april 2000 van dhr. Aarts van de afdeling Volkshuisvesting blijkt immers dat het evident was dat eiseres vanaf 1 juli 2000 eveneens geen recht zou hebben op huursubsidie. Zij voldeed toen immers, uiteraard, nog steeds niet aan de eis dat met een rechtmatige verblijfscode al huursubsidie was ontvangen. Wanneer dit laatste namelijk wel het geval zou zijn geweest dan zou de afdeling volkshuisvesting daarvan op de hoogte zijn geweest, aangezien een aanvraag voor huursubsidie via die afdeling verloopt.

Verweerder heeft derhalve naar het oordeel van de rechtbank aan de voortzetting van de wkt na 1 juli 2000 ten onrechte de voorwaarde verbonden dat eiseres wederom een schriftelijke aanvraag hiervoor moest indienen. Het bestreden besluit dient derhalve, voor zover het het besluit van 2 november 2000 betreft, vernietigd te worden.

Voorts acht de rechtbank termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten, die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken.Deze proceskostenveroordeling heeft betrekking op de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waarvan het bedrag wordt vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.De rechtbank kent daarbij ter zake van de verrichte proceshandelingen 2 punten met een waarde van ¦ 710,-- per punt toe voor de indiening van het beroepschrift en het verschijnen ter zitting en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1).

Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 2 x ¦ 710,-- x 1 = ¦ 1.420,--.

Op grond van het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING.

De arrondissementsrechtbank te Maastricht:

1. verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit voor zover aangevochten;

2. draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de bezwaarschriften van 26 juli 2000 en 9 november 2000 met inachtneming van deze uitspraak;

3. bepaalt dat aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van ƒ 60,-- wordt vergoed door de gemeente Heerlen;

4. veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiseres begroot op ƒ 1.420,00, zijnde de kosten van rechtsbijstand, te vergoeden door de gemeente Heerlen aan eiseres.

Aldus gedaan door mr. H.J.O. Martens in tegenwoordigheid van mr. R.H. Kessels als griffier en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2001 door mr. H.J.O. Martens voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. R. Kessels w.g. Martens

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Verzonden op: 21 december 2001

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de President van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.