Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2001:AE0478

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
31-10-2001
Datum publicatie
22-03-2002
Zaaknummer
67017 / FA RK 01-804
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Beschikking: 31 oktober 2001

De rechtbank Maastricht, enkel-voudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven:

Zaaknummer: 67017 / FA RK 01-804

In de zaak van:

[Sj] [S] en [A] [St],

verzoekers,

beiden wonende te [H],

procureur mr. T.U. Hiddema.

en:

De ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Kerkrade,

gevestigd te Kerkrade.

1. Verloop van de procedure

Verzoekers hebben zich bij op 25 juni 2001 ter griffie ingediend verzoekschrift gewend tot deze rechtbank.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 17 september 2001, van welke behandeling proces-verbaal is opgemaakt, bij gelegenheid van welke behandeling verzoekers, bijgestaan door hun procureur mr. M.B. Bax, ten deze vervangende

mr. Th.U. Hiddema, en de heer [W.], ambtenaar van de burgelijke stand te Kerkrade, zijn verschenen.

Na afloop van de behandeling is bepaald dat er over vier weken een beschikking zou worden gegeven.

De procureur van verzoekers heeft nog gereageerd bij schrijven van 15 oktober 2001, gericht aan de rechtbank.

2. Beoordeling

2a. Verzoekers hebben zich tot de rechtbank gewend met het verzoek:

1. voor recht te verklaren dat de minderjarige [D.] [K.] in familierechtelijke betrekkingen staat tot verzoeker [S.], voor zoveel nodig met gegrondverklaring van de ontkenning door verzoekster [St.] (rechtbank: daarmee wordt kennelijk aangeduid en bedoeld dezelfde persoon die in de aanhef van het verzoekschrift met de geslachtsnaam "[Sta.]" wordt aangeduid);

2. de ambtenaar van de burgelijke stand van de gemeente Kerkrade te gelasten om ter verbetering van het register van geboorten, op de geboorteakte van [D.] [K.] een kantmelding te plaatsen met betrekking tot de op 8 augustus 1997 opgemaakte akte van ontkenning en erkenning, en daarbij tevens de achternaam van [D.] [K.] te wijzigen van [Sti.] in de naam van haar vader, verzoeker [S.];

2b. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1) Op 31 augustus 1996 is uit verzoekster [Sta.] geboren [D.] [K.] [Sti.], te Kerkrade, kind van het vrouwelijke geslacht, van wie in de geboorteakte nummer 100647 als ouders zijn vermeld [P.] [Sti.], vader, en [A] [Sta.], moeder; als aangever staat in die door [W.], ambtenaar van de burgelijke stand te Kerkrade, op 4 september 1996 opgemaakte geboorteakte vermeld [Sj] [S.], verzoeker.

2) Verzoekster is op 25 augustus 1990 te [P.w.]. [L.] (Polen) gehuwd met [P.] [Sti.], welk huwelijk krachtens het vonnis van de arrondissementsrechtbank te [L.] van 6 december 1995, dat op 28 december 1995 in kracht van gewijsde is gegaan, door echtscheiding is

ontbonden, hetgeen op 6 februari 1996 vermeld is in het register van de

burgelijke stand te [P.] (Polen).

3) Op 8 augustus 1997 is door de ambtenaar van de burgelijke stand te Kerkrade (aktenummer 0078) een "akte van ontkenning vaderschap door moeder en erkenning door vader" opgemaakt met betrekking tot het kind [D.] voormeld, waarin de verzoekster als de moeder van [D.] staat vermeld, als "vroegere echtgenoot" van de moeder [P.] [Sti.] en als "erkenner" verzoeker [S.], waarin verder nog wordt gemeld dat er toestemming is gegeven door moeder en dat de geslachtsnaam van het kind na wettiging is "[S.]".

Verzoekers zijn op 12 november 1999 te [H] met elkaar gehuwd.

4) De ambtenaar van de burgelijke stand te Kerkrade heeft op 8 mei 2001 aan de procureur van verzoekers een schrijven gericht dat in afschrift aan deze beschikking is gehecht en naar de inhoud waarvan de rechtbank verwijst.

5) Verzoekers hebben sinds 1994 een affectieve relatie met elkaar uit welke relatie [D.] is geboren. De voormalige echtgenoot van verzoekster, [P.] [Sti.], heeft verzoekster kort na 1990 verlaten; doordat diens woon- of verblijfplaats voor verzoekster niet bekend was heeft het geruime tijd geduurd voordat de echtscheiding tussen verzoekster en [Sti.] tot stand is gekomen. Omdat [D.] binnen 300 (306) dagen na de ontbinding van dat huwelijk is geboren is [Sti.], die niet de verwekker van [D.] is, als (juridische vader) in de geboorteakte van het kind vermeld.

2c. De voormelde akte van ontkenning vaderschap door moeder en erkenning door vader d.d. 8 juli 1997 is niet als latere vermelding aan de geboorteakte van [D.] toegevoegd, kennelijk omdat de ambtenaar van de burgelijke stand te Kerkrade oordeelde, dat, nu verzoekers te kennen hadden gegeven niet binnen één jaar na de geboorte van het kind met elkaar te willen trouwen, daarom die akte ook niet als latere vermelding kon worden toegevoegd.

Dit stoelde op de vóór 1 april 1998 van kracht zijnde afstammingsbepaling van art. 1:198 lid 1 jo. Lid 3 BW. Die opvatting van de ambtenaar van de burgelijke stand te Kerkrade was evenwel toentertijd inmiddels achterhaald, nu de Hoge Raad als had uitgemaakt dat die eis van opvolgend huwelijk in strijd was met de regel van art. 8 EVRM, en een ongeoorloofde inmenging in het family-life van verzoekers en hun kind inhield. Dat er family-life tussen verzoekers en [D.] was (en is) acht de rechtbank zonder meer aannemelijk.

2d. Doordat inmiddels artikel 1:198 BW in de redactie van vóór 1 april 1998 is vervallen kan een daarop gebaseerd verzoek (het verzoek onder 2. van het verzoekschrift) niet worden toegewezen.

Er is ook geen wettelijke basis voor het eerste deel van verzoekers verzoek onder 1., namelijk het voor recht verklaren dat de minderjarige [D.] in familierechtelijke betrekkingen staat tot verzoeker [S.]; verzoekers, die op de eerste bladzijde van hun verzoekschrift vermelden dat het een "verzoek ex art. 1:27 BW" betreft hebben wellicht voor ogen gehad de teksten van de op art. 1:27 BW volgende en daar weer mee verband houdende art. 1:27 a, 26a en 26b BW, waarin sprake is van "verklaring voor recht", maar dat ziet op situaties en gevallen die met de onderhavige zaak niet van doen hebben.

2e. Verzoekers hebben ook verzocht de gegrondverklaring van de ontkenning door verzoekster (van het vaderschap van [P.] [Sti.] van [D.]).

Die ontkenning heeft door verzoekster plaats gehad bij de bovenvermelde akte opgemaakt door de ambtenaar van de burgelijke stand te Kerkrade op 8 augustus 1997.

Voor 1 april kon de moeder uitsluitend het vaderschap van haar kind ontkennen in art. 1:198 BW (oud) bedoelde geval; kind binnen 306 dagen na ontbinding van haar huwelijk uit haar geboren. Het huidige art. 1:200 BW geeft de moeder een even ruime mogelijkheid tot ontkenning van het vaderschap als de vader, in het geval dat de man niet de biologische vader van het kind is.

Ingevolge lid 5 van het huidige art. 1:200 BW dient de moeder het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning binnen een jaar na de geboorte van het

kind in te dienen. Ingevolge artikel III lid 5 van de overgangsbepaling van de

Wet van 24 december 1997, Stb. 1997, 772 kan de moeder - [D.] is geboren voor de inwerkingtreding van het nieuwe afstammingsrecht - gedurende twee jaren na 1 april 1998 het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van de wettigheid van het vaderschap indienen. Nu het verzoek is ingediend op 25 juni 2001 is die termijn vervallen.

2f. Gelet op de bijzondere omstandigheden van dit geval oordeelt de rechtbank dat het verstrijken zijn van de vervaltermijn verzoekster niet behoort te worden tegengeworpen.

In het licht van de uitspraak van de Hoge Raad d.d. 17 september 1993, NJ 1994 nr.373, had de ambtenaar van de burgelijke stand te Kerkrade de akte van ontkenning vaderschap door moeder en erkenning door vader d.d. 8 augustus 1997, ondanks dat verzoekers (toen) niet binnen een jaar na de geboorte van [D.] met elkaar wilden trouwen, toch als latere vermelding moeten toevoegen aan de geboorteakte van [D.], zodat en waarmee [D.] thans en vanaf dat moment verzoeker [S.] als juridische vader zou hebben gehad, met de geslachtsnaam [S.]. Dat door de verzoekers gewenste resultaat dat recht doet aan de familierechtelijke betrekkingen tussen verzoekers en het kind zou bewerkstelligd kunnen worden doordat de rechtbank de ontkenning van het vaderschap van [P.] [Sti.] van het kind gegrondverklaart waarna verzoeker [S.] op de voet van het huidige afstammingsrecht [D.] alsnog erkent en vervolgens zou een en ander met het beoogde gevolg aan de geboorteakte van het kind toegevoegd kunnen worden.

2g. De rechtbank is van oordeel dat dit zonder nader te noemen tussen stappen in ieder geval nog niet in de vorm van een eindbeslissing kan worden uitgesproken, immers naar huidig afstammingsrecht moet op grond van art. 1:212 BW een bijzondere curator over het kind worden benoemd, terwijl de (huidige) juridische vader van [D.] als belanghebbende in de procedure betrokken moet worden op de wijze als in een verzoekschriftprocedure als deze behoort te geschieden, en de rechtbank zal aldus beslissen.

3. Beslissing

De rechtbank:

Bepaalt, alvorens verder te beslissen, dat verzoekers een verzoek aan de rechtbank doen ter benoeming van een bijzondere curator over het ten processe bedoelde kind, alsmede dat verzoekers aangeven op welke wijze [P.] [Sti.], belanghebbende in dit geding, op de door de wet voorgeschreven wijze in deze procedure kan worden betrokken door opgave te doen van woon- of verblijfplaats en mogelijke andere antecedenten betreffende genoemde [P.] [Sti.] aan de rechtbank.

Houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door Mr. J.C. Casparie, rechter, tevens plaatsvervangend-kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2001 in tegenwoordigheid van H.P. Thevissen als griffier.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een procureur (advocaat) - hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te

's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 2 maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen 2 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.